Mijn auto nadert het enige kruispunt met stoplichten in dit dorp. De stoplichten werken niet. Al zolang ik hier woon knipperen ze oranje. Dit is een traag dorp. Hier kun je alle kanten op.
Schuin aan de overkant staat een bejaard echtpaar te wachten tot ze groen licht krijgen om over te steken. De voetgangerslichten werken wel; dit is een traag dorp.
Hij staat rechtop en volgt het verkeer. Zij zit in een rolstoel zoals een zwaar vermoeide kleuter van 4 zou hangen in een buggy. Helemaal onderuit gezakt en duidelijk afwezig. Of ze slaapt kan ik niet zien.
Dat hoef ik ook niet te zien want ik weet hoe ze er aan toe is. Ze is zwaar dement. Met de nadruk op zwaar. Ze is zo ontzettend dement dat het een wonder is dat ze nog leeft.
Vorig jaar sprak ik de man in het park. Daar liep hij zijn dagelijkse ronde met zijn demente vrouw in de rolstoelachtige buggy. Of buggy-achtige rolstoel. Het verpleeghuis grenst aan het park. Daar tussenin zit de begraafplaats. Zoals ik al zei; dit is een traag dorp.
Ik sprak hem aan. Hoe kon ik anders. Hij kwam naast me zitten op het bankje. Ik keek naar mijn stiefdochter van 7. Ze voerde de eendjes. Hij keek niet naar zijn demente vrouw. Maar vertelde mij des te meer over haar.
Met smart. Met liefde. Met wanhoop. Met hoop. Met respect. Zij murmelde. Was overduidelijk niet in deze wereld. Zij knarsetande. Een geluid dat ik pertinent verafschuw. Maar de manier waarop hij tegen haar sprak ' rustig maar meisje' en haar kin droog veegde met een doekje. De manier waarop hij, vastbesloten en met zoveel liefde, liet zien dat hij er dag en nacht was. No matter what.
Zou ze het weten?
Nu, toch echt wel een jaar later, leeft ze dus nog steeds, denk ik, terwijl mijn auto passeert.
Mijn god.... laat me nooit zó oud worden.... |