De vaste lezers van dit blog weten al dat ik me meerdere keren lovend uitgelaten heb over Martin Bril, o.a. hier. Gisteravond vlak voor het naar bed gaan las ik tot mijn grote schrik dat Martin was overleden. Ik was er al een paar dagen mee bezig. Zijn laatste stukjes waren verontrustend, Een rolstoel omdat hij te zwak was om te lopen, Niet kunnen komen bij een prijsuitreiking. Slechte voortekenen. Toch had ik niet verwacht dat het zo snel zou gaan. Als iemand zegt dat hij, ondanks een ongeneeslijke ziekte, niet van plan is om de pijp aan Maarten te geven dan geloof je hem (maar al te graag). Het schijnt dat hij erin geslaagd is om meerdere mensen op deze manier om de tuin te leiden. Het ging slecht, maar zó slecht... dat wisten volgens mij alleen zijn meest dierbaren. Zijn hond zal het al wel wat langer geweten hebben. Het laatste boek dat ik kocht was Mijn leven als hond. Zoals algemeen bekend is dat zijn verhaal over de ziekte kanker verteld vanuit het perspectief van zijn hond Toetsie.
Een poos geleden zat ik met mijn lief op een Amsterdams terras in de zon. Het is ongeveer een jaar geleden. We zaten op het Spui, tegenover de beroemde boekhandel Athenaeum. Het was een zonnige zondagmiddag, de winkels waren open en Amsterdam kwam langzaam op gang. Opeens zag ik Martin Bril langs ons rijden op een typische stadsfiets met een krat voor op het stuur. Hij zag er wat verkreukeld uit, zoals hij wel vaker oogde. Alsof hij net uit bed kwam en meteen op de fiets gesprongen was om zijn kranten te halen. Ik keek naar hem en ik zag hoe hij met snelle blikken in de gaten hield waar hij fietste en ervoor zorgde geen oogcontact te maken. Hij was duidelijk zijn eigen dingen aan het doen en hem aanspreken was geen optie. Ik zou ook niet geweten hebben wat ik had moeten zeggen. Alles wat er dan uit je mond komt is een cliché en om hem daar nou voor aan te spreken vond ik vrij nutteloos. Het leek me nuttiger om af en toe eens over hem te schrijven en vooral veel van hem te lezen.
In diverse stukjes las ik verhalen over de buurt waarin hij woonde. Hoe hij hoorde dat hij weer ziek was en dat de dood op de loer lag. Dat hij benaderd werd door mensen die medelijden met hem hadden en dat hij niet wist hoe hij daar mee om moest gaan. Hoe en waar hij zijn hond uitliet. Hij beschreef de straatnamen, de hoeken van de straten en de lantaarnpalen. De drukte in de Birckenstock winkel waar hij langs liep. Het Vondelpark. De Marnixstraat. De begraafplaats daar. En op mijn wandelingen door Amsterdam dacht ik vaak aan hem. Dan bedacht ik dat het leuk zou zijn als ik ook eens, met zijn verhalen in de hand, dezelfde routes zou lopen. Ik fantaseerde hoe ik hem dan tegen zou komen. En ik bedacht in mijn hoofd wat ik tegen hem zou zeggen. Of ik woorden zou kunnen vinden die me in staat zouden stellen mijn medeleven aan hem over te brengen zonder dat het er toe deed dat wij vreemden voor elkaar waren. Zonder dat ik hem in verlegenheid zou brengen of zou afstoten. Of het me misschien zou lukken om een kleine troost te zijn. Het is er niet van gekomen.
Ik slenterde door de Westerstraat richting Marnixstraat toen er van rechts uit een piepklein straatje een indrukwekkende rouwstoet kwam met een man voorop, daarachter een enorme witte lijkwagen en daar weer achteraan de gebruikelijke rouwstoet. Die combinatie zorgde voor een soort visioen. De uitvaart van Martin Bril. Het is nooit naar de voorkant gekomen maar het heeft sinds die tijd in mijn achterhoofd gezeten.
Of het van enig nut is om te vertellen hoe ik me voel nu, weet ik niet. Maar het is mijn weblog, vandaag staat in het teken van het overlijden van Martin Bril, vanavond gaat de complete DWDD-uitzending over hem en ik moet steeds maar huilen, dus waarom zou ik het verzwijgen. Het verbaast me wel een beetje dat ik zo van slag ben want nog niet eerder maakte ik mee dat ik zo verdrietig ben over de dood van een volslagen onbekende. Misschien heeft het te maken met mijn gemoedstoestand, veroorzaakt door PMS, een paar nachten slecht en te kort slapen en misschien is het een optelsom van dat en restantjes van 20 april, of de woede en onmacht die je voelt bij slachtoffers van kanker. Wie het weet mag het zeggen.
Hij voelde, zoals ik eerder schreef, niet als een onbekende maar als een vriend. En ik voel mij alsof ik een goede vriend verloren ben. Zwaar klote dus. Tot slot een schrale troost en de samenvatting van waarom ik zo gek was op die man.

Foto Hanneke Groenteman |