Het is al half twee geweest en de nacht is bloedverziekend heet.
Ik verafschuw dat woord eigenlijk; bloedverziekend, maar bij bepaalde temperaturen denk ik nu toch wel dat de term juist is. De hitte verziekt mijn bloed waardoor ik niet meer weet waar ik het zoeken moet.
Het feit dat ik morgen om 10.00 uur fit en paraat moet zitten voor mijn wekelijkse kaasproefsessie maakt me niet relaxter want ik weet dat ik niet gedij onder een tekort aan slaap. Maar als ik niet kan slapen omdat het te warm is. moet ik maar even tikken. Als ik denk aan een zogenaamde 'warmteintolerantie' die bij schildklierpatiënten hoort moet ik maar even tikken. Als ik denk aan representatief voor de dag komen dan krijg ik het momenteel alleen nog maar benauwder.
Ik zit in het enige verlichte kamertje van het huis in het enige verlichte huis in de straat. Daar komen insecten op af. Ik ben niet zo gek op insecten, misschien had iemand me vroeger naar Jan Wolkers moeten sturen of me 'Eric of het klein insectenboek' moeten voorlezen. Ik weet niet waar die aversie, die angst zo je wilt, vandaan komt. Ik kan echt panisch worden van fladderende motjes die zeer beslist mijn richting opfladderen. Kevers die me opeens doen beseffen dat ze echt kunnen vliegen. Of libelles die met hun enge drakenkoppies opeens binnen mijn gezichtsveld bewegen. Sprinkhanen op springafstand van mijn tenen. Blote tenen natuurlijk, het is immers warm..
Zo herinner ik me nog goed de 'vakantie der enge vakanties.' Ik was een jaar of 16 en behoorlijk labiel. Oud genoeg om alleen met vakantie te gaan, maar dan wel naar een plek waar je iedereen al kent. Alleen in een tentje. Op het trekkersveldje. In je slaapzakje. Je snikken smorend in het kussen omdat het overal kriebelde, ritselde, jeukte en fladderde. Niet durven kijken, niemand weten om je te helpen. Daarmee vergeleken, en denkend aan de wijsheid 'de mens lijdt het meest onder het lijden dat hij vreest' is deze nacht een peuleschil. |