Een van de belangrijkste dingen die ik binnen "mijn familie" bediscussieerde was het vinden cq hebben van een baan. In hun geval is de situatie buitengewoon slecht. De zoon had ik 2 jaar geleden aan een baan geholpen in een drukkerij (gelieerd aan de dr. Reijntjes Dovenschool). Door oogproblemen is hij daar weggegaan.
De vrijgezelle dochter had een baan in de textielindustrie, maar is na de Tsunami niet teruggekeerd (het waarom was een vaag verhaal). De man die is getrouwd met de dochter Inoka is visser in loondienst, doch vaart maar een paar dagen per maand uit en heeft voor de rest van de maand geen inkomsten. Alleen de families van de andere uitwonende dochters hebben een redelijk vast inkomen.
Het is allesbehalve gemakkelijk dit onderwerp op de "agenda" te krijgen. De mensen hebben heel sterk het idee: er is geen werk, dit is een slechte regering en wij zijn heel zielig en arm. Ik geef dan ook regelmatig aan dat ze veel actiever moeten zijn op dit gebied. Dit gebeurt dus niet. Ik wil echter met alle plezier hen de helpende had reiken, maar uiteindelijk moeten ze het zelf doen.
De volgende praktijksituaties illustreren mijn steeds meer toegenomen irritaties (en later frustraties):
* De zoon van de familie (Samera 22 jaar) kwam via vrienden in contact met een manager van een pas gestart beveiligingsbedrijf en hij bood hem een baan aan. Ik hartstikke blij. Hij moest echter nog wel een training volgen van 3 dagen. Ook moest hij zijn geboortebewijs en diploma's de volgende dag overleggen. Echter door de Tsunami was alles vernietigd. Ik vroeg hem of hij wist waar hij de kopieen van deze documenten kon verkrijgen. Dit wist hij niet. Ik gaf aan: "informeer op school en gemeentehuis". Op school bleken de kopieen van de diploma's verloren te zijn gegaan, maar het geboortebewijs kon hij wel achterhalen. Ik stelde hem voor samen naar de betreffende manager te gaan om over zijn diploma's te praten, want ik vond het niet fair dat hij hierdoor de baan niet zou krijgen. Later heb ik dit nogmaals aan zijn zuster kenbaar gemaakt, maar hij is er nooit meer op teruggekomen.
In een later stadium heb ik via het gezamenlijke NGO kantoor vernomen waar een kopie van de diploma's is te verkrijgen.
* De vrijgezelle dochter (Chaturi 25 jaar) heb ik regelmatig gestimuleerd op zoek te gaan naar een baan. Dit had echter weinig effect.
Een aantal keren had ik in een fotozaak digitale foto's op CD rom laten zetten en heb toen wat gesprekken met de eigenaar gevoerd over mijn project. Hij is een zeer sympathieke en humorvolle man en sprak ook nog goed Engels. Hij had vele krachten in dienst voor administratieve- en baliewerkzaamheden en ik vroeg hem of hij misschien voor haar een baan had. Hij zei tegen mij dat zij maar naar hem toe moest komen. Toen ik haar dit 's avonds vertelde was ze totaal niet geinteresseerd. Ik voelde de frustraties bij mij opwellen en kreeg mijn motivatie de eerste behoorlijke tik.
Ik probeerde mensen te motiveren en te pushen, maar dit had geen resultaat.
Naar verloop van tijd kwam het onderwerp het bouwen van een huis steeds nadrukkelijker aan de orde. Toen merkte ik pas echt dat met hen (en zeer vele Sri Lankanen) communiceren in het Engels een zeer moeizaam verhaal is. Zij communiceren met een zeer zwaar accent met veel woorden, waarbij ik zelf vaak moest gissen naar de context. Vaak vroeg ik wel 4 keer wat zij bedoelden en er waren legio misverstanden. Ook begrepen zij mij vaak niet. Over "koetjes en kalfjes" communiceren is heel wat gemakkelijker.
Een mooi voorbeeld is de discussie over het hebben van een winkel. Ik maakte hen duidelijk dat het hebben van inkomen (i.c winkel) zeker net zo belangrijk is, dan het hebben van een huis. Ik vroeg of het is toegestaan van de houten leefcabine, later als zij een huis hebben, hiervan een winkel te maken. Volgens hen was dit mogelijk. Later heb ik dit nogmaals naar voren gebracht en kreeg wederom een positieve reactie. Ik blij (een probleem minder). Toen ik een paar dagen later bij hen kwam, bleek er een bijeenkomst te zijn met de eigenaar van de houten cabines. Ik vroeg dit naar voren te brengen tijdens deze bijeenkomst. Het bleek niet te zijn toegestaan.
Een ander punt van irritatie bij mij was de gezinssamenstelling voor de nieuwe woning. In eerste instantie zouden vader, moeder, Samera, Chaturi en Inoka met man en drie kinderen in het huis gaan wonen. De volgende dag hoorde ik plotseling (dit was al veel langer bekend) dat Inoka met man en drie kinderen een huis aangeboden had gekregen van de hulporganisatie Salvation Army. Als inwonend gezinslid had zij hier echter geen recht op (alleen gezinshoofden met eigen woning). Iin het opvangkamp was zij als hoogzwangere vrouw in contact gekomen met Salvation Army en kreeg de toezegging dat zij en haar familie een huis zou krijgen. Dit kwam mij wel goed uit. In plaats van 9 personen had ik voor slechts 4 personen een huis nodig. In een eerder stadium had de andere dochter Ireka aangegeven dat haar man op de oude fundering een huis zou laten bouwen. Een paar dagen later kwam dit onderwerp weer ter sprak en bleek de situatie weer heel anders was en dat Ireka wel bij de andere gezinsleden zou intrekken.
Dat van haar huis had ik volgens hen verkeerd begrepen. Gek werd ik ervan. De ene dag groen, de andere dag rood en de volgende dag was het weer geel.
Woensdag 9 november '05 15.00 uur had ik een afspraak met de medewerker van Salvation Army, die verantwoordelijk is voor de Tsunami slachtoffers van de regio Akurala. Salvation Army is een een Engelse Christelijke hulporganisatie die tal van huizenprojecten heeft gerealiseerd. Ik heb zelf wat huizen van deze organisatie van binnen en buiten gezien. Dit zag er prima uit. Dit is natuurlijk niet te vergeleken met de huizen die in Nederland worden gebouwd.
Deze organisatie bouwt alleen huizen op grond wat beschikbaar wordt gesteld door derden, dan wel in bezit is van families. Van mister Benjamin kreeg ik informatie op welke wijze Tsunami slachtoffers worden gecompenseerd voor het verlies van huis en grond. Het blijkt dat alleen gezinshoofden door de regering worden gecompenseerd onder de voorwaarde dat zij nog geen huis hebben gekregen van een hulporganisatie.
Salvation Army coordineert deze gang van zaken en brengt verslag uit aan de overheid.
Gezinshoofden waarvoor geen huis wordt gebouwd, komen in aamerking voor een geldelijke compensatie van plm 1.600 euro (200.000 rup). Huizen mogen niet worden gebouwd binnen een straal van 100 meter van de kust m.u.v. hotels (alleen herbouw). Vanwege hun gunstige toeristische ligging krijgen zij een uitzonderingspositie. Ook heeft Salvation Army fondsen beschikbaar voor het volgen van cursussen, trainingen etc en geeft het subsidies voor bijvoorbeeld het starten van een winkel. Ik kom hier verderop nog op terug.
Ik vertelde mister Benjamin over mijn plan met "mijn familie" en hij gaf direct aan als ik een stuk grond had Salvation Army bereid was een huis te bouwen. Ik was zeer blij verrast (het voorgaande wist ik toen nog niet) en opgelucht gezien mijn budgettaire beperkingen. Dit betekende dat ik alleen maar een stuk grond hoefde te kopen (dit had ik reeds op het oog) en zou daardoor meer geld kunnen besteden aan de inrichting van het huis en zorgen voor een deugdelijke electriteitsaansluiting (dit doet Salvation Army niet).
Aan het einde van de middag ging ik met een zeer goed gevoel richting "mijn familie" om hun de blijde boodschap te verkondigingen.
Wat schetste mijn verbazing: ze wilden geen huis van Salvation Army, want deze organisatie is gelieerd aan de regering. Ze wilden alleen een bestaand huis dat ik voor hen zou kopen. Ze zouden nog wel een huis van Salvation Army willen hebben, maar dan op naam van een ander familielid. Ik was verbijsterd, teleurgesteld, zeer boos en daardoor zeer geemotioneerd. Wat ze wilden was een extra huis alsmede compensatie van de overheid door te rotzooien met eigendomsrechten. Regelrechte fraude.
Ik zei dat ik hieraan niet wenste mee te werken. Ik ben per slot van rekening gast in een zeer arm land als Sri Lanka. Door hiermee in te stemmen zou ik hun bevoordelen ten koste van andere families die mogelijk in nog beroerdere situaties verkeren.
Ik probeerde hierover met hen in discussie te geraken, maar dit lukte niet. Ik zag het verkeerd en dit kon wel etc etc etc etc. Geen doorkomen aan.
Ik verliet in opperste verwarring en kwaad hun woning en besloot vroeg naar bed te gaan. Van slapen kwam niet veel (de negatieve gedachten tolden door mijn hoofd). Met name het feit dat ik heel veel moeite had gedaan sponsorgelden te vergaren en op deze manier het project om zeep zou worden geholpen, raakte mij zeer.
De volgende ochtend vertelde ik de hele situatie aan de hoteleigenaar en zijn vrouw met de mededeling dat ik had besloten had met mijn project te stoppen en geen contact meer met mijn familie wilde. Zijn vrouw zei tegen mij er nog eens even goed over na te denken (verstandelijk) aangezien het misschien een te rigoreuze stap is helemaal niets meer te doen na een vriendschappelijke band van 4 jaar.
's Middags had ik een afspraak met een andere NGO (gelukkig Nederlands) nl. Remi Lobbe Zoo (dit is zijn echte naam). Hij is een Nederlander die zich een aantal jaren ge-
leden heeft gevestigd en na de Tsunami een stichting heeft opgericht om slachtoffers te helpen. Hij kon mooi als klankbord dienen voor mijn situatie. Hij vertelde mij dat hij veel families heeft gehopen en dat misbruik schering en inslag was. Hij gaf mij als advies zeer voorzichtig met "mijn familie" te zijn. Samen zijn we toen naar een stuk grond gegaan wat ik toen nog op het oog had voor "mijn familie". Hij heeft gekeken naar de prijstechnische kant van het stuk grond. Het bleek dat ik dat goed had ingeschat (ik had inmiddels wat ervaring opgedaan).
's Avonds toen ik alles nog eens de revue liet passeren en mijn verstand de overhand gaf, vond ik dat de vrouw van de hoteleigenaar wel gelijk had. Inmiddels had ik al besloten een deel van mijn geld uit te geven voor de bouw van het huis van de kunstenaar (zie volgende artikel), doch ik had nog plm. 1.200 euro over. Ik besloot "mijn familie" nog in beperkte mate een tweede kans te geven.
Met name de familie van Inoka (met 3 kinderen), waarvan ik in eerste instantie dacht dat deze buiten het complot zou vallen, wilde ik nog wel steunen. Hierbij dacht ik aan financiele ondersteuning voor onderwijs van haar kinderen. De oudste is leerplichtig en de dochter m.i.v. januari 2006. Ook wilde ik nog wel iets doen voor de werklozen in de familie in de vorm van cursussen/trainingen eventueel in samenspraak met de Salvation Army. Nadat ik wat berekeningen had gemaakt zou ik nog een bedrag van 800 euro overhouden. Ik wilde de familie nog 1 kans geven door voor dit bedrag een stuk grond te kopen van plm. 150 m2 waarop Salvation Army, indien zij hiermee akkoord zou gaan, een huis op zou bouwen.
Afgelopen donderdag 23 november '05 had ik wederom een afspraak met mister Benjamin en besprak met hem mijn plan. Samen zijn wij toen naar "mijn familie" gegaan.
Alleen Inoka was thuis. Het gesprek kon ik niet volgen vanwege het feit dat dit in het Singalees werd gevoerd, maar aan de toonvoering zag ik wel de heftigheid van de discussie. Toen ik met hem terug liep naar het guesthouse vroeg ik hem wat hij precies had besproken. In het kort kwam het hierop neer dat het een familie van lieg en bedrieg is. Hierop zij ik tegen hem dat ik mijn financiele steun en contact met onmiddelijke ingang " met mijn nu "ex familie" verbreek en dat ik later met hem afspraken ga maken hoe ik het restant (1.200 euro) van mijn beschikbare geld ga besteden.
Uit dit verhaal blijkt dat Salvation Army een cruciale rol voor het welslagen van mijn project heeft gespeeld. Ik merk nu heel duidelijk dat de kwetsbaarheid om zo iets als privepersoon te doen bijzonder groot is. Het is beter dit over te laten aan grotere organisaties die veel beter op de hoogte zijn van de situatie in het land en op rationele basis hier veel beter mee op kunnen gaan. Mijn emotionele betrokkenheid heeft mij natuurlijk sterk beinvloed. Maar beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.
Dit vind ik een mooie kreet om dit lange onderwerp af te sluiten.
Het volgende artikel zal gaan over Mister Pereira, de kunstenaar.