Time flies. Wat een cliché en oh, wat een waarheid. Kun je je nog herinneren hoe je opzichtig en theatraal zuchtend je moeder of oma toesnauwde dat het verleden voorbij is, dat nu nu is en dat je daar van moet genieten? Ik wel. Ik kan me heel veel nog herinneren en nog veel meer niet.
Zo herinner ik me nog steeds als de dag van gisteren dat het 20 april 1997 was. Het was een zondag. Een serene zondag in het voorjaar, het zonnetje deed haar uiterste best, het was haast aandoenlijk. Ik was in mijn ouderlijk huis. Daar was ik al weken. Ik woonde daar niet. Ik woonde 200 km verderop, in de Randstad, samen met mijn pasverworven echtgenoot. Maar wegens een net mislukte zwangerschap mocht ik van het GAK toch bivakkeren bij mijn terminaal zieke moeder.
In mijn ouderlijk huis was het die zondag heel stil. De drie katten die er woonden waren er niet. Of, eentje wel. Haar naam was Mouche. Ze had al een paar dagen op het voeteneind van het ziekenhuisbed gezeten. In dat bed lag mijn moeder. Tot op het bot aangevreten door de uitzaaiingen van borstkanker. Meer dood dan levend lag ze daar al minimaal twee weken, zonder bewustzijn, met zakjes aan de rand van het bed om donkerbruin vocht in op te vangen. Niet aanspreekbaar maar met een ijzeren wil. Een wil waar ik koud van werd, bijna net zo koud als zij al was. Ze was letterlijk op sterven na dood. Je zegt het zo gemakkelijk hè, zo'n uitspraak. In haar geval was het de letterlijke waarheid.
Het was de hele dag zondag en er is geen dag waarop je sterker merkt dat de tijd langzaam gaat. Af en toe ging de telefoon. Een paar vrienden kwamen nog poolshoogte nemen. Het bed stond onder het grote raam met uitzicht op de tuin. Om het bed stonden wat stoelen maar niemand zat er. We bleven in beweging, losten elkaar af. Wilden niets missen maar het liefst ook niets meemaken, wetend dat het zo ingrijpend was. We bleven in de buurt en liepen als onrustige apen door de kamer. We keken de minuten om. We staarden maar naar mijn moeder's borstkas en naar elkaar. Af en toe kwam er beweging in de borstkas. Dan kwam er met een rochelend geluid weer een ademtocht en bij iedere keer hoopte ik dat het de laatste zou zijn. Niet omdat ik het nou zo leuk vond om mijn moeder te zien sterven maar omdat ik er gewoon niet meer tegen kon. De minuten leken uren, weken, maanden. Waarom duurde dit een eeuw? Waarom scheen de zon uberhaupt nog? Waarom hoorde ik kerkklokken in de verte? Waarom kon dit niet gewoon afgelopen zijn?
Het duurde echt te lang. We besloten de huisarts te bellen. Inmiddels was het een uur of zes. Iemand wierp nog op dat je de huisarts beter niet kon bellen omdat die vast aan het avondeten zat. Dat argument maakte niet veel indruk meer. Ik herinner me vaag dat ik hem door de telefoon vroeg om zo snel mogelijk langs te komen omdat het echt niet meer te verdragen was. Hij was er binnen vijf minuten. Met zijn professioneel bezorgde blik waar ik gelukkig ook veel oprechtheid in zag zei hij dat het inderdaad het allerlaatste was. Hij wilde graag nog een spuitje toedienen met onze toestemming. Die kreeg hij meteen. Hij deed vakkundig zijn werk en buiten dat sprak hij een paar woorden tot mijn moeder. Hij hing met zijn gezicht boven het hare en zei dat het goed was. Dat het tijd was om te gaan. Dat ze genoeg gestreden had. Dat het niet meer hoefde en dat ze echt mocht gaan nu. Wij zaten daarbij alsof we keken naar een wel heel bijzonder slechte realitysoap. Ze ging niet. Minuten verstreken. Een kwartier. Een half uur en nog steeds kwam daar weer een ademhaling. Vaag herinner ik me dat ik in mijn wanhoop en paniek de huisarts aanspoorde tot nog een spuitje. Hoe zich dat in werkelijkheid voltrokken heeft weet ik niet. Ik weet alleen dat mijn moeder op zondag 20 april 1997 om 20:30 haar allerlaatste adem uitblies en dat ik het verschil niet zag met al die van daarvoor.
De huisarts vertelde het me. Hij stond er heel rustig en kalm, aan het voeteneind van het bed, en zei: Dit was het. Het zal het oog van een kenner geweest zijn, want ik zag echt geen verschil. Ik keek nog eens en op het moment dat het enigszins tot me doordrong dat het helemaal stil was, dat er helemaal geen geluid meer te horen was, zelfs geen auto op straat reed en geen vogel meer vloot, op dat moment draaide ik door en rende hysterisch gillend naar de tuin. Alles daarna is een zwart gat.
Mouche vertrok die dag met onbekende bestemming en is nooit meer in het ouderlijk huis teruggekeerd.
Time flies. Soms is dat fijn en soms is dat dodelijk.
|