Een schok gaat door me heen als ik zie wie de afzender van het commentaar op mijn blog ‘Geen generale’ is. Mijn ex echtgenoot? WTF?
Als je een openbaar weblog hebt probeer je rekening te houden met van alles en nog wat. Eerlijk is eerlijk,ik google ook weleens op bepaalde namen. Maar dit had ik nooit verwacht. Ik had het niet aan zien komen en toch past het perfect in het plaatje dat ik voor mezelf kan schetsen op dit moment.
Ik ben erg bezig met het verleden en opeens komen er via de mailbox berichten van diverse mensen uit het verleden. Een paar heel positieve maar vandaag dus ook een negatieve. Want ik kan met de beste wil van de wereld niet positief terugkijken op mijn huwelijk met deze ‘ex- echtgenoot’, laat staan op zijn reacties op mijn blog ‘Geen generale’.
Wat zal ik hier nu eens mee? Dat was de eerste vraag die door mijn kop schoot. En het feit dat hij eindigt met het zeggen dat "Kijk jezelf diep in de ogen, stop met wijzen naar anderen en neem je verantwoordelijkeid. Alleen dan zul je die rugzak af kunnen leggen." (inderdaad, nu wijs ik weer) het lef heeft om te zeggen dat ik mijn rugzak pas zal kunnen afleggen als ik dáár mee stop geeft mij de moed om dan ook meteen maar mijn héle verhaal bloot te geven.
Inclusief míjn overwegingen en standpunten, mijn ervaringen, en dan wat minder abstract. Want ik heb er nogal eens moeite mee om aan te geven dat ik, met al dat ‘wijzen naar een ander’, eigenlijk gewoon voor mezelf probeer op te komen. Daarbij zijn er mensen die vrijwel niets van mijn waarheid weten, omdat ze hun eigen waarheid boven die van mij verkiezen.
Ik vind het een gemiste kans om nu pas kenbaar te maken dat je meeleest, Thijs.
Ik vind het een gemiste kans om nu pas met dit soort argumenten te komen. Ik kan me andere blogjes herinneren waarin ik ook best je ‘welgemeende’ opmerkingen had willen lezen.
Ik vind het een gemiste kans dat je me niet gewoon een mail gestuurd hebt om je gal te spuwen.
Dus ik ga me verlagen. Of misschien wel verlossen, ik weet het niet.
Ik ga vertellen hoe het was om wakker te worden in mijn ouderlijk huis waarin je moeder in een ziekenhuisbed in de kamer ligt. Je bent daar omdat je 13 weken zwanger bent en omdat dat helemaal niet lekker loopt, zit je in de ziektewet. Er zit 200 km tussen je echtelijke woning en die van je moeder. Echtgenoot is niet aanwezig, die zit aan de andere kant van het land gewoon zijn werk te doen. Je merkt het bloed in je onderbroek. Je maakt je moeder wakker en zegt nog suf en slaperig dat je vloeit. Zij zegt ook suf en slaperig dat het niet goed is en belt haar huisarts. Omdat de huisarts nog wat goed te maken heeft regelt hij onmiddellijk een echo voor je in het ziekenhuis waar je moeder diezelfde dag een bloedtransfusie ondergaat. Dus blij met deze vroege echo loop je naar de afdeling gynaecologie. Een wat oudere man schudt je hand en is ondertussen bezig met de verwijsbrief en de echo. Je ligt daar, letterlijk moederziel alleen en krijgt een klodder ijskoude gelei op je buik.
Dan zie je zijn gezicht voorzichtig heen en weer schudden, van links naar rechts en weer terug, om precies te zijn. ‘Nee’, zegt hij voorzichtig, met zijn ogen nog op het scherm gericht, ‘nee, dat is niet goed, het hartje klopt niet…’ Ik kijk hem vol ongeloof aan. Hoe ga ik dit aanpakken?
Ik ga vertellen hoe het was om in op dat bed in dat ziekenhuis te liggen met een zwangerschap van 13 weken, een afspraak makend voor de volgende dag voor een missed abortion omdat je lijf niet in staat is het dode ding af te voeren, met je moeder op de afdeling oncologie die daar een bloedtransfusie onderging zodat ze mijn hand niet kon vasthouden terwijl ik te horen kreeg dat de baby in mijn buik al weken geleden afgestorven was. Dat ik daarna op een kille gang in dat ziekenhuis belde met de niet-vader van dat kind om te zeggen dat het allemaal niet doorging, dat het hartje niet klopte. Hoe dat was?
Dat ik daarna naar mijn moeders kamer liep. Met lood in mijn schoenen alsof ik een duikerspak droeg, om haar te vertellen dat ik haar geen oma kon laten worden.
Ik ga vertellen dat mijn ex het lef had om mij ongeveer een jaar na dato te bellen (“want ik wil niet dat je het van iemand anders hoort”) en te vertellen dat ‘zij’ zwanger waren en dat ze ‘het hartje al gehoord hadden’. Of zal ik toch maar liever zwijgen?
Ik ga vertellen hoe het was om mijn moeder te zien sterven en me steeds maar af te vragen waarom ‘zij’ steeds van de partij was. Mijn moeder kon me ook niet uitleggen waarom ze zo vaak langs kwam, maar wist me nog wel te vertellen dat ‘zij’ een fascinatie voor de dood had. Mijn hoofd was op dat moment echt te vol om hier verder aandacht aan te besteden. Had ik het maar gedaan, dan had ik de tekenen aan de wand misschien toch wat duidelijker kunnen zien.
Na het overlijden van mijn moeder breekt een chaotische periode aan waarin ik nog steeds in de ziektewet zit, zodat ik vrij kan gaan en staan in het ouderlijk huis. Mijn broer probeert nog om in het huis te gaan wonen maar dat mislukt en per 1 september moet het pand leeg. Het is een zwoele hete zomer. Na de afgrijselijke maand april probeer ik de draad weer op te pakken maar merk daarbij weinig medewerking van mijn ex. Hij gedraagt zich anders dan anders. Vijandig, iets dat totaal niet bij zijn karakter past. Hij ontwijkt mijn vragen, doet ze af als onzin en ontvlucht situaties door mij zogenaamd gerust te stellen.
Ik vraag hem herhaaldelijk wat er aan de hand is. Niets, verzekert hij me. Toch kan ik mijn intuïtie niet in de steek laten, al kan ik er mijn vinger nog lang niet opleggen. Hij moet weg, zegt hij. En ik mag niet mee. Hij moet nadenken over van alles en nog wat. Nee ik mag niet weten waar hij is, want dat is beter. Voor mij of voor hem, dat ben ik even kwijt. Ik bel tijdens zijn afwezigheid met zijn moeder en die weet me te vertellen dat hij ergens aan de kust aan het kamperen is. Nee, ik geloof niet dat hij alleen is, zegt ze in al haar naïviteit.
En dan valt het kwartje. Nee. Hij is niet alleen. Hij ligt daar in onze tent met een andere mevrouw. Die in mijn slaapzak ligt, in mijn tent, op mijn matrasje. Nee hoor. Dat is geen bedrog. Wat het wel is? Wie het weet mag het zeggen.
Ik vraag dan gespecificeerde rekeningen op bij de KPN en zie hoe vaak en hoeveel telefooncontact er is geweest, al een half jaar lang, buiten mijn medeweten. Ik heb dat keiharde bewijs nodig om ook mijzelf ervan te overtuigen dat ik het bij het rechte eind heb.
Nee hoor, het is geen bedrog. Wat het wel is? Wie het weet mag het zeggen.
Onze relatie was kapot, schrijft hij. Ik stond erbij en ik keek ernaar, schrijft hij.
Ik stond erbij ja, dat klopt, maar wist niet dat het kapot was. Ik was in de rotsvaste veronderstelling dat een huwelijk van koud een jaar oud bestand zou zijn tegen deze hindernissen en dat we, wanneer alles weer een beetje rustiger zou zijn geworden, de draad weer zouden kunnen oppakken. Ik was me terdege bewust van mijn slechte staat. Ik was alleen niet meer in staat om daar op dat moment ook maar iets constructiefs mee te doen omdat ik in een staat van overleven stond. En op het moment waarop ik dacht te kunnen terugvallen op de persoon met wie ik het jaar daarvoor in het huwelijksbootje gestapt was, trok hij de deur voor me dicht en gaf me nog een trap na door te melden dat hij al bij het graf van mijn moeder was geweest om vergeving te vragen voor datgene wat hij haar dochter zou gaan aandoen. Bedrog?
Het is zo warm in die zomer van 1997 en ik word heel vroeg in de ochtend wakker in mijn ouderlijk huis. Merk dat mijn echtgenoot niet naast me ligt en ga naar het toilet. Ik hoor stemmen buiten. Dan begin ik me enigszins te realiseren dat mijn echtgenoot zich uitstekend vermaakt met diepe conversaties met ‘haar’ in de veranda van mijn moeder. Ik ga vertwijfeld terug naar bed en als ik uren later weer in de keuken kom tref ik haar daar. Zij heeft net haar schoonvader verloren. Als ik bezorgd vraag hoe het met haar gaat begint ze te huilen. Ik vraag haar wat er is, maar ze antwoordt niet, komt niet uit haar woorden. Ik neem maar aan dat ze verdriet heeft over haar zojuist overleden schoonvader. Maar achteraf weet ik natuurlijk dat ze moest huilen omdat ze wist dat zij er met mijn man vandoor zou gaan, met zijn medeweten maar zonder het mijne.
Nee hoor. Dat is geen bedrog. Wat het wel is? Je raadt het al: wie het weet mag het zeggen.
Twist met mij alsjeblieft niet over bedrog. En wil je dat liever toch, doe het dan met een open vizier. Dan kan ik namelijk nog bepalen of ik er respect voor op kan brengen.
|