Eigenlijk had ik gisteren al in Egypte willen zitten, maar de vlucht was vol. En twee dagen in Geneve blijven is wel overkomenlijk. De goedkoopste plek die ik kon vinden is de Jeugherberg. Ook niet meer wat het geweest is – sliep je vroeger in overvolle kamers met zweetlucht, op een doorgezakt bed met gebruikte lakens en bracht je de avonden door in de self service keuken of in de televisiekelder, nu zit ik op een 1-persoonskamer met TV en vanmorgen is zelfs de roomservice langsgeweest. Op dat moment zat ik onder het gehoor van een Franse Anglikaanse predikant in de St. Petrus kathedraal hier. Van de preek begreep ik niet veel en van de rest van de dienst nog minder. Nou ja, ben dan toch maar mooi op Palmzondag naar de kerk geweest. De takken onbraken wel.
In Geneve is de hemel de grens van de rijkdom. Alles is mooi, duur, rijk, schoon, georganiseerd. Succesvolle metropolieten joggen over de boulevard, waar ook de nouveau riche flaneert met de laatste Harry Winston’s c.s. Perfecte bewegwijzering, alles foutloos meertalig, keurige stadsplanning; alleen de fontein in het meer staat scheef. Omdat ik vijf minuten te laat in de kerk was, mocht ik er eigenlijk niet meer in (maar werd uiteindelijk gedoogd op de achterste bank.)
Egyptenaren lijken net Filipijnen of Japanners. In de verste uithoeken kom je ze tegen. De tabakswinkel tegenover de jeugdherberg is eigendom van een Egyptenaar. Hij keek wat raar op toen ik in het Arabisch m’n bestelling deed en gokte erop dat ik Libanees was. Verder ook veel andere Egyptenaren en Arabieren tegengekomen. Het moet onmogelijk zijn voor hen om ooit weer te wennen aan de chaos in Egypte. Maar ja… morgen zit ik zelf in die positie.
Morgenochtend ga ik weg en ga nu nog maar een laatste wandeling door de stad maken om genieten en verbazen van het toppunt van het Westen. Even maar… niet te lang; morgen mag ik weer wennen aan de derdewereldjungle.