Ik moest een tijdje geleden voor Nederlands een kort verhaal schrijven... Ik was meteen enthousiast!! Nog geen week later kreeg ik het terug, met een dikke, vette 10+ eronder!! Woehoe!! Dus... Hier het verhaal:
Daantje
Ze kijkt schichtig om haar heen. Met grote happen vreet ze het gestolen stuk vlees op. Leunend tegen de muur achter haar en kokhalzend voor over gebogen, probeert ze nog een paar happen naar binnen te werken.
Maar wat als ze gezien wordt? Wat als ze gepakt wordt?
Tranen springen in haar ogen als ze bijna stikt in het rauwe vlees. Hoestend valt ze op haar knieën, en laat het stuk vlees vallen in het vieze zand.
Stik! Denkt ze.
Ze pakt het stuk vlees op en blijft dooreten, ondanks het zand.
Dan slaat er aan het eind van de steeg een deur open.
“Verdomme! Jij godvergeten mormel! Als ik je in mijn handen krijg!” schreeuwt de slager naar haar.
Ze kijkt verschrikt op. Struikelend over haar eigen voeten maakt ze dat ze weg komt.
Het rauwe vlees blijft achter in het steegje voor de ratten.
De slager rent achter haar aan, zo snel als zijn dikke benen hem kunnen dragen.
Maar zij is veel sneller dan de slager, zodat ze nog net voor de galg ontsnapt.
Zij is Daantje. Daantje van der Laan. Een meisje met donkerbruin haar, lichtgetint, heel veel sproeten, en helblauwe ogen.
Een wees van dertien jaar oud die in de straten van Amsterdam zwerft.
Elke dag voor haar is anders. Elke dag is een avontuur. Een avontuur om te kunnen overleven en te kunnen ontsnappen uit de handen van de boze winkeliers.
Daantje’s ouders zijn vermoord toen ze nog geen zeven jaar oud was.
Sindsdien leeft ze in de straten van Amsterdam.
Er rijdt een koets voorbij. Een mooie, grote koets. Met wel vier paarden ervoor gespannen!
Daantje kijkt vol bewondering naar de koets. Hoe zal het zijn om daar in te mogen rijden? Om in een groot landhuis met je eigen meid te wonen?
Maar voor haar zal dat altijd een droom blijven.
“Daantje!” roept een stem.
Het is Tom. Gewoon Tom.
Iedereen kent Tom. Hij is de zoon van de smid. Bijna achttien jaar oud. Daantje haat Tom. Niet echt haten, maar hij treitert haar altijd, en maakt flauwe grapjes.
Meer ook niet, verder helpt Tom Daantje soms aan eten en vers water. Dat waardeert ze wel aan hem.
“Wat mot je?” zegt Daantje ietwat geïrriteerd.
“Ik ga.”
Daantje kijkt hem vragend aan.
“Je gaat?” vraagt ze.
“Hmhm.”
“Waarheen?” vraagt Daantje ongeduldig.
“Naar Engeland.” zegt Tom.
“Engeland?! Wat mot je nou in Engeland?!”
“Ik ga daar trouwen. Mijn vader gaat mee. Enne… Ik wou je vaarwel komen zeggen.” vertelt hij.
“Oh, nou, oké. Eh… Vaarwel dan maar.” stottert ze ietwat ongemakkelijk.
“Daantje, ik wil ook zeggen dat je een echte vriendin van me bent. Ook al ben ik soms een klootzak. En… ik kom je zeker een keer opzoeken.” zegt Tom.
Hij geeft haar een kus op haar voorhoofd en draait zich om, naar de haven.
Het leven is niet eerlijk.
Niet eerlijk!
Daantje gaat zitten op een grote baal stro.
Haar vuile bruine broek, en haar hemd zijn gescheurd en zit onder de modder en andere vieze dingen.
Aan haar voeten zitten te grote afgetrapte laarzen.
Beter iets dan niets, denkt ze.
Een koopman schreeuwt dat er een kip is gejat, en een andere koopman prijst zijn oh zo geweldige paarden aan.
De markt is een bezigheid voor vele arme mensen. Zoals Daantje.
Ook al had je geen geld, je kon er veel dingen ‘krijgen’. Eieren, kippen, brood, fruit.
Fruit…
Aah!!!
Sinds gisteravond heeft Daantje niets meer gegeten. Het water loopt bij haar in haar mond bij het zien van al dat heerlijks…
Maar ze moet zich vermannen! Ze moet nu opletten met eten jatten, ze kan zich geen tweede keer veroorloven dat iemand haar snapt.
Op het dorpsplein loopt een rijke man met een beeldschone vrouw aan zijn arm.
Ze lachen en praten over de alledaagse dingen.
De vrouw wijst naar de paarden, en kijkt vol bewondering naar de beesten. Ze loopt er naar toe en aait een paard.
Daantje staat ook bij de paarden, maar heeft de rijke man en zijn vrouw niet in de gaten.
Ze botst tegen de vrouw aan, waardoor de vrouw achterover valt, in de waterbak van de paarden.
Ze krijst en ze gilt. De rijke man zwaait vervaarlijk met zijn wandelstok naar Daantje. Hij schreeuwt naar de koopman van de paarden dat hij eens moest opletten voor al dat schorem dat hier rondloopt.
Daantje probeert met een serieus gezicht de vrouw te helpen, maar die slaat haar hand weg.
Met een lachbui rent Daantje weg van de boze rijke man, en de doorweekte vrouw.
Maar verderop staan twee mannen in uniform die alles in de gaten hielden.
Ze krijgt een klap met een stok tegen haar achterhoofd, en de twee mannen proberen haar te grijpen. Daantje is te snel voor de twee mannen, zoals altijd, vlucht een steegje in, en klimt over een hek.
Hijgend laat ze zich op de grond vallen, en houd haar handen tegen haar hoofd.
Een bonkende pijn gaat door haar hoofd, terwijl Daantje haar ogen dicht doet, en alles probeert te vergeten.
Waarom woont zij niet in een warm land? Waarom moet zij haar eten jatten? Waarom moet zij al in de middag een slaapplaats zoeken?!
Het leven is niet eerlijk! denkt Daantje, maar valt dan in een diepe slaap.
Ze wil wakker worden, maar het lukt niet. Een witlicht ziet ze, een fel licht.
Hij komt haar halen. Het is tijd, zegt Hij.
(20 oktober ‘05) |