Weblog maken?


MaakEenWebsite.nl (tip)
Totaal slechts 10 euro per maand incl. domeinnaam en gratis overzetten van uw bestaande weblog bij Bloggers.nl 100 MB ruimte
emailadres
Lees meer..... en bestel
Gratis geld verdienen met e-mails lezen? Meld je aan bij
Zinngeld, Surfrace, Qassa en Euroclix !

Op zoek naar God?

Gratis Boek Schijndood

Hier kan je gratis een sinister boek lezen dat vergelijkingen kent met het Groningen HIV schandaal.

[ Home ] [ Profile ] [ Archives ] [ Friends ]

Roger Federer

Federer heeft voor de vijfde keer Wimbledon gewonnen. Hij had twee keer een breakpoint tegen op zijn servicegame in de vijfde set. Hij is door het oog van de naald gekropen. Nadal is nog nooit zo dichtbij geweest.

[ 16:34 ] [ 10/7/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Pandora

Ik krijg leuke reacties van scholieren die van mij voorlichting hebben gekregen over mijjn tijd in de psychiatrische inrichting en ten aanzien van mijn probleem leven de jaren van mijn twintigste tot en met mijn dertigste. Dank hiervoor.   

[ 11:24 ] [ 4/7/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

PvdA

PvdA duikt onder de vleugels van de coalitie vandaan door een referendum te steunen voor een nieuw europees verdrag. Ik twijfel er niet aan dat het goed komt. Ik ga nu wel ja stemmen.

[ 17:07 ] [ 26/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Het 433 systeem gaat op de schop, worden we toch nog een keer wereldkampioen.  

[ 00:20 ] [ 22/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Jammer dat Real Madrid kampioen geworden is. Ik had het toch Barcelona meer gegund. Ik zag op televisie dat Tom Cruise op de tribune zat, 'de freak van Hollywood' en dat wil wat zeggen als je bedenkt dat Hollywood ermee bezaaid is. 

[ 15:49 ] [ 18/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Nova College

Vandaag te gast geweest bij het Nova College, was gezellig. Ik schrijf zo nu en dan eens dingen die ik heb meegemaakt heb of die me opgevallen zijn in het nieuws. Omdat een blog verwijderd wordt als je langer dan vijf dagen niks erin geschreven hebt. Voor mij is belangrijk het gratis Boek.

[ 17:10 ] [ 14/6/2007 ] [ 1 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Rob de Nijs

Rob heeft fotos gemaakt van de smerige bende die je aantreft in het huis van zijn ex-vrouw Belinda. Hulde aan Rob. Hij heeft dit gedaan om de rechter te informeren dat zijn autistische zoon in een smerige bende wordt opgevoed. Lijkt me een uitstekend motief om er fotos van te maken en door te spelen aan de pers.

[ 12:32 ] [ 13/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Schijndood Vijf Deel I Hoofdstuk 1

 

Schijndood vijf

Joris van Huystee

 

Boek I

 

Hoofdstuk1

 

 

November 1999. Het verhaal begint in het appartement van Alex. Hij is één van de hoofdrolspelers.

Alex was éénendertig jaar oud en woonde op een tweede verdieping op de middenweg in Amsterdam. De huizen in zijn buurt leken op elkaar. Het straatbeeld was altijd hetzelfde, weinig mensen. En iedereen met gelaten houding. Het gaf hem een neerslachtig en definiërend gevoel. Alleen ’s avonds voelde hij het niet zo. Hij keek niet meer hoopvol naar de toekomst omdat hij visioenen kende van de keerzijde. Het idee dat hij op zijn vijftigste zou kunnen zijn zoals zijn buurtgenoten waren, had hij gelukkig kunnen verdringen. Hij wist hoe zijn leven was. Het ging hem niet meer om gelijk krijgen, maar om geen ongelijk te hoeven bekennen. Als hij nooit ongelijk had, had de ander nooit gelijk. Dan hoefde hij niet na te denken over hoe oud te worden noch dat hij zichzelf hoefde te vergelijken met burgers van gerede leeftijd, en erbij kon bedenken dat ze misschien verder waren toen ze zo oud waren als hij nu. Geen toekomstbeeld hebben betekende niet depressief kunnen worden. 

            In de woning liep hij heen en weer voor de ramen. Om de haverklap keek hij naar buiten. Nu bezag hij de twee meisjes die in zijn appartement op een bank zaten en naar hem keken alsof hij verplicht was iets te gaan zeggen. Hier dacht hij over na en besloot nog een keer voorbij de ramen te lopen.

            Door zijn magere figuur en belerende gezichtsuitdrukking kon hij makkelijk mensen irriteren. Iedereen die hem kende, had verwacht dat hij door zijn manier van denken en doen wel eens tegen een paar vuistslagen was aangelopen. Als hij op straat liep en zag dat iemand in elkaar werd geslagen, werkte het op zijn lachspieren. Als hij begon te praten, begon hij met het woord cherie of cher.

            ‘ Cherie, is het echt nodig om mij met de ogen te volgen?’ vroeg hij.

Het maakte hem niet uit welke van de twee zou antwoorden. Ze keken nieuwsgierig en glimlachten onzeker, twijfelend of hij het serieus bedoelde. Dat was de denkfout die je neigde te maken. Je ging er niet vanuit dat hij dergelijke opmerkingen serieus bedoelde zodat je ontvankelijkheid voor hem bleef houden terwijl je een gesprek met hem had. Een ontvankelijkheid waar men een vieze nasmaak aan kon overhouden.

Meredith keek naar hem en glimlachte. Ze bekeek de wereld door een bril met roze gekleurde glazen. Daardoor leek haar gezicht witter dan het was. Op haar gezicht zag je dat ze het verkeerde gevoel had verhard. En zelfs als je haar langer kende, en eigenlijk wist dat je zo niet over haar mocht oordelen, deed je dat toch elke keer. Het leek net of ze slachtofferdrang had. Ze wilde iets gaan antwoorden toen ze merkte dat Cateleine iets naar voren schoof. 

            ‘Waar moeten we dan naar kijken?’ vroeg Cateleine op samenzwerende toon.

Ze keek met glinsterende ogen naar Alex. 

            Meredith vroeg: ‘Is dit jouw werk?’

            ‘Hoe bedoel je?’ vroeg Alex.

            ‘Dat verven en zo.’

            ‘Oh, dat.’

            ‘Hoe kom je op paars?’ 

Catelijne kon een lichte lach niet onderdrukken. Ze pakte uit haar tas een pakje sigaretten en bood Meredith één aan.

            ‘Omdat ik dat toevallig de beste kleur vond,’ zei Alex terwijl hij naar Cateleine liep en  sigaret uit haar pakje pakte, dat ze nog in haar hand hield. ‘Cheries, mijn ouders hebben geholpen. Mijn vader heeft een paar dagen vrij genomen om de zaak op te knappen. Ik had het gewoon nodig, weet je, dat de boel eens goed werd omgezet. Mijn omgeving moest gewoon even anders zijn.’

            ‘Dat ken ik, dan is de toekomst beter begaanbaar,’ zei Meredith.

            Catelijne had de neiging haar hoofd te laten hangen, alsof het tussen haar schouders stond. Ze had moeite om een goede mening te maken over Alex, ook omdat ze hem voor het eerst zag. Meredith kende ze van kelderdiscotheek genaamd ‘The More’. Vanf een uur of vier in de ochtend raakten ze een keer in gesprek en ontdekten van elkaar dat ze allebei rondliepen met een XTC-afterfeeling. Dat schiep een band. En nu ze daarover nadacht wist ze niet meer hoe ze met Meredith in gesprek was geraakt. Wel dat ze vanaf het eerste moment goed kon opschieten met haar.

Ze hadden samen een aantal keren gebruikt. 

Ze vond het jammer dat het effect van drugs allang niet meer was als de eerste keren. Ook het terugslaggevoel dat je kreeg als het was uitgewerkt, duurde steeds langer. De laatste tijd kon ze na gebruikt te hebben, minstens twee nachten niet slapen. Meredith kende Alex een jaar of tien.

Alex leek nog na te denken over de opmerking van Meredith. ‘Cherie luister, het enige waarom mij hebben geholpen is omdat ik ze erom heb gevraagd. Meer niet. En waar blijven ze eigenlijk?’

            ‘Hoezo, waar blijven ze?’

            Alex keek alsof hij niet gewend was uit een ritme gehaald te worden. 

            ‘Hebben ze iets bij zich? Nemen ze anders iets mee?’ Vroeg Meredith.

            ‘Cheries, ik weet niet of er voor jullie iets is. Hierro heeft iets kunnen ruilen. Bij de huisarts heeft hij zich Viagra laten voorschrijven, haalt ze dan bij de apotheek, en ruilt ze bij de dealer voor een half grammetje.’

            Catelijne probeerde haar snel gerezen opgewondenheid te verbergen. Ze had nu iets nodig en kon niks zelf kopen omdat de laatste week van de maanduitkering was begonnen. Ze staarde naar de salontafel.

            ‘Cherie, nogmaals, ze nemen iets mee, maar dat is allemaal voor mij omdat Hierro mij nog iets verschuldigd is.’

            ‘Kan je niet even bellen om te vragen of ze meer meenemen?’ vroeg Meredith terwijl ze rechtop ging zitten.  

            Dat vond Alex geen slecht idee. Hij was er niet helemaal gerust op. Als Hierro ergens ging zitten met zo’n klein envelopje in een binnenzak, was het niet zeker dat hij dan nog zou langskomen, en dan was het al helemaal niet zeker of hij, bij eventuele aankomst, iets zou overhebben, dacht hij. Hij wist dat Coen en Hierro bij Hierro thuis waren, ook op de Middenweg, tweehonderd nummers verderop. In gedachten zag hij hen kwaken met wit schuim rond de mond, over niks, en niet meer denkend aan het feit dat ze ergens hadden afgesproken. Dat stond hem totaal niet aan. Hij draaide het nummer van Hierro. De telefoon ging over. Na drie keer kreeg Alex een flauw vermoeden dat er niet opgenomen zou worden. Na tien keer was het inderdaad niet gebeurd. Hij keek even naar de twee vriendinnen, die hem hoopvol aankeken. Hij glimlachte kort en flauw en legde de hoorn op het toestel.

‘Cheries, ik denk dat ze al onderweg zijn,’ zei hij terwijl hij zelf niet overtuigd was.

De meisjes keken hem aan en hadden een stoïcijnse blik alsof ze niet wisten wat ze dachten.

            ‘En nu?’ vroeg Meredith.

Catelijne leek zich iets te herinneren en reikte naar haar tas.

            ‘Cherie, als ik dat zou weten zou ik het wel zeggen, lijkt je niet?’

            Meredith begon te lachen.

‘Lijkt je niet!?’

            ‘Waarschijnlijk wel.’

            ‘Nou dan,’ zei Alex. Hij hield zich in omdat hij Cateleine iets uit haar tas had zien pakken en hij even hoop had dat ze bij zich zou hebben. Jesus Christus, hij voelde zich bijna hyper van het niet nemen en eraan denken. Als Hierro weer zou weg blijven, zou hij hem wel even.

            ‘Zullen we anders even een jointje roken? Ik heb nog een jointje bij me,’ zei Cateleine terwijl ze met duim en wijsvinger een omhooggestoken joint vasthield en hen vragend aankeek.

‘Cherie, dat is onder de omstandigheden misschien wel het beste idee wat je vanavond hebt gehad. Heb je eigenlijk wel een idee gehad?’ Hij lachte haar toe en zij lachte terug.

‘Cherie, steek die joint aan en vertel me over je haar. Waarom heb je het zo zoals je het hebt?’

            ‘Bedoel je de kleur?’ vroeg Catelijne terwijl ze met een hand even haar haar beroerde.

            ‘Dat bedoel ik ja. Waarom heb je een blauwe baan aan het eind van je haar? Is het soms eerst blauw geweest en toen uitgegroeid?’

            ‘Nee, die baan zit er zo expres in. Ik verf mijn haar om het half jaar of zo.’

            ‘Oh,’ zei Alex en boog voorover om de brandende joint aan te pakken. Snel rookte hij  een paar stevige trekken en inhaleerde diep. Hij wachtte totdat de eerste flash begon. Echt stoned werd hij er niet meer van. Het was een bepaalde verdoving waardoor hij de periode naar zijn volgende lijntje beter aan kon. Mijn god, wat mis ik die lekkere prikkel die ik vroeger altijd van coke kreeg, dacht hij.

Niets leek hem nog maar iets van een levensprikkel te kunnen geven. Hele dagen lag hij in bed te hopen dat hij de slaap zou vatten en liep dan weer heen en weer door zijn appartement of rotte wat op de bank. Zelfs in zijn nieuwe omgeving was dat zo, zijn ouders hadden er echt werk van gemaakt, een nieuwe spiegel hing aan een wand, leuke gordijntjes hadden ze opgehangen, en alles geschilderd. Hij had zich zelfs nog schuldig gevoeld omdat zijn vader bij het weggaan, na een lange dag knutselen in zijn appartement, hem had gezegd een muurtje te verven, en toen twee dagen later terugkwam, hij het niet voor elkaar had gekregen. Op één of andere manier lukten dat soort klusjes nooit.

Hij wist dat de joint begon te werken. Toen hij iets wilde zeggen voelde hij zijn kaken als onwerkelijk en zei het niet. Hij gaf de joint aan Meredith en keek op haar horloge hoe laat het was. Hierro en Coen waren bijna vijftig minuten te laat. Dat kon nog betekenen dat ze gewoon te laat waren en hoefde nog niet per definitie te betekenen dat ze alvast de coke uitprobeerden. Jesus Christus, hij had Hierro nota bene nog het geld geleend om bij de apotheek de viagrapillen te kunnen betalen zodat deze geruild konden worden voor wat coke (i.v.m . met omwisseling van gulden naar euro per 01-01-2000, wilde de dealer, i.p.v. geld, waren ruilen voor drugs, en gaf daar dus verhoudingsgewijs meer cocaïne voor terug). “Nee hoor, als ik het spul heb, kom ik meteen naar je toe en heb je de eerste lijn van de avond”, dacht Alex aan Hierro’s woorden. Met ietwat lome ogen draaide hij zijn gezicht naar de meisjes. Ze waren allebei over de vijfentwintig. Catelijne iets van zesentwintig en Meredith al bijna dertig, dacht hij. Toch leken ze nog steeds meisjes te zijn en geen vrouwen.

            ‘ Cherie, weet je wat het is? ’ vroeg hij.

De meisjes keken abrupt op omdat ze zijn veranderde toonzetting hadden gehoord.

            ‘ Cheries, luister, ik weet niet precies wat het is maar ik krijg het niet meer aangezwengeld. Mijn leven lijkt mij niks meer te doen, het maakt me niets uit. En nee,’ zei hij terwijl hij zijn hand ophield. ‘Nee, dat zeg ik niet terwijl ik het anders bedoel, als ik bij wijze van spreken een pistool zou hebben, zou ik het geen probleem vinden mezelf van kant te maken.’ En nadat ze hem glimlachend en zwijgend bleven aankijken: ‘Vreemd is dat, hè? Niet eens zozeer omdat ik zo depressief ben maar gewoon omdat ik geloof dat er na de dood niks is, je lichaam blijft over en je geest is dood. Of eigenlijk is je geest ook gewoon dood weefsel geworden. Meer niet.’

            Meredith blies een rookkegel richting plafond. Als ze tussen bekenden was, liet ze kleine boertjes en scheetjes. Ze vond het onnatuurlijk om dergelijke lichaamsbewegingen in te houden. Nadat ze de laatste rook had uitgeblazen, liet ze een boertje.

            ‘Cheries, vinden jullie dat vreemd?’

            ‘Niet echt, ik geloof het ook zo en om voor mezelf te spreken; ik ben niet echt depressief maar zo gevoelloos, zo alsof het er niet toe doet,’ zei Catelijne met brandende sigaret tussen twee vingers. Ze was bijna één meter vijfenzeventig. Meredith was vijf centimeter kleiner dan Catelijne en breed gebouwd, voornamelijk in haar onderstel. Anders was ze in haar overkomen. Catelijne was je geneigd wel het voordeel van de twijfel te geven.

            ‘Cheries, weten jullie wat ik laatst heb gelezen?’

            Alex ging rechtop zitten. De meisjes zaten ieder aan een kant van de bank, niet meer tegen elkaar aan.

            ‘Laatst zat ik een verhaal te lezen, de schrijver ervan weet ik niet zo goed meer maar het ging als volgt; iemand zat tegen een ander te filosoferen en had de volgende gedachte.’ Hij bekeek even allen om te checken of ze wel naar hem luisterden en vervolgde voor zich uit kijkend: ‘kijk zijn stelling luidde als volgt; de man was ervan overtuigd dat het maar het beste was als een tiende deel van de maatschappij een onbeperkte vrijheid en een totaal beschikkingsrecht over de resterende negen tienden zou hebben. Zij waren dan baas over de negen tienden, die hen moesten gehoorzamen. En dat was het leukste van de stelling, die andere negen tienden moesten proberen om hun oorspronkelijke onschuld, hun geestelijke vrijheid, terug te winnen door van generatie op generatie hard te werken. Ze werden tot werknemer gebombardeerd zonder dat er reden voor was. Zoiets zou er eigenlijk ook in Amsterdam moeten zijn. Oh ja! En nu schiet het me weer te binnen waarom ik het zo’n geestige stelling vond. De laatste in het verhaal, dus die negen tienden, mochten geen persoonlijkheid hebben.’

            ‘En hoe wordt er dan bepaald wie die één tiende in de maatschappij is?’ vroeg Meredith.

            ‘Cherie, luister, het gaat niet zozeer om wie die één tiende is, maar wie die negen tienden moeten zijn. Want je kan het bekijken dat je dan bij die één tiende wil horen, maar volgens mij zit er ook in ieder mens een begeerte, een onbewuste drang, om bij die negen tienden te behoren. Het moeten werken om je onschuld terug te krijgen staat me dan niet zo aan, maar je persoonlijkheid moeten verliezen lijkt me wel iets om over na te denken.’

            ‘Als dat je geen zorgen meer hebt, als een soort omgekeerde variant van het übermensch gevoel waar Nietsche het over had, dat je een üntermensch bent zonder dat je het als stempel op je ziel voelt,’ zei Catelijne.

Alex hoorde aan haar stemklank dat ze precies begreep wat hij bedoelde. ‘Precies want dan kan de persoonlijkheid ook niet meer voor problemen, stress, en/of deprimerende gedachten zorgen. Het wordt dan zoiets als dat je in de wildernis een antilope bent, of een ander soort graseter. Een prooi. Je bent zoals je bent zonder dat je in het leven iets na hoeft te jagen, letterlijk en figuurlijk.’

            De vrouwen zwegen en keken naar het plafond terwijl ze met hun nek lagen op de hoofdsteun van de bank en nadachten over zijn opmerking. 

Zo ken ik Alex ook, dacht Meredith, soms kan hij een verschrikkelijke asociale egotripper zijn met zelfs sadistische neigingen en de andere keer lijkt hij zowat menselijk. Ze hoorden hoe hij uit zijn leunstoel opstond en naar de telefoon liep, dat hij de hoorn van het toestel pakte, en dat hij een nummer draaide.

Zonder te vragen wisten ze dat hij Hierro belde.

           

[ 20:12 ] [ 9/6/2007 ] [ 1 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Deel I Hoofdstuk 2

 

 

 

 

Hoofdstuk 2.

 

 

 

            Zo’n tweehonderd nummers verderop en aan de overkant van de straat, spraken Hierro en Coen schreeuwend tegen elkaar. Hierro was een fervent liefhebber van house muziek. Hij zette altijd muziek zo hard mogelijk om iets van het kickende gevoel proberen te krijgen waarnaar hij zo terug verlangde. Hij had er eens over gedacht om naar Zwitserland te rijden en daar in een privé-ziekenhuis zijn bloed te laten verschonen zodat hij als opnieuw kon beginnen met de coke en de pillen en dan hetzelfde gevoel krijgen als waar drugsgebruik ooit mee begonnen was.

            Qua lengte was hij niet groot. Zijn vader was een Indonesische immigrant en zijn moeder had zijn voornaam uitgezocht. In de keuken wilde hij iets gaan doen, wist hij nog, maar kon niet meer bedenken wat ook alweer. Hyper draaide hij van de ijskast naar het aanrecht en liep vervolgens, via het kleine gangetje, naar zijn slaapkamer, en wist daar ook niet wat te doen. Met zijn donkere haar en beminnelijke gezicht was hij normaliter een persoon die in openbare gelegenheden makkelijk aanspraak kon krijgen. Door zijn jarenlange drugsgebruik kon hij tijdens gesprekken niet bij het onderwerp blijven. Hij communiceerde op een vage manier en dirigeerde dan naar geld lenen, dat nooit werd terugbetaald, zodat hij uiteindelijk de mensen van zich afjoeg. Zelfs mensen die hij langer kende, wilden hem niet meer kennen en hadden zoiets van; als hij weer normaal een gesprek kan voeren, belt hij nog maar eens.

De huid van zijn gezicht leek dun als een millimeter. Dat kwam omdat hij gisterenavond weer tot laat was doorgegaan. Daardoor had hij, na een aantal uren in zijn bed gelegen te hebben, vanochtend, vanaf een uur of elf, twee uurtjes geslapen. Hij dacht weer aan Coen, die in de woonkamer op de bank zat. Ze moesten zo meteen naar Alex gaan, hij had voor de coke betaald. Hij voelde even op zijn broek het envelopje in de broekzak.

Dongedongedongedonge, dreinde de muziek in het huis. Hij glimlachte en liep met snelle tred de woonkamer in en zag Coen met rechte rug op de bank zitten en voor zich uit staren. Niets haalde hem uit zijn trance. Nu leek hij zich te beseffen dat Hierro in de kamer stond. Hierro draaide aan de volumeknop. De muziek was een fractie zachter.

            ‘Wij moesten iets doen, hè?’ vroeg hij aan Coen.

            Coen draaide zijn hoofd naar Hierro, die hij bij de installatie zag staan. Coen was op een knappe manier slank en schriel, iets langer dan één meter negentig. Zwart sluik haar en een knap gezicht met scherpe trekken. In zijn houding lag zijn zorgeloosheid, die op sommige mensen als aantrekkelijk overkwam.    

            ‘Wij moesten iets doen inderdaad,’ zei Coen met een kwinkslag en veelbetekenend knikkend naar de salontafel. Hierro hield in gedachten een hand aan de volumeknop en kreeg die herhaaldelijk terugkomende, insinuerende trekkende beweging om de linkeroog. Altijd op momenten dat het hem niet uitkwam, kreeg hij met zijn linkeroog een vernauwing van zijn gezichtsveld. Het was geen echte knipoog. Het leek net of hij de persoon die hij dan aankeek, lonkte voor seks, of iets wat daar op lijkt. Als je hem niet kende, was je het eerste halfuur na de kennismaking geobsedeerd door zijn gezichtstic, gooide je vervolgens het hoge woord eruit en vroeg je waardoor het kwam. Daar had hij nooit een antwoord op, simpelweg omdat hij het zelf ook niet wist. Hierro keek nog eens goed naar de salontafel en lachte onhoorbaar en zette de muziek zachter.

            ‘Zullen we anders maar vast iets nemen, er is toch genoeg voor iedereen, ’ zei Coen.

De opmerking maakte Hierro vrolijk, zowat uitgelaten nam hij plaats op de rand van de tweezitbank. Met snelle handbewegingen pakte hij het envelopje en legde twee lijnen op tafel, checkte de inhoud van de envelop, vond met een goedkeurend gebaar dat er nog meer dan genoeg over was, en boog zich voorover en snoof snel en ervaren, via een opgerold kartonnetje, één lijn coke naar binnen. Rechtop zittend wachtte hij op het effect, herinnerde zich dat gebruiken niet meer was hoe het ooit was geweest en maakte plaats voor Coen die op zijn plaats wilde gaan zitten om zo snel mogelijk zijn lijn te kunnen opsnuiven. De telefoon ging over. Coen ging onverstoorbaar door met zijn handelingen. Hierro keek naar de telefoon en wilde snel en gehaast de hoorn er vanaf pakken en besloot het toen niet te doen omdat hij besefte dat het Alex kon zijn. Zonder Coen in te lichten over het feit dat hij de telefoon niet ging opnemen, liep hij terug naar de salontafel, pakte zijn shag, maakte het pakje open terwijl hij voor de bank stond, en plukte shag bij elkaar om een sigaret te kunnen draaien.

            ‘Ga je de telefoon niet opnemen?’ Vroeg Coen terwijl hij met de punt van zijn wijsvinger onder zijn neus voelde en achterover in de bank zakte.

            ‘Jij bent ook wel een ouwe ook, hè!’ riep Hierro hem vriendelijk tegemoet. ‘En ik maar denken dat je het niet had gehoord!’

            Coen lachte. Zijn lachen ging over in een grijns die vervolgens van steen leek te zijn. Je wist dat deze onnatuurlijke zaligmakende trek op zijn gezicht voorlopig wel even zou blijven. Je dacht bij jezelf dat als je hem tien uur later zou tegenkomen, hij precies dezelfde grijns zou hebben. Toch was het niet een grijns waar je blij van kon worden, het had een bepaalde triestheid. Je zag het gebruik van de drugs erdoorheen.

            ‘Dat was Alex,’ zei Coen en wees met een duim naar de telefoon.

            ‘Daar hebben we straks afgesproken. Hoe laat is het eigenlijk? Oh, daar hebben we nu afgesproken.’

            ‘Die belde natuurlijk om te weten of er genoeg coke over is, die maakt zich zorgen dat wij alles opmaken.’

            Hierro zat nu ook. ‘Hé, luister even goed, dit is de hoeveelheid die we van de dealer hebben gekregen, zelf hebben we er niks van genomen.’

            ‘Alsof ie dat gelooft.’

            ‘Daar gaat het niet om. Waar het om gaat is dat wij nooit toegeven.’

            Hierro voelde een hersengolfje door de naklank van het woord snoepen en hoopte op een flash. Die kwam niet. De golf leek niet over zijn hoogtepunt te komen. Elke keer als hij gebruikte, bleef tegenwoordig het gevoel bij alleen het opbouwen van de flashgolf.

            ‘Hé ouwe, ik weet niet wat het is hoor, maar op één of andere manier krijg ik het idee dat de coke gewoon niet goed meer is. Ik bedoel; wat denk jij er nou van?’

            Coen keek onderzoekend naar Hierro en zag dat zijn linkeroog dit keer niet de knijpende beweging maakte. ‘Dat heb ik ook wel eens gedacht maar weet je wat het is?’ Hij keek naar Hierro en wachtte op een vragend “nou”, dat niet kwam.

Hierro scheen ergens naar te kijken en rookte zijn sigaret.

‘Dat komt gewoon omdat we er te lang mee bezig zijn geweest,’ zei Coen.

            Hierro draaide zijn hoofd met een snelle ruk naar Coen en keek met een gedachteloos gezicht. Zonder iets te zeggen stond hij op en haastte zich naar zijn computer. Coen kwam hem achterna en zag hoe Hierro verbinding met internet maakte.

            ‘Wat ga je doen?’

            Geen antwoord. Hierro ging door met waar hij mee bezig was.

            ‘Wat ga je doen!’ herhaalde Coen.

            Alsof Hierro voor het eerst hem opmerkte, keek hij even opzij. ‘Wacht maar dan zul je eens wat zien.’

            Coen zag dat Hierro een paar woorden had ingetypt op de zoekmotor. Deze waren: privéhospitaal,  Zwitserland, bloedbank. Hij zag hoe Hierro de cursor naar het woord ‘zoek’ stuurde en dat hij de muis aanklikte.

            ‘Privéhospitaal?’ vroeg Coen lacherig.

            De zoekmotor vermeldde een aantal resultaten. Hierro klikte op de eerste. Hij fronste en keek bedenkelijk alsof het zoekresultaat hem niet aanstond. Haastig pakte hij een papiertje en schreef het telefoonnummer van het ziekenhuis op. ‘Wat is het landennummer van Zwitserland?’ vroeg hij terwijl hij naar de telefoon liep.

            ‘Ga je die nu bellen, het is zaterdagavond. Die nemen niet op natuurlijk!’

            ‘Dat zou zo maar eens kunnen,’ zei Hierro.

Hij onderbak zijn gang naar de telefoon.

            ‘Waarom ga je in godsnaam naar Zwitserland bellen?’

            Hierro vertelde zijn hypothese over nieuw bloed.

            ‘Dat helpt voor geen meter, waar het om gaat is dat je dan nieuwe hersenen zou moeten hebben,’ zei Coen met onderkoelde stem waarin berusting voor realiteit lag.

            ‘Nieuwe hersenen?’

            ‘Want die geven het gevoel weer, natuurlijk.’

            ‘Weet je wat we anders doen? We roken nog even een jointje om het hyper gevoel een beetje onder controle te krijgen.’ Hij knikte Hierro naar de bank om te gaan zitten.

            Met hun voeten op de rand van de salontafel rookten ze de joint en probeerden ontspanning in hun geest te vinden.

            ‘Hoe gaat het op je werk eigenlijk?’ Vroeg Coen. Het was hem te binnen geschoten. Hierro was drie weken geleden begonnen aan een nieuwe baan. Coen had ineens geweten waarom Hierro een neergeslagen oogopslag had gehad.

            ‘Ik weet niet wat het is, ouwe, de dagen zijn toch wat langer dan ik aanvankelijk had gedacht,’ zei Hierro met een knikje naar het gezicht van Coen zonder hem bewust aan te kijken.

            ‘Oh toch?’ vroeg Coen spottend. Hij kon zich nog herinneren dat Hierro hem vertelde over zijn nieuwe baan. Vertegenwoordiger bij een bedrijf in veiligheidssystemen. Werken van twee ’s middags tot tien ’s avonds. Vier of vijf afspraken per dag en dan thuis bij de mensen uitleggen waarom ze een veiligheidssysteem in hun woning moesten laten inbouwen en waarom ze dat door Safe Systematic moesten laten doen. Hierro was ervan overtuigd dat hij bij vier van de vijf bezoeken per dag zo’n systeem zou verkopen en had alvast uitgerekend dat hij dan net over de tienduizend gulden netto per maand zou gaan verdienen.

            Hierro keek hem aan en voelde de spottende ondertoon die Coen in zijn stem had gehad. Het deed hem niets. ‘Soms dan ben ik wel tot twaalf uur in de weer, de ene keer heb ik goed geslapen en gaat het wel, maar als ik bijvoorbeeld de hele nacht geen oog heb dichtgedaan en zo brak als wat ben, weet ik niet eens waar ik ben als ik tegenover geïnteresseerden zit te praten. Laat staan dat ik weet waarover ik praat.’

            Coen lachte, hij vond het leuk. Zelf was hij al een tijdje werkloos maar omdat hij in een goedkope huurwoning woonde, kon hij redelijk rondkomen van zijn uitkering. En al had hij de laatste week van de maand geen geld meer over, dan nog redde hij zich wel. In ieder geval kon hij dan in zijn stamcoffeeshop gratis koffie drinken en blowen omdat de eigenaar een vriendje was. ‘Hoe gaat het met de target?’ vroeg hij.

            ‘Ik moet even inkomen maar de afgelopen twee weken heb ik er twee verkocht.’

            ‘Twee? Over de hele periode?’

            ‘Ja, ik weet niet wat het is, ouwe. Ik denk dat ik gewoon even moet inkomen, of anders is het misschien mijn baan niet. Lang ben ik toch niet meer in dienst. Over twee weken is mijn proefperiode afgelopen.’

            ‘Hoe dat zo?’

            ‘Je weet toch dat ik een benzinepas heb?’

            ‘Ja.’

            ‘De afgelopen week had ik even geld nodig. Ik heb toen voor een ander betaald.’

            En toen Coen niet reageerde.

            ‘Ik moest tanken en dacht; weet je wat? Ik vraag de man, die aan de andere kant van de pomp staat te tanken, of hij geïnteresseerd is om tien gulden minder te betalen.’

            ‘Ja, en?’

            ‘Dat leek hem wel wat en dus rekende ik met mijn pas twee keer tanken af. Alleen stond het ook zo op de bon en als ze dat op mijn bedrijf zien, ben ik gelijk klaar.’

            ‘Had je handiger kunnen doen.’

            ‘Dat werk is toch niks voor mij, ik moet gewoon een iets zwaarder product hebben. Het gaat gewoon om te weinig geld, weet je, dan kan ik het gewoon niet als belangrijk zien en dat voelen mijn klanten. En daarnaast heb ik ook een paar klanten opgevoerd, die helemaal niks hebben besteld, dus……’

            De telefoon ging over. Hierro vond het niet erg om van onderwerp te veranderen. Hij zei: ‘Laten we maar gaan. We zijn al bijna anderhalf uur te laat.’

            Ze stapten op en verlieten het appartement.

[ 20:11 ] [ 9/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Deel I Hoofdstuk 3

 

Hoofdstuk 3.

 

 

 

            Alex had ondertussen de twee meisjes een paar andere filosofieën voorgelegd. Hij wilde Cateleine best beter leren kennen. Telkens, tijdens het praten, keek hij naar haar en observeerde hoe ze zijn analyses over zich heen liet gaan. Ze was net een pop, zo fijn waren de tekeningen van haar mond, neus, en ogen. Ze glimlachte aangeleerd beleefd. Het irriteerde hem dat Hierro en Coen wegbleven. In zijn gedachten moest vooral Hierro het ontgelden, hij had al zo vaak meegemaakt dat die beloftes niet nakwam. Hij nam zich voor om ze goed de waarheid te zeggen. Hij voelde zich klaar klaar om op te springen als de bel zou gaan. Alsof het zo bedoeld was, ging de bel over. Toch enigszins blij dat ze waren gekomen, stapte hij naar de deur van het appartement om op de knop van de intercom te drukken. Met twee treden tegelijk daalde hij de trap af om ze tegemoet te komen. Hij zag hen halverwege de eerste trap een geanimeerd gesprek hebben en dat ze hem niet hadden gehoord. ‘Ah, daar zijn jullie eindelijk.’

            Ze keken allebei naar boven en zagen Alex in de trapopening staan.

            ‘Waar is de coke!?’

            Coen en Hierro begonnen te lachen. Ze vonden Alex’s gedrevenheid aandoenlijk.

            ‘Als je ons er even door laat, geef ik je binnen de coke, gewoon even rustig aan,’ zei Hierro.

            ‘Hebben jullie er al vast van genomen!? Jullie hebben er al van genomen, hè!?’ Alex probeerde hun gezichten te bekijken omdat hij zijn waarheid wilde zien. Coen keek strak naar beneden en zweeg.  

            ‘Hier heb je je coke,’ zei Hierro en drukte Alex het envelopje in de hand en liep om hem heen en begon aan de tweede trap. Snel maakte Alex het kleine envelopje open en inspecteerde de hoeveelheid.

            ‘Ah, stelletje smerige honden, jullie hebben ervan genomen,’ zei hij met iets mildere stem omdat de aanblik van minstens één lijn een stemmingsverandering gaf. Nog altijd beter dan geen lijn, dacht hij. En hoe ze dan daarna weer aan drugs zouden komen, was dan weer voor later zorg. Nu kon hij gebruiken. Hij wachtte niet langer en pakte uit zijn broekzak een miniatuur schepje van anderhalve centimeter lang, schepte een beetje coke erop, duwde het schepje zo ver mogelijk in zijn neus, en snoof het in een keer naar zijn hersenen. Zonder te wachten schoof hij ook het laatste restje coke op het schepje en snoof het weg. Terwijl hij zijn neus ophaalde, besteeg hij de trap en hoorde hoe Hierro en Coen zichzelf op een vlotte en babbelende manier introduceerden aan Cateleine, en dat ze plichtplegingen uitwisselden met Meredith. Hèèè, verzuchtte hij en voelde dat hij een beetje bij de mensen begon te komen. Hij wist zeker dat Hierro Meredith kende, maar kende Coen haar ook al? Bij nader inzien leek het hem een mogelijkheid te zijn. Bij het binnenkomen keek hij in de ogen van Meredith en zag dat ze zag dat hij net had genomen. Ja, had je maar niet onverwacht met een vriendin moeten komen aanzetten, dan had je zeker ook wat gehad, dacht hij. Nu was er gewoon te weinig geweest om te kunnen delen. En in zo’n geval was het beter dat één persoon het spul nam en niet dat ze het dan nog met zijn drieën moesten delen. Dan had niemand er wat aan. Hij sloot de voordeur en liep naar de keuken om koffie te zetten. Het was het enige dat hij kon aanbieden. Misschien dat Catelijne wat geld bij zich heeft zodat we bij de avondwinkel wat wijn kunnen halen, dacht hij.

Met ontspannen tred liep hij de woonkamer in en hoorde nog net Hierro zeggen dat Alex nog wel wat voor ze zou hebben. Hierro keek naar de ingang van de kamer en zag Alex binnenkomen en zei: ‘Alex, haal je spul even tevoorschijn, dan kunnen zij ook een lijntje nemen.’

            Waaat? Dacht Alex, moest ik dat nog delen ook?

            ‘Ik zou best een lijntje lusten,’ zei Cateleine hoopvol en keek van Alex naar Hierro. Hierro was altijd een gentlemen naar vrouwen toe, maar ook altijd nadat hij zelf eerst aan zijn trekken was gekomen. ‘Ja, pak je spul even tevoorschijn, ik heb het je net gegeven,’ zei hij nog een keer. 

Alex dacht; zegt hij dit nou expres of niet?

‘Dan heb ik slecht nieuws.’

            ‘Dat dacht ik al,’ zei Meredith met bestraffende toonzetting.

            ‘Heb je net alles opgesnoven?’ vroeg Hierro. Hij klopte met zijn handen op de zakken van Alex en begon te lachen. ‘Jij vieze smeerlap! Ik geef het je en jij snuift meteen alles naar binnen!’

            ‘Heheheheheh,’ lachte Alex blij.

            ‘En wat moeten zij nou?’

            ‘In ieder geval koffie want dat heb ik net gezet. Ja sorry, dat had ik ook anders kunnen doen.’

            De twee meisjes haalden gemaakt laconiek hun schouders op in de wetenschap dat ze het toch niet konden terugdraaien.

            ‘Ah weet je wat? Ik bel mijn dealer straks even op en dan regel ik nog wat,’ zei Hierro terwijl hij wilde gaan zitten op de driezitsbank naast Meredith en Catelijne. Meredith doorzag zijn actie zodat hij aan de rechterkant van Meredith, die nu in het midden zat, plaats moest nemen. Coen zat verderop in de kamer en keek onbewogen toe hoe alles zich afspeelde en toonde geen enkele intentie om aan het gesprek mee te doen. Alex was in de keuken. Hierro boog zich voorover en keek naar links om Catelijne’s gezicht te kunnen zien.

            ‘Jij bent een vriendin van Meredith?’

            ‘Hhmmm, ja inderdaad, we hebben elkaar in het uitgaanscircuit leren kennen,’ zei Catelijne en keek even sluiks naar de zwijgende Coen. Iemand waar ze een gesprekje mee wilde aanknopen.

            ‘Wat heb je geinig haar,’ zei Hierro vervolgens.

            ‘Hmm, ja dank je. Hé, kan jij nog wat regelen?’

            ‘Ik bel mijn dealer zo wel even, haal ik wat op de pof.’

            Alex kwam binnen met een blad met daarop verschillende soorten koppen koffie. Plotseling leek iedereen uitgepraat te zijn. Zwijgend zette hij voor iedereen een kop op tafel en nam rustig plaats op een keukenstoel. Hij dronk zijn koffie met kleine teugen. Hij voelde zich niet helemaal goed. Het enige wat hij wel zeker wist, is dat hij nu in een gezelschap geen deprimerende spanning voelde. Hij zag dat Meredith nog steeds niet over de teleurstelling heen was. Haar voorhoofd fronste. Ook Hierro scheen zijn babbelneigingen gehad te hebben. Een plotselinge stilte hing in de ruimte. Alex keek naar de muren, net onder het plafond, alsof daar het antwoord van de stilte te vinden was.

            ‘Alex heeft een theorie over negentienden of zoiets…,’ zei Meredith kijkend naar Hierro.

Allen keken naar Alex.

            ‘Cherie, als ik wat te vertellen heb, kom ik daar zelf wel mee,’ veroordeelde Alex Merediths’s melding. Hij voelde dat hij er niet onderuit kon om zijn stelling te vertellen. Gelukkig had Meredith naar Hierro gekeken, die was altijd wel in voor dergelijke analyses waarbij het hem dan niet uitmaakte of hij ze begreep of niet. Bij Coen was dat anders, die kon dan zo’n spottend lachje rond zijn mond hebben waardoor je tijdens het vertellen je jezelf steeds kleiner voelde worden. Maar Alex voelde zich goed genoeg om Hierro het verhaal te vertellen omdat hij a) zelf niet op de bank zat, en dus niet naast anderen maar lekker alleen op een stoel, en b) zich bewust was van het feit dat hij de coke had gesnoven, en dus verbaal moeilijk te verslaan zou zijn. Wat nog belangrijker was, was dat de twee meisjes niet hadden genomen. En dus vertelde hij weer wat hij had gelezen en hoe de bedenker over de maatschappij had gedacht. Vanuit zijn ooghoeken zag hij dat Coen rechtop in zijn stoel was gaan zitten en zich leek te interesseren voor de analyse.

            ‘Dus die negen tienden moeten gehoorzamen aan die ene tiende?’ vroeg Coen gebarend met een wijsvinger.

            ‘Cher, misschien is dat wel precies wat het is. Het gaat natuurlijk niet om dat die negen tienden hun persoonlijkheid over generaties terug moeten verdienen, het gaat er natuurlijk om dat ze gehoorzaam aan die ene tiende blijven,’ zei Alex verrukt. Een verrukking zodanig dat iedereen moest concluderen dat hij tevreden was over zijn vondst van de analyserende stelling.

            ‘En dan is het zo dat die ene tiende de macht van de vrije geest doorgeven aan hun kinderen. Hun kinderen behoren dan ook weer tot dat selecte groepje, waar dan weer negen andere tienden aan hebben te gehoorzamen,’ zei Coen. 

            ‘Hoe zit het met het terugverdienen? Kunnen die andere negen tienden ooit tot de club van één tiende behoren?’ Vroeg Hierro hardop.

De meisjes leken het gesprek niet te volgen. Ze zaten onderuitgezakt in de bank en lieten het gesprek voor wat het was.

Alex voelde zich aangenaam verrast door de vraag van Hierro.

            ‘Cher, weet je dat ik dat een hele scherpe analyse vindt?’ zei hij met een ontvankelijke toon. 

            ‘Maar wat is dan het antwoord?’

            ‘Cher, dan moet je de vraag nog even herhalen.’

            Hierro dacht na en wist toen de vraag weer. Coen volgde geïnteresseerd het gesprek door elke keer te kijken naar de pratende persoon.

            ‘Tuurlijk kunnen ze dat niet,’ zei Alex. ‘Als je behoort aan die negen-tienden, zal je nooit bij die ene tiende kunnen behoren. Ook wordt er van generatie op generatie nog zo hard gewerkt, je zal de status quo van die ene tiende slechts kunnen benaderen, waarna je eigenlijk weer terugvalt in de groep van negen tienden. En dus!’ En nu wees hij met een wijsvinger recht naar het plafond alsof hij ineens het licht had gezien. ‘En dus moet die ene tiende altijd ervoor zorgen dat bij die negen-tienden de drang aangewakkerd blijft om bij die ene tiende te willen behoren.’

            Hierro was met stomheid geslagen. Hij besefte dat hij een domme gezichtsuitdrukking had en probeerde verbazing van zijn gezicht te halen. Hij stond op en liep naar de installatie en zette de cd-speler aan. Het bleek Tears For Fears te zijn. De muziek begon te spelen. Hierro had de volumeknop veel te hard opengedraaid en draaide nu de knop mondjesmaat terug alsof hij ongelooflijke concessies deed aan het zachter zetten van de muziek. Voor de anderen voelde het als geen verschil.

            ‘Cher!,’ zwaaide Alex om zo in Hierro’s gezichtsveld te komen en diens aandacht te krijgen.

Hierro stond naar de grond te kijken terwijl hij naar de muziek luisterde en keek nu op.

            ‘Cher! Doe hem even wat zachter!’

Hierro draaide aan de knop.

‘Nee, nog zachter,’ zei Alex.

Coen knikte instemmend.

            ‘Hé, jij zou die dealer nog even bellen, hè?’ zei Catelijne tegen Hierro.

            ‘Hhhhmm, ja inderdaad,’ zei Hierro herinnerend.

            ‘Doe dat hierna even,’ zei Coen en maakte met twee handen tegelijk een duikende beweging naar beneden om Hierro niet te laten opstaan, en om duidelijk te maken dat hij iets wilde gaan zeggen. Hierro gaf de meisjes een sigaret. Met zijn drieën deelden ze een aansteker. Coen vervolgde: ‘Kijk, die stelling doet me aan het volgende denken. Ik zat laatst op National Geographic een programma te kijken. Daar werd uitgelegd, aan de hand van beelden, dat als een antilope bijvoorbeeld door een roofdier, zeg een leeuw, wordt gepakt, dat die antilope dan de laatste paar minuten van zijn leven gevoelloos is. Hij schijnt dan naar een situatie te kunnen toegroeien waar hij in een soort staat van schijndood is en dan ook niet meer bewust reageert op wat er in zijn omgeving gebeurt.’

            ‘Schijndood?’ vroeg Catelijne.

            ‘Dat hij in een soort status van gevoelloosheid verkeert. Het dier is dan de laatste paar minuten van zijn leven onschendbaar geworden. Het voelt dan niks meer.’

            Iedereen zweeg.

            ‘En nu vraag ik me af in hoeverre je dan de leeuw en de antilope in het verhaal van de negen tienden en één tiende kan vergelijken. Dus staat de antilope in het verhaal symbolisch voor de ene-, of voor de negen- tiende?’

            ‘Cher, dat is een interessante vraag. Maar er zijn andere interessante vragen. Namelijk of Hierro de dealer wil bellen.’

            Hierro keek op en leek vergeten te zijn dat hij de dealer zou gaan bellen, die op twintig nummers afstand van zijn woning woonde. Vanaf Alex’s woning zo’n tweehonderd-en-twintig nummers. ‘Ja, maar je moet hem kennen, hij heeft van dat lange, blonde vikingenhaar en een snor,’ zei hij tegen de groep omdat hij ineens weer wist dat hij al flink wat geld bij hem had uitstaan.

            ‘Cher, heel interessant maar daar is de telefoon.’

            Hierro stond op en liep naar de telefoon, had een brandende sigaret in zijn mond, pakte een wit papiertje uit zijn broekzak, vouwde het uit, en draaide een nummer. Verbinding werd meteen gemaakt. ‘Henk met mij, met Hierro.’ Hierro lachte beminnelijk. ‘Wat zeg je? Ja, dat krijg je volgende week, meteen als mijn geld binnenkomt, kom ik bij je langs.’ Hierro maakte even oogcontact met Catelijne. ‘Ja, kijk, ik krijg volgende week echt een sloot geld op mijn  rekening overgemaakt. Je moet weten dat ik als een achterlijke heb verkocht, volgende week krijg ik daar de provisie over betaalt.’ Nu maakte hij een knipoogje naar Catelijne. Die wil ik wel eens uitproberen, dacht hij.

Na een stilte van twee seconden reageerde hij beteuterd met: ‘Maar dat niet meer.’ 

Iedereen stil.

‘Oké, wacht even, dan vraag ik het hier in de groep.’ Hij hield een hand voor het spreekgedeelte van de hoorn. ‘Hebben jullie misschien een paar tientjes bij je?’

            Iedereen keek verschrikt om zich heen. Na stilte van een seconde of dertig zei Catelijne dat ze misschien tien gulden kon missen.

            Hierro bracht de hoorn aan zijn oor en begon te praten. ‘Kan je ons effe matsen met een gram, we hebben tien gulden en dan krijg je de rest later, volgende week, op me erewoord.’

            Iedereen zag dat Hierro aandachtig luisterde.

            ‘Waat? Je kan niets doen?’

            Een spanning hing in de kamer.   

            ‘Hé, hé, hé, voordat je ophangt. Heb je echt helemaal niks meer?’

            Henk begon weer te praten en Hierro luisterde alsof hij geen weerwoord hoefde te geven maar van informatie werd bediend.

‘En die zijn ietwat mislukt?’

            Iedereen volgde het gesprek.

            ‘Maar daar heb je er nog wel een paar van? We zijn hier met zijn vijven, zeg tien totaal voor tien gulden? Jaaa!? Oké, dan ben ik met twintig minuten bij je, wat? Ja, joejoe, tot zo.’

            ‘Cher, licht ons in en wel onmiddellijk!’

            Hierro legde vertraagd de hoorn op het toestel, dacht even na over wat hij had gehoord en zei: ‘Ja, hij heeft nog wel wat. Het is niet het beste wat hij heeft. Het is namelijk een beetje verkeerd gegaan. Je moet weten dat hij ook zelf pillen in elkaar fabriekt. Hij heeft een klein laboratoriumpje, ergens in zijn woning.’

            ‘Ja, en?’ vroeg Coen.

            ‘Hij heeft XTC pillen proberen te maken door LSD, heroïne en mdma door elkaar te gooien, maar daar zijn vorig weekend twee man doodziek van geworden en een derde is zelfs even in coma geraakt. Hij wil geen stront hebben omdat de politie wel gebrand is ten opzichte van troep, dan zoeken ze je op. Hij was eigenlijk van plan ze weg te gooien.’

            ‘LSD?’ vroeg Meredith.

            ‘Ja, cool, hè!? Dat heb ik nou nog nooit gehad. Hij geeft er tien weg voor tien gulden. Ik kan ze meteen komen ophalen.’

Hij draaide zijn gezicht naar Cateleine.

Ze begreep meteen wat hij wilde en zocht in haar kleding naar het geld. Ze gaf het hem. Hij vroeg: ‘Ga je even mee? Het is vlakbij.’

            Ze draaide snel haar hoofd naar rechts om te kunnen zien waar iedereen zat. ‘Nee eh, ik blijf hier even zolang. Haal jij ze maar,’ zei ze.

            Hierro keek naar de onderuitgezakte Coen. Hij kreeg een vermoeden waarom ze niet mee wilde. ‘Hmm, oké, dan haal ik ze wel even,’ zei hij en liep naar de deur, opende, en verdween in de gang.

De deur werd dichtgetrokken.

            ‘Cher! Cher! Neem nog even een fles cola mee!’ Riep Alex hem na.

Iedereen hoorde Hierro de trap afstorten maar niemand kon eruit opmaken of hij de opmerking had gehoord.

           

[ 20:10 ] [ 9/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Deel I Hoofdstuk 4

 

      

 

Hoofdstuk 4.

 

 

 

 

            Hierro kwam eerder terug dan de anderen hadden verwacht. Demonstratief zette hij een anderhalve literfles cola op tafel.

Catelijne had geprobeerd om Coen eens uit te horen, maar tot haar onderhuidse irritatie was hij kortaf en niet geïnteresseerd geweest en had hij het gesprek van Meredith en Alex geobserveerd. Voornamelijk over hoe Alex het woord cherie naar haar had uitgesproken en had genoten van het feit dat in zijn manier van uitspreken geen enkel bewustzijn scheen te liggen met dat deze manier van uitdrukken ook als irritant uitgelegd kon worden. Het had hem vermaakt. Hij had vervolgens het gezicht van Meredith in de gaten zitten houden of het op haar effect had, ondertussen opmerkingen van Catelijne aanhorend. Niemand die praatte over hoe de pillen zouden kunnen zijn. Alleen Meredith had een verontruste opmerking gemaakt en had even erna de schouders opgehaald. Er gaat tenminste iets gebeuren dat de sleur uit het leven kan halen, dacht ze. Hierro haalde een doorzichtig plastic zakje uit zijn jaszak tevoorschijn en hield het omhoog.

            ‘Dit zijn ze nou,’ zei hij, en kon een gelukzaligmakende lach niet onderdrukken. Wat ben ik er weer aan toe, dacht hij bij het aanzien van de tien, blauwachtige, grote, aspirineachtige pillen.    

            Coen stond op, liep naar Hierro, pakte het zakje uit zijn handen, pakte een pil, gooide het in zijn mond, slikte, draaide de dop van de colafles, zette de fles aan zijn mond, en dronk een paar slokken. 

            ‘Hij zei er wel bij dat je beter de tweede een uur later kan nemen.’

            Coen keek met onderkoelde ogen naar Hierro en pakte demonstratief een tweede pil, die hij vervolgens naar binnen wilde gooien. Hij dacht erover na en stopte het toen in zijn broekzak en nam plaats. Laat nu maar komen, dacht hij, en bekeek de anderen die een pil namen en wegslikten met cola. Hierro was samen met de meisjes sigaretten aan het opsteken en wilde naar de bank lopen. Na een ingeving bleef hij staan zodat ze met zijn drieën bij de eettafel bleven praten. Meredith kende Hierro langer.

            ‘Hé, hoe is het op je baan?’ vroeg ze informerend en dacht tegelijkertijd aan het feit dat hij twee jaar werkloos was geweest en toen moeite had om ook maar vijf minuten per dag iets te doen.

            ‘Jaaaa, ja, dat gaat lekker,’ zei hij met vertragende stem.

            ‘Heb je nieuw werk?’ vroeg Catelijne.

            ‘Ik ben tegenwoordig accountmanager bij Safe Systematic,’ zei hij nonchalant en knikte richting buiten. ‘Lekker op stap met de auto van de zaak, verkopen.’

            ‘Je verkoopt systemen?’

            ‘Zo kan je het ook zien. Kijk het zit zo; wij geven de systemen weg en dan ben je verplicht om voor vijf jaar, met het dan verkregen beveiligingssysteem, bij onze meldkamer aangesloten te zijn.’

            ‘En dat lukt wel?’ vroeg Catelijne terwijl ze hem van top tot teen opnam alsof ze iets onverwachts zocht.

            ‘Dat gaat prima. Ik weet niet wat het is maar op één of andere manier weet je gewoon ineens wat je beroep is waar je je lekker bij voelt. Bij mij is dat verkopen, dat zit me gewoon in het bloed. Ik voel me lekker als ik bezig ben, kan de hele dag verkopen, en verkopen en verkopen, en verkopen.’

            ‘Oh, echt waar?’

            En hij kreeg een vlaag van realiteitsbesef.

            ‘Nee, ik trek het totaal niet. In het begin dacht ik nog; lekker van de middag tot en met de avond bij de klanten langs, en zo’n systeem dat moet toch niet al te moeilijk zijn om te verkopen.’

            Hij keek haar aan. Zij zei niks.

            ‘Maar dat valt een partij tegen. Je komt bij schijtlui over de vloer, die zeiken over van alles nog wat. Het houdt maar niet op. En dan krijg ik weer een vraag waar ik het antwoord niet op weet. Het is gewoon beschamend. Ik denk dat ik met een paar weken wederom werkloos ben. En dat komt me eigenlijk wel goed uit ook want de zomer gaat binnenkort beginnen. Alleen baal ik er zo van naar mijn ouders toe, weet je?’

            Hij keek even naar Coen en Alex, die in de zithoek naast elkaar hadden plaatsgenomen en voor zich uit keken alsof ze in een trein zaten en elkaar niet kenden. Ze waren door iets geraakt. Dat kon nog lang niet de werking van de pil zijn. Hierro dacht er verder niet meer aan. Wel realiseerde hij zich dat er iets zat aan te komen. Hij had ineens zin om de tweede pil te nemen. Een onweerstaanbare drang kreeg hem in zijn greep. Het zal wel het idee zijn dat ik een pil kan nemen als ik dat wil, dacht hij. Hij wilde die tweede met beleid nemen. Hé, daar begon Meredith te praten. Ze leek hem tweehonderd woorden per minuut uit te storten. Hij zag haar hoofd in een waas en haar bewegende mond scherp afgetekend bewegen. Ze ging door met praten. Haar mond bewoog onafgebroken. Waar gaat het in godsnaam over? Dacht hij. Hij probeerde te horen wat ze zei. Hé, ze stond nog geen meter van hem vandaan. Toch? Waarom kon hij dan niet meer verstaan wat ze zei? Het leek wel alsof haar stem ergens van achter zijn oor vandaan kwam en in woord slechts ondefinieerbaar geratel. Hé, hé, héé zijn benen voelden plotseling aan alsof ze van was waren. Hij keek naar beneden. Tot zijn verbazing klapte hij niet door de knieën. Coen maakte een kleine beweging met zijn hoofd naar rechts en keek Hierro aan, terwijl zijn hoofd op de leuning lag. Hierro zei ook niks en merkte dat Coen een blik van verstandhouding probeerde te geven.

            Alsof hij door meterdiep modder waadde, probeerde hij de bank te bereiken en eenmaal aangekomen, gooide hij zich achterover en legde zijn hoofd op de rug van de leuning. Zijn geest verliet hem! Alsof zijn geest in een tweede lichaam zat dat identiek was aan de zijne, keek hij ineens naar zichzelf, ondertussen vliegend op anderhalve meter hoogte, en aan zijn zittende lichaam verbonden met een ongelooflijke dikke navelstreng. Het vliegende lichaam pakte een schaar uit een broekzak en begon in de navelstreng te knippen. Dat ging heel moeizaam. Een plotselinge schrik sloeg Hierro naar de keel. Wat gaat het lichaam met mijn geest doen als het de draad heeft losgeknipt? Vroeg hij zich af. Is mijn geest dan weg? Hij wilde roepen van; hé, laat dat eens even! Maar zijn tong voelde te dik aan. Met grote ogen keek hij toe hoe het vliegende lichaam de dikke draad steeds meer inknipte. Nu was de draad helemaal doorgeknipt. Als een losgeschoten heliumballon steeg het lichaam op en verdween de hoogte in en vloog door het dichte raam. In een flits besloot Hierro’s geest  mee te gaan met het geestlichaam. Nu zag hij hoe hij op een hoogte van een meter of vijftig op de stad neerkeek. Het lichaam bleef versnellend door de ruimte gaan. Sneller en sneller vlogen ze en toch zag hij haarscherp de verkleinende zittende Coen en Alex. Alsof hun silhouetten waren getekend en ingekleurd met een scherp aftekenend potlood. Plotseling voelde hij zich bewust aanwezig in de kamer. Hij keek om zich heen. De twee meisjes lagen uitgestrekt op hun rug op de grond met grote ogen te kijken. Hij wilde de betovering niet verbreken door te gaan praten. Met twee vingers pakte hij zijn tong vast en voelde of het nog steeds als verlamd aanvoelde. Hij probeerde Coen te zeggen. Voor zijn gevoel maakte het alleen een klank, weer maakte Coen een lichte beweging met zijn hoofd. Alles was nog steeds dansbaar en golvend. Op een of andere manier wist Hierro zeker dat het ondefinieerbare gevoel er alleen zou zijn als hem het zo uitkwam. Hij checkte zijn gevoel door naar voren te buigen en met een hand te reiken naar de colafles op de salontafel. Dat ging zonder enige tegenwerking of zonder enig disoriënterend gevoel. Hij pakte de fles, zag dat er geen dop op zat, nam met een vertraagde, zelfverzekerde beweging een paar slokken, zette de fles terug op de plaats waar hij stond, en zakte terug tegen de leuning. Nu begon alles weer te draaien. De salontafel raakte in een orkaanachtige luchtstroom terecht en bewoog in rondgaande beweging naar het plafond. Op twee meter hoogte schoot het van rechts naar links. Daar stond het weer op de plaats waar het zou moeten staan. Ongelooflijk! Dacht Hierro, zelfs de fles cola staat nog precies waar hij had gestaan en er is geen druppel gemorst!

            ‘Hé, Coen! Hé, hé, hoe gaat het?!’ schreeuwde hij naar Coen, die een kleine beweging met zijn hoofd maakte en met zijn hand een gebaar alsof hij een vriend, op honderd meter afstand, gedag zwaaide. Uit een ooghoek zag hij Alex, die een sigaret probeerde aan te staren. Hoe lang heeft die flash geduurd? Dacht hij. Hij keek op de klok en zag dat er veertig minuten voorbij waren. Voor zijn gevoel hadden het er ook vierhonderd en vijftig kunnen zijn. Alex wilde gaan praten, wist hij ineens.

            ‘Als dat geen spulletje meer is, weet ik het niet meer.’

            ‘Ik zag mezelf buiten rondzweven.’

            ‘Hé, moet je dat horen!’ schreeuwde Alex naar de onbeweeglijke Coen. ‘Hierro heeft buiten gezweefd!’

Ze begonnen op een ziekelijke, harde, en onwerkelijke toon te schateren.

            ‘Ik ben afgeslacht door een grizzlybeer,’ hoorde hij achter zich.

Nu vond Hierro het wel komisch en keek achterom en zag Meredith in kleermakers-zit op de grond zitten. Niemand anders die het komisch vond. Er hing een stilte in de kamer alsof iemand had doorgegeven hoe laat het is.

            ‘Gepakt door een grizzlybeer?’

            ‘Ja, ik wandelde op een pad door het bos en zag vervolgens een woedende grizzlybeer tussen de dennenbomen vandaan komen. Ik was totaal niet bang, en toen hij zich op mij stortte, zag ik dat ik naakt was. Ik vond het geen probleem.’

            ‘Dat betekent dat je niet bang bent voor de dood,’ zei Coen voor iedereen vrij plotseling.

Iedereen keek hem aan en zag dat hij nog steeds met zijn nek en hoofd op de leuning van de stoel lag.

Hij ging verder; ‘Kijk je moet het zo zien dat je inmiddels zo ver in de lijfelijke ontwikkeling van de geest bent, of in het niet meer als een lichaam zien waar je geest over regeert, maar als een behuizing vanwaar je toegroeit naar een gevoelloosheid. En dat van dat bos staat symbolisch gezien voor de dood.’

            ‘Hmm, misschien voelde het inderdaad zo.’

            ‘Cherie, zeg mij eens wat jij hebt gezien?’ vroeg Alex aan Catelijne.

            Zij had een gelukzaligmakende glimlach op haar gezicht. Toen ze merkte dat iedereen er naar keek verdween het snel. Hierro haastte met de lege fles naar de keuken en Alex voegde een zacht goedkeurend “ja” aan zijn actie toe, alsof hij wist wat hij ging doen.

Alex besloot de lampen uit te laten. De donkerte gaf een rustig gevoel. Hij keek weer naar het naar beneden kijkende hoofd van Catelijne.

            ‘Cherie, je hoeft je niet te schamen voor wat je hebt gedacht.’

            Ze reageerde met een snelle beweging op zijn opmerking.

            ‘Oh, nee hoor, ik schaam me niet, het was alleen zo dat ik niet helemaal wist hoe ik het moest zeggen.’

            ‘Maar?’

            ‘Het enige wat ik heb gezien is mijn hersenen helemaal los van de binnenrand van mijn schedel. Alsof ze dreven zonder geraakt te kunnen worden. Helemaal los, er was niks anders.’

            ‘Cherie, dat heb je mooi gezegd.’

            ‘En dat wil ik altijd dat gevoel, zo pijnloos wil ik door het leven gaan.’

            ‘Weet je dat ik constant aan die antilope heb zitten denken?’ zei Coen. ‘Ik kon me er maar niet van losmaken, of misschien zeg ik dat wel niet goed. De gedachte aan die antilope speelde een losse rol in het vaarwater van mijn gedachten, dat door een neonverlichte open buis stroomden zonder dat het water het gevoel had dat het naar ergens anders kon stromen. Begrijpen jullie? Het water vond het in zijn drang naar vrijheid niet erg om door een buis te stromen. Dit omdat er overal gaten in de buis zaten waar het water naar toe kon stromen als het dat zou willen, maar dat wilde het water helemaal niet, dat was het geestige ervan. Ja, nu ik eraan terugdenk, dat was inderdaad geestig.’

            Hierro had de fles water op tafel gezet en hij deelde iedereen sigaretten uit ondertussen onafgebroken kijkend naar Coen. Nadat iedereen zijn sigaret had aangestoken, vervolgde hij met: ‘En dat is wat mij het meeste intrigeerde, namelijk dat die antilope dus in staat was om zijn emoties uit te schakelen en niks meer voelde. Dat zijn emoties dus als gevoelloos aanvoelden.’

            ‘Cher, ik zal je vertellen dat ik ook daarover heb nagedacht, en ook over die negen tienden die als flarden van gedachten een beeld maakten van een Mandarijn rijdend op zijn paard door de grote verre grasvelden van Mongolië. En dan kreeg ik weer beelden van St. Petersburg uit de achttiende eeuw. Rijen donkere, bruine, huizen staand tegenover elkaar met daartussen nauwe straten. Een ondefinieerbare sfeer waarvan ik het bestaan niet eens had vermoed.’

            ‘Als een schijndood situatie,’ zei Coen.

            ‘Cher, als ik zou weten hoe ik het had willen zeggen dan was dat het woord geweest waarmee ik mijn gevoelens had kunnen samenvatten.’

            ‘Als je het zo bekijkt, was ik ook in een gevoelloze state of mind,’ zei Catelijne bedachtzaam. ‘Ik weet in ieder geval zeker dat ik ergens anders was, ergens waar mensen, waar ik geen behoefte aan had, mij niet konden vinden of raken.’

            ‘Precies,’ zei Coen. ‘Zo is het natuurlijk bedoeld, dat je in een gevoelloze schijndood situatie bent belandt. Dat je bij die negen tienden hoort, maar dat je niet te raken of te vinden bent door die andere tiende. Oh, wat zou dat heerlijk zijn om je de hele dag zo te kunnen voelen. Een rilling liep over mijn rug toen ik daaraan dacht, dat is wat het zwaarst weegt in mijn leven, wat voor mij het grootste genot van mijn inter-sociaalheid zou zijn. Dat mensen waar ik me niet mee wil identificeren, zich niet meer kunnen opdringen aan me, of niet meer opmerkingen kunnen maken die me raken, of dat ik me niet meer aangesproken voel. Alsof alles van de buitenwereld niet verder komt dan je lichaam en vervolgens direct van je afglijdt. Dat zou voor mij het mooiste zijn.’

            ‘Zoiets als een douche gordijn dat om je heen hangt en dat mensen je dan tevergeefs proberen te raken met water,’ zei Meredith.

Ze keek er net zo dom bij als de opmerking had geklonken. Iedereen voelde het zo. Er werd over nagedacht en toen was er begrip voor de analyserende gedachte. 

Buiten begon het donkerder te worden. Het maakte het zitten in de kamer op een bepaalde manier onpersoonlijk maar ook een situatie waarin je vrij makkelijk je gedachten uitsprak. Het maakte de geesten helderder.

            ‘Weet je wat ik ook zag?’ zei Coen. ‘Ik zag ons ook in een pactvorm. Je moet weten dat er zoiets bestaat als een evenwicht tussen dader en slachtoffer. Je kan het als volgt zien; die negen tienden zijn slachtoffers en die één tiende bestaan uit daders. Maar je kan het vanuit de gedachte aan schijndood, of aan het gevoel, ook andersom zien. Namelijk dat die één tiende het slachtoffer is, gevoelloos zoals je wilt, en dat die negen tienden de daders zijn. Alsof ze de agressors zijn. In ieder geval is het zo dat een slachtoffer, of iemand die een slachtofferdrang heeft, iemand voor wie het ultieme gevoel, het hoogst bereikbare, de status van schijndood is, een persoon is die een agressor nodig heeft.’

            ‘Want anders kan je ook niet de status van schijndood bereiken,’ zei Hierro.

‘Precies!’ zei Coen en stond op en begon te ijsberen terwijl hij naar de grond keek. Met bedachtzame, grote stappen liep hij heen en weer in de kamer.

            ‘Cher, ga zitten en vertel ons wat je denkt.’

            ‘Nee,’ zei Coen terwijl hij een hand ophield om Alex duidelijk te maken dat hij nog even concentratie nodig had om te bedenken wat hij wilde gaan zeggen. ‘Kijk,’ zei hij, en nam weer plaats in zijn stoel, ‘waar het dan uiteindelijk omgaat is dat je de status van schijndood bereikt. Maakt niet uit vanuit welke invalshoek je dat bereikt.’

            ‘Cher, daar ben ik naar op zoek, die status…’

            ‘Oké, oké, nou ga ik je vertellen wat ik nog meer heb gezien. Ik heb drie man van ons in een schijndood wereld gezien, van de andere twee; één iemand die dood gaat, en één iemand die een moord pleegt.’

            Iedereen voelde drang om te praten. Alex voelde zich in zijn element.

            ‘Chers en Cheries laten we onze goede vriend verder vertellen hoe hij dat heeft gezien. Ik wil weten hoe het in elkaar zit.

            ‘Met die dooie en die ene die dan een moordenaar is. Jesus Christus, hoe heb je dat bedacht?!’ vroeg Hierro met een bevallige ondertoon.

            ‘Oké, luister dan vertel ik hoe ik het heb gezien. Toen ik achterover in de stoel lag en een flash kreeg, zag ik het volgende. De schijndood-geestgesteldheid is er één tussen dood (vermoord worden) en leven. De antilope is bijna dood en de leeuw is de moordenaar, begrijpen jullie?’

            Een paar knikten van ja. Alex draaide rondjes met zijn hand ten teken dat Coen moest opschieten.

            ‘Als je het dan over vijf mensen bekijkt moet er één moordenaar zijn en één iemand moet sterven zodat de andere drie de state of mind van schijndood kunnen bereiken. En dat is dan het belangrijkste; die drie moeten dan, net als die andere twee, een opdracht vervullen waarin ze de dood bij wijze van spreken in de ogen kijken of een opdracht die als shockerend ervaren kan worden.’

            De anderen zaten te luisteren zonder echt aandachtig te zijn maar ook zonder een woord van zijn betoog te missen. Het was een ontspannen, heldere, situatie voor iedereen en allemaal wisten ze precies waarmee ze bezig waren.

            ‘Hoe zie je dat dan precies?’ vroeg Meredith.

            ‘Hoe bedoel je?’

            ‘Met hoe je dan de schijndoodstatus kan bereiken?’

            ‘Oh zo. Kijk zoals ik het zie heb je in de maatschappij mensen rondlopen, die de status van schijndood hebben. En dan denk ik aan mensen die aan de heroïne zitten, mensen die besmet zijn met het hiv-virus, en mensen die in een getraumatiseerde geestgesteldheid zijn gevallen doordat ze slachtoffer zijn geworden van extreem geweld.’

            ‘Cher, je bedoelt dat die mensen allemaal op een bepaalde manier zover zijn gekomen dat ze hun emoties hebben uitgeschakeld.’

            ‘Daar komt het wel op neer.’

            ‘Ik weet het nog zo net niet, ouwe. Ik bedoel; hoe zie je het dan voor je, en waarom die dode in het verhaal, waar is dat voor nodig?’

            ‘Oké, dat vertel ik er bij, kijk zoals ik het heb gezien is het zo dat de dood van één persoon de reden is dat de anderen de status van schijndood bereiken.’

            ‘En dan trekken ze lootjes of zo?’ vroeg Catelijne lachend.

            ‘Klopt. Ik zag het voor me als een pact van uitschakelen van emoties. Een beweging van vijf personen met als doel de status schijndood voor drie van de vijf te bereiken. En twee van die vijf offeren zich op voor de andere drie.’

            ‘Maar wie is dan wie in het verhaal?’ vroeg Hierro.

            ‘Je maakt bijvoorbeeld vijf lootjes met vijf verschillende opdrachten, één met zelfmoord, één met moord, en de andere drie met opdracht tot zelfslachtoffering. De onzekerheid dat we, als we die lootjes getrokken hebben, één persoon niet meer terug zien is dan de angst die de andere drie nodig hebben om hun gevoel, via hun opdracht, in de juiste richting te sturen naar het beoogde resultaat.’

            ‘En die moord dan?’ vroeg Meredith.

Iedereen voelde zich aangesproken door het idee. Het klonk ergens belachelijk, dat wel, maar aan de andere kant vonden ze het ook een prettige uitvlucht van hun leven van deprimerende verveling en neerslachtigheid.

            ‘Met die moord is het dan hetzelfde als met de zelfmoord, maar dan andersom. Als we dan weer met vier man samenkomen, weten we dat er één moordenaar tussen zit zodat dat dan weer een effect op de slachtoffers heeft, wat ze dan ook naar de doel gesteldheid laat groeien zoals ook zelfmoord zijn functie in het spel heeft.’

            ‘Cher, dus dat betekent dat één iemand een moord moet plegen? Hoe wou je dat in godsnaam doen? Hoe kom je aan pistool?’

            ‘Dat moet je dan zelf maar zien, je kan ook iemand wurgen tenslotte, dan kost het niks. Als het maar niemand van de vijf is.’

            Iedereen barstte uit in hysterisch lachen. Ze gilden het uit.

            ‘Cher, ik voel me alsof ik weer nieuw ben!’ gilde Alex boven het gelach uit.

Iedereen had het nodig om zich goed te laten gaan. Hierro maakte van de gelegenheid gebruik om het pakje sigaretten van Catelijne te pakken en iedereen uit te delen. 

            ‘Oké, ik zie het dus als volgt; we maken vijf lootjes, doen die in enveloppen, en plakken ze dicht. Dan neemt iedereen er een lootje uit en wandelt de deur uit. Mij interesseert het niet. Ik ben er niet bang voor. Het leven heeft voor mij geen meerwaarde meer.’

            ‘Cher, je neemt een lootje en wandelt de deur uit. Hoe zie je dat met de andere opdrachten, bijvoorbeeld aids of heroïne?’

            ‘Dan zetten we gewoon op zo’n lootje dat je aids moet oplopen of aan de heroïne moet gaan,’ verduidelijkte Coen zijn gedachten.

            ‘Cher! Cher, ik heb ineens een idee,’ zei Alex. ‘Kijk, als we nou zeggen dat iedereen een pil moet meenemen en er dan één moet nemen voordat hij of zij de opdracht moet doen. En we noemen ons pact Schijndood Vijf, omdat we met ons vijven zijn.’

            ‘Mee moet nemen?’ vroeg Hierro, die al plannen had gemaakt om de andere voor eigen gebruik mee naar huis te smokkelen.

            ‘Cher! Cher! Ik weet het nu. We doen het als volgt. Vandaag over een week moet iedereen zijn opdracht vervullen. Voordat hij of zij de opdracht gaat vervullen, moet deze eerst zo’n pil nemen en dan een half uurtje wachten, vanwege de werking, en dan de opdracht vervullen. Vandaag over twee weken komen we weer bij elkaar, maar dan met zijn vieren.’

            Iedereen liet zijn blik over de andere vier gaan. Meredith en Catelijne vonden het zo’n slecht idee nog niet.   

            ‘Ik weet het niet, ik weet het gewoon niet,’ zei Hierro.

            ‘Cher, je leven is gewoon klote, we doen het gewoon. En weet je wat we doen? Degene die de opdracht niet vervult, mag door de andere vier geëxecuteerd worden.’

            ‘Na het trekken van je lootje moet je meteen de deur uitlopen en mag je volgende week niemand van de vier bellen of spreken. We zien elkaar weer bij de begrafenis van de vijfde. Anders niet,’ voegde Coen toe terwijl hij op zijn stoel naar voren bewoog en zich volledig besefte dat het ook zijn eigen begrafenis zou kunnen zijn.

 

           

[ 20:09 ] [ 9/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Deel I Hoofdstuk 5

 

Hoofdstuk 5: Alex

 

 

 

            Nadat ze het plan hadden bedacht, hadden ze nog uren zitten praten en filosoferen. Alex had sinds lange tijd weer eens het gevoel gehad met iets bezig te zijn. Iets dat hem echt kon bezighouden. Iets dat een bepaalde duidelijkheid gaf met hoe ze over het leven dachten. En toen hij tijdens het gesprek een joint had opgestoken, was het alsof hij weer werd geraakt door de pil. Hij zag een regen van metaalachtige schilfertjes op zijn lichaam terechtkomen, die vervolgens, van binnenuit, naar buiten toe prikten zonder dat hij zich had afgevraagd hoe ze daar terechtgekomen waren. Gekscherend had hij nog gezegd dat ze hun pact maar Schijndood Vijf moesten gaan noemen en nu hij erover nadacht herinnerde hij zich weer dat niemand daar een mening over had gehad, en hij toch niet het gevoel had dat ze daarmee de naam wilden afkeuren. Ze waren er toen gewoon geweest en hadden niet gereageerd. Meer niet.

Zelfs Hierro die aanvankelijk zijn bedenkingen had, was naarmate de avond begon te vorderen, steeds enthousiaster geworden. Dat kende Alex van hem; dat was zo’n type die eerst bedenkingen had en daarna de fanatiekste om het uit te voeren. Vooral het idee dat ze iemand mochten ombrengen, als deze de opdracht niet had vervuld, vond hij zo helder en steriel omdat ze dan niet een moord zouden plegen uit antigevoelens ten opzichte van de persoon, maar omdat het dan een teamdaad zou zijn. Net als dat degene die de opdracht niet zou vervullen, het geen probleem zou vinden om vermoord te worden. Niet zozeer omdat de persoon zo graag dood wilde, maar meer uit een oogpunt dat de dood werd gezien als dat de geest gewoon was afgestorven en er niets anders zou zijn dan dood vlees. Meer niet. Alex was er lyrisch van geworden. Waarom niet? Waarom zou je niet dood kunnen gaan? Wie zegt je dat je tot en met je 75ste moet leven? Niemand toch zeker? En heen en weer lopend had hij van de pil een na-flash gekregen en had vervolgens, in zichzelf gekeerd, voortdurend gepraat tegen niemand, analyserend in de trend van; ja maar ouwe luister dan, en, hé je moet het zo zien etc.

            Nadat Alex dit had gadegeslagen was hij tot de conclusie gekomen dat de lootjes moesten worden gemaakt. Dat had hij gedaan door met zwarte viltstift vijf opdrachten te schrijven op vijf stukken papier. De vijf stukken papier had hij in vijf enveloppen gestopt. Hij  had ze in een kartonnen doos gegooid en vervolgens iedereen laten roeren. Vervolgens was hij, met de doos in zijn hand, bij Hierro begonnen, had hem een envelop laten nemen, en had hem met een pil de deur uitgezet, herinnerend aan de afspraak dat niemand een ander mocht spreken voor de begrafenis van degene die zelfmoord had getrokken. Nadat hij zo iedereen één voor één de deur had uitgezet, was hij overgebleven met de laatste envelop. De envelop had hij op de salontafel gelegd, had in de keuken een kop thee voor zichzelf gemaakt, nam toen plaats op de bank, stak een sigaret op, en werd zich bewust van het feit dat er nu echt iets met zijn leven stond te gebeuren. Wat voor hem op de salontafel lag, zou zijn leven echt gaan veranderen. Hij had een zekerheid gevoeld, die hem zowat kippenvel had bezorgd. Met zelfverzekerde bewegingen had hij de envelop gepakt, open gescheurd, en het lootje eruit gehaald. In zijn eigen handschrift had hij het woord heroïne kunnen lezen en was toen met vredigheid gaan nadenken hoe hij dat allemaal zou gaan regelen.

            En nu was het dan zover. Het was die zaterdagavond. Niemand had hij mogen spreken of zien. En toen hij afgelopen week een keer naar de supermarkt liep, had hij Hierro aan de overkant van de straat zien lopen en wist vervolgens niet zeker of hij hem wel echt had gezien of dat hij dat slechts had gedacht. Wie heeft het kaartje zelfmoord gekregen? Hij? Het intrigeerde hem. 

Een paar keer had hij met de hoorn in zijn hand gezeten om iemand van de vijf te bellen en het plan af te zeggen. Maar toen besefte hij dat ze hem dan mochten executeren, en toen hij dacht hoe de status dood moest zijn, en hij de analyse erbij had gedaan dat dood ingegeven werd door het afsterven van het onderbewustzijn en dat daardoor het bewustzijn een verkleinende beweging zou maken totdat er niks meer over zou zijn, verlangde hij er op een vreemde manier zelfs naar. Maar schijndood is het doel, verbeterde hij in gedachten zichzelf.

            De spullen lagen op de salontafel. Hij keek er op dezelfde manier naar als toen hij zich afvroeg welk lot hij had getrokken. Hij had een naald geregeld en een stuk rubber om zijn arm mee af te binden. Nu stak hij maar weer een sigaret op want de gedachte om een naald in een ader van zijn arm te zetten maakte hem onrustig. Oh ja, ze moesten eerst die pil nemen, dat was waar ook. Hij stond op en liep naar de keukentafel. Hij opende de tafella en zag de pil liggen. Zal ik die wel nemen? Zal dat wel een goed idee zijn, zo samen met de heroïne? Misschien is het wel teveel van het goede, mijmerde hij terwijl hij weer een blik op de salontafel wierp. Hij kon niet geloven dat hij op het punt stond zijn opdracht te gaan doen. Nu besefte hij dat de anderen zich waarschijnlijk nu ook voorbereidden. Nee, de pil moet ik niet nemen, gewoon die heroïne opwarmen in een lepel, dan in de injectienaald, en inspuiten maar, dacht hij. Jesus Christus, wat klinkt dat in gedachten als luchtig. Even de injectienaald in mijn arm zetten. Cher, dacht hij tot zichzelf, cher, dat lijkt me zo luchtig nog niet. Misschien dat een jointje me ontspannen maakt, dacht hij ineens. Met plotselinge zenuwen in zijn lijf over dat het definitieve moment vanavond zou gaan aanbreken, zocht hij in zijn broekzakken en vond een brokje hasjiesj. Snel maakte hij op de salontafel een klein jointje klaar en stak hem aan. Hè, lekker, dit was al een stuk meer ontspannen. Hij besefte dat hij toch veel meer gestrest was geweest dan hij dat hij had gedacht. Hhhmm, nu maar even lekker doorroken en even niet naar de spullen op zijn salontafel kijken, dan zou hij zo lekker beheerst zijn om zijn opdracht te gaan doen. Starend naar het plafond rookte hij de joint. Nadat de joint was opgerookt, drukte hij hem uit in de asbak, zakte terug in de bank, voelde zich redelijk down, en keek weer naar de naald. Zou heroïne inderdaad zo fantastisch zijn als iedereen beweert? Dat je nooit, maar dan echt nooit meer een ander gevoel wil hebben? Of dat nooit meer een ander gevoel de beleving van heroïne kan evenaren? Kramp schoot in zijn arm toen hij weer een blik op de naald wierp. Nee, dat was toch een andere horde dan hij dacht. In een kort ogenblik besloot hij toch maar de pil te nemen en niet te wachten omdat hij er niet meer over wilde twijfelen. Hup, daar gooide hij hem in de mond, keek om zich heen, zag niks te drinken, stond op, en liep naar de keuken om water te drinken. Nog wetend hoe snel de pil kon gaan werken en hoe plotseling het kon inslaan, haastte hij zich terug naar de bank en nam plaats. Het zakje met de heroïne pakte hij van tafel, strooide wat op de lepel, en keek ernaar. Dan moest je met een aansteker het spul opwarmen, dan je arm afbinden, met de naald het warme spul opzuigen, en in de arm spuiten. Hij stroopte zijn mouw op en pakte het stuk rubberen slang om te kijken hoe dat ombinden zou kunnen zijn.

Het moest maar gaan gebeuren, dacht hij. Een beetje heroïne gooide hij op de lepel en hield er een brandende aansteker onder. Dat ging snel, zag hij, het spul smolt makkelijk. Alles was nu gesmolten. Hij knoopte de slang strak om zijn bovenarm. De naald zette hij in de warme vloeistof in de lepel, trok de vloeistof in de huls, en vervolgens zorgde hij ervoor, door een beetje de stop van de injectienaald aan te duwen, dat er geen lucht meer in de huls van de naald zat. Nu kwam het moment. Hij zocht een ader. Één was duidelijk zichtbaar. De naald bracht hij er naartoe. Daar raakte de naald de huid. Een siddering van schrik ging door zijn hele lichaam. Nee, dat kan ik gewoon niet, dacht hij. Hé, daar kwam in zijn gedachten een waterval los! Er was geen begrenzing. Alles was los. Met een snelle actie zette hij de lepel en de naald op de salontafel en zakte achterover. Tijdig besefte hij dat hij ook de slang moest lostrekken en viel daarna met zijn hoofd naar de leuning. Alsof een stroom water over zijn gezicht gegooid, kwam de eerste flash over hem heen. Hij wist dat hij niet na hoefde te kijken of hij nat was geworden. Met grote ogen van ontzetting kreeg hij zijn visioenen. Hij zag de naald, uitvergroot, met de heerlijke, warme vloeistof in de huls. De naald ging naar de arm, die wel op normale grootte was, en ging de ader in alsof alles van de arm van zachte roomboter was. Het deed totaal geen pijn! Hij voelde de prik niet eens. Het leek wel alsof hij daadwerkelijk het spul in de arm had gespoten. Hij bleef zo nog een tijdje in de bank zitten en nadat hij het gevoel had dat hij wel weer bewust in het hier en nu was, pakte hij de naald, knoopte de rubberen slang om zijn bovenarm, stak de naald in een ader, spoot de vloeistof erin, en ontknoopte de rubberen slang.   

[ 20:07 ] [ 9/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Deel I Hoofdstuk 6

 

 

 

Hoofdstuk 6: Meredith I.

 

 

            Meredith voelde aan alles dat ze er niet mee ging doen. Hoe kunnen we dit zo afgesproken hebben? Dacht ze. Wat had Coen ook alweer gezegd? Waarom was de avond zo belachelijk geëindigd? Toen ze de volgende dag om half drie ’s middags naar haar woonkamer wandelde, keek ze naar haar lootje. Ze nam plaats op de bank en rookte een sigaret in een omgeving van volle asbakken en veel lege flessen op tafels. Met een lichte glimlach van ongeloof, had ze het lootje met een magneetje op de ijskastdeur geplakt en was gaan douchen.

Ook tijdens de week had ze elke keer als ze de ijskastdeur open en dicht deed, het lootje met ongeloof bekeken. De enige verbazing die haar echt verontrustte, was dat de telefoon maar niet overging. Normaal gesproken had ze elke dag iemand van de vier anderen aan de lijn. Niemand belde. Zij wilde de betovering niet verbreken en liet het dus maar zo.

De volgende dag was ze naar haar onbetaalde werk gegaan. Ze hielp in een  tweedehands-kledingwinkel, die zich bevond in een conciërgekantoortje van een oud, verlaten schoolgebouw. Elke keer werd ze getroffen door de grootse, verlaten uitstraling van het gebouw. De koude gangen, de holle weerklinkende geluiden, de manier zoals je schoenen op de stenen vloer klonken en je wist dat er verder niemand was, en het dan in het kleine kantoortje zitten net naast de ingang, met rekken tweedehands-kleding, en koffie drinken en gesprekken voeren met de initiatiefneemster van het project.

            Dinsdag wist ze weer hoe verschrikkelijk saai haar leven was en hoe ze daarvan in het weekend probeerde te ontsnappen. Een ontsnapping die de laatste tijd zwaarmoedigheid had gekregen. Eigenlijk was het moment dat ze na twee avonden stappen op zondagmiddag haar eerste sigaret rookte, haar enige moment dat ze onbewust was ten aanzien van de deprimerende definitie van haar leven.

Op donderdagavond, toen nog steeds niemand had gebeld, begon ze zich te realiseren dat er toch wel een aantal van de vijf waren, die de filosofieavond en het plan vrij serieus hadden genomen. Ze vroeg zich af wie het kaartje zelfmoord had getrokken en in gedachten grinnikte ze aan het feit dat ze volgende week ergens op een begrafenis zou zijn. Met stijgende verbazing liet ze weer de bewuste avond in haar gedachten voorbijgaan en dacht aan de snel naderende zaterdagavond. En dus fantaseerde ze over haar lootje. Hoe vermoord je iemand? Dat is toch zo goed als onmogelijk? Dacht ze. Je moet minstens een pistool hebben en daar heb ik het geld niet voor. En wie moet je dan vermoorden? Haar gedachten gingen  naar zwervers in het Vondelpark of iets dergelijks. Maar dat zou dan met een mes moeten gaan gebeuren en daar voelde ze zich niet al te zeker bij. Stel dat ik in gevecht raak, dacht ze, dan moet je ineens doorzetten en kan je ook niet meer terug. De twijfel lag niet aan de mogelijkheid van gebrek aan fysieke gesteldheid maar meer aan de geestelijke, of ze dan wel durfde door te zetten. Of ze dan zo’n persoon die dan waarschijnlijk als een losgeslagen kat zou reageren, zou kunnen vermoorden. Dat leek haar niks. Anders met pillen of zo, of met vergif. Het schoot haar te binnen. Ze gebruikte af en toe het narcosemiddel GHB. Een populaire en goedkope, vloeibare drug dat je in een drankje moest doen. Je moest oppassen met de dosering omdat ze wist dat als je er teveel van nam, je in een coma kon geraken. Iedere gebruiker was als de dood voor de overdosering. Ze zat met haar onderbenen toegetrokken naar haar bovenbenen op de bank en kreeg een ideetje. Ze kende iemand van de coffeeshop en beschouwde hem als een neukertje. Als ik die nou eens opbel en bij hem langsga? Dacht ze. Dan regel ik wat GHB, een flesje is hooguit vijftien gulden. Dat gooi ik dan in zijn koffie of in een glas cola en ga dan zelf om een of andere reden weer weg of dan laat ik hem eerst veel blowen en dan teveel van het GHB nemen en ga dan de deur uit of zo. Ze rookte een sigaret en dacht erover na. Dat zou toch niet al te moeilijk zijn. Dan moest ze natuurlijk ervoor zorgen dat bij hem het flesje zou worden gevonden. Natuurlijk zonder haar vingerafdrukken. Ze pakte de hoorn van de telefoon en draaide zijn nummer. Hij ging drie keer over.

            ‘Ja hallo, dit is het antwoordapparaat van Jeroen spreek wat in en dan bel….Ja Hallo met Jeroen,’ hoorde ze zijn stem ineens levensecht door de telefoon komen.

            ‘Jeroen hé, je spreekt met Meredith.’

            ‘Hai, hé. Hoe is het?’

            ‘Met mij is alles goed. Hé, ik zit hier met een vriendin zodat ik het niet lang kan maken maar ik vroeg me af of je zaterdag wat te doen hebt, dan kom ik langs en neem ik wat te roken mee en een fles wijn of zo.’

            ‘Zaterdagavond?’ dacht Jeroen hardop na

Hij was een lange jongen met sluik, grijsbruin haar en een grote hoornen bril. Er ging hem een lichtje branden. ‘Oh zaterdag, oh ja, natuurlijk, ja hoor, dan kan ik wel. Moet ik ze regelen?’ vroeg hij refererend aan een paar condooms.

            ‘Wat regelen? Ja, regel jij die maar inderdaad,’ zei Meredith en dacht gelijk aan de mogelijkheid om eerst nog even met hem te neuken voordat ze hem om zeep zou helpen. Het begon haar goed te bevallen. Ze voelde zenuwen die zich kalm hielden door haar hele lichaam gaan. Nu besefte ze hoe het pact in elkaar zat. Hoe het bedoeld was om als schakel in een kring van vijf personen de taak te voltooien en daarna te kijken hoe het groepsproces zou zijn. Ergens vond ze het jammer dat ze niet het gelukslootje van de schijndood had getrokken, dan had ze gevoelloos door het leven kunnen gaan.

            ‘Ik ben om een uur of acht bij je,’ zei ze en verbak de verbinding voordat hij nog iets kon zeggen.

Het lijkt wel alsof ik opnieuw tot leven kom, dacht ze. Wat is dit een spannend gevoel! Even denken hoor, hhmmm, ze dacht nog eens na over de mogelijkheid om eerst nog even met hem te neuken, maar dan mocht ze geen sporen nalaten en moest de politie denken dat het gewoon een overdosis zou zijn. Ook al zouden ze er later achterkomen dat zij er was geweest, dan kon ze gewoon zeggen dat ze was weggegaan voordat hij het spul had genomen of voordat hij er teveel van had genomen. Maar dan had ze nog het probleem van het flesje met de vloeistof. Als ze haar vingerafdrukken er vanaf zou halen en het vervolgens ergens neer zou zetten dan zou het zijn vingerafdrukken ook niet bevatten.

[ 20:07 ] [ 9/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Deel I Hoofdstuk 7

 

Hoofdstuk7:  Meredith II

 

 

 

            ‘Jeroen, hai hoe is het?’ vroeg Meredith op het laatst bedenkend dat ze niet te amicaal moest overkomen. 

Gereserveerd beantwoordde hij haar drie kussen ondertussen zich afvragend waarom ze zo enthousiast was. ‘Ook alles goed?’ vroeg hij terwijl hij zijn handen in zijn broekzakken hield en geen enkele poging ondernam om haar ook maar het idee te geven dat er tussen hen meer was dan alleen seks. Nee, meteen bij het zien van haar bleke gezicht en de roze glazen in haar bril, bedacht hij dat ze maar eens verder moesten groeien; allebei een andere kant op. ‘Kom binnen,’ zei hij en gebaarde met zijn hoofd van kom op, en liep met zijn handen nog steeds in zijn broekzakken richting het kleine keukentje. ‘Iets fris?’ vroeg hij, en zag dat Meredith haar jas uittrok.

            ‘Ja graag,’ reageerde Meredith en voelde dat ze waarschijnlijk toch te enthousiast was binnengekomen. Op een of andere manier wist ze dat haar entree als storend was overgekomen. 

            ‘Heb je nog geregeld?’ riep ze naar de deuropening en naar Jeroen, die in de keuken stond, terwijl ze zelf de huiskamer in liep. Jeroen reageerde met een wat? En een oh ja en antwoordde verder niet. Het flesje, dat ze de avond ervoor had geregeld en genoeg was om drie overdoses van te kunnen nemen, voelde warm in haar broekzak. Ze moest lachen om haar stoute ingeving dat ze eerst even een beurt ging halen en dat ze hem dan om zeep ging helpen. Jesus, wat voel ik me fantastisch! Dacht ze. Met een vreugdeglans op haar gezicht zat ze op te kijken toen Jeroen binnenkwam.

‘Kijk eens wat ik heb meegenomen?’ zei ze en haalde een papieren zak tevoorschijn. ‘Lekker twee space koeken.’

Ze keek hem ondeugend aan.

Hij wist niet wat er was maar wel dat hij zich op één of andere manier ergerde aan haar enthousiasme. Er is meer, maar wat? Dacht hij. Op zich had hij best zin om gillend gek te worden van een spacekoek. Maar de manier zoals zij ze introduceerde, maakte een bui om af te blijven van alle verkeerde middelen. Hij zette de koppen op de salontafel en nam plaats op de andere zitbank. Ze keek teleurgesteld. Ze merkte dat ze zijn gevoel moest opwekken. De koeken duwde ze wat meer naar het midden van de tafel en begon van haar cola te drinken. Ze herinnerde de afspraak om eerst de pil te nemen en dan opdracht te doen, maar vond het niet nodig. Niemand die later kon bewijzen dat ze die niet had geslikt. Ze bedacht wanneer ze hem wel wilde nemen.

            ‘Laat ik toch maar zo’n koek nemen,’ zei Jeroen terwijl hij voorover boog om één pakte uit het zakje. Hij nam een grote hap van een koek terwijl hij zonder te kijken het zakje aanreikte. Ze pakte het aan en legde het naast zich op de bank. Nu eerst maar even wachten totdat die koek bij Jeroen gaat werken en dan gooien we wel wat GHB in een of ander drankje, dacht ze. En dus begon ze een gesprek. Ze praatten over vervelende onderwerpen als de nietszeggende dingen die hij voor de zoveelste keer zei nu echt te gaan doen; zoals het stoppen met de drugs, een baan zoeken, en disciplinair leven. Strontvervelend vond ze het, maar de gedachte dat ze hem zou gaan vermoorden maakte een zekere spanning in haar aan zodanig dat ze het hem nog zou vergeven als hij voor haar ogen uit zijn neus zou gaan zitten eten. Ze wilde hem met zijn naïeve gedoe nog even van binnen voelen, wist ze plotseling zeker.

            Met een voet waar alleen een sok omheen zat, friemelde ze een beetje aan zijn broek. ‘Hé, heb je ze nou nog geregeld?’ vroeg ze.

            ‘Nee, om eerlijk te zijn ben ik ze compleet vergeten,’ zei hij. ‘Ik heb er namelijk over nagedacht en ik zat eigenlijk te denken om gewoon vrienden te zijn en niet meer met elkaar te neuken,’ zei Jeroen en gaf Meredith een sigaret, stak de zijne aan, en vergat haar vuur te geven.

            ‘Ik merkte al zoiets.’

            ‘Hhmm? Ja, inderdaad, dat leek me gewoon het beste, weet je. Je moet weten dat ik besloten heb om alleen nog maar met een meisje naar bed te gaan als ik me echt verliefd voel.’

            Daar heb je dat trieste drugsmoralistische gelul weer, dacht Meredith. ‘Verliefd? Waar heb je het over?’ Lachte ze op een manier alsof een boerenlul zich onder haar lach had aangediend.

            ‘Nou, gewoon, weet je. Kijk ik zat laatst te denken en ik dacht bij mezelf; Jeroen het is voor je toekomst beter om geen seks te hebben met vrouwen waar je niet verliefd op bent. Niet om het één of ander maar ik heb daartoe besloten. Ik wil dat soort zaken meer toekomstgericht benaderen en niet meer met terugwerkende kracht.’

            ‘Aaah, wat is dat nou weer flauw, doe niet zo lullig.’

            ‘Nee, ik heb de zaken op een rijtje gezet en ben vastbesloten, weet je wel.’

Hij begon te lachen en dat werd een vreemde hysterieachtige manier van bewegen. Het leek net alsof iemand hem had gehypnotiseerd en hem had bevolen om niet van zijn plaats vandaan te komen terwijl hij dacht op een gloeiende plaat te zitten. Nu stond hij op en begon gillend op de muur te bonken.

            ‘Aaah, die kutkoek begint te werken, aaaahh, aah, ik moet gewoon even kort gaan! Voordat ik weer normaal ben, ik ken dat met zo’n koek, moet ik even rammen en ben ik er weer!’

            ‘Ram anders even op mij,’ zei Meredith.

            Jeroen keek nu voor het eerst naar Meredith terwijl hij al die tijd naar boven had staan kijken alsof daar iets te zien was. ‘Oké, trek even snel je broek uit. Kom op schiet op trek je broek uit!’ commandeerde hij terwijl hij met zijn vinger knipte.

Meredith trok haastig haar broek uit, lachte en hoopte dat het lachen hem zou irriteren.

            ‘Oké benen wijd,’ zei hij en zette zijn bovenlichaam boven die van haar en stak zijn pik in haar kut en begon meteen te rammen. ‘Ohohohahahaohohoh,’ kreunde hij en beukte op haar in. Meredith lag verwonderd naar zijn gezicht te kijken. Daar begon hij al te komen, daar kwam hij al. Ze vond het fantastisch om te kijken naar het gezicht van degene die haar neukte in de wetenschap dat ze hem daarna om zeep zou helpen. Hij trok zich terug en begon meteen zijn broek dicht te knopen.

            ‘Oké, maar dat was dan ook echt de laatste keer,’ zei hij terwijl hij haar een peuk gaf en er zelf ook één opstak.

Met een brandende sigaret stond ze op, pakte twee bekers en liep naar de keuken. Vlak voordat ze de kamer verliet, zag ze dat hij onderuit op de bank was gaan zitten en aan zijn ogen dat er nog steeds sprake was van een sluimerende hysterica. In de keuken keek ze in de ijskast en zag een fles cola staan. Met frisdrank wist ze zeker dat het werkte. Snel schonk ze twee glazen in en goot de helft van de GHB in het glas. Ze wist dat het spul een bittere smaak had en wilde niet dat hij het zou merken. Toen herinnerde ze zich dat hij net een spacekoek had gegeten en gooide de rest er ook bij. Met de twee glazen in haar handen liep ze de kamer in. Ze voelde zich totaal niet zenuwachtig. Ze gaf hem het glas. Het vluggertje en de koek hadden een behoorlijke dorst bij hem aangemaakt want hij begon meteen en met grote slokken te drinken. Abrupt stopte hij met klokken, keek fronsend in het glas, leek zich niet te kunnen beseffen wat hij zich afvroeg, en dronk de rest van de inhoud in een teug.

            ‘Ik zie dat je dorst hebt?’

            ‘Ja, kijk, luister Meredith; dat met dat neuken, als ik weer iets van een koek heb gegeten, moet je gewoon tegen mij zeggen dat er geen seks zal zijn. Zullen we dat afspreken?’

            Meredith keek hem grijnzend aan.

            ‘Nee, ik meen het echt,’ zei hij, en wilde zijn woorden kracht bij zetten door met een wijsvinger op en neer te bewegen; even stilstaand en naar de grond wijzend, bij elke lettergreep die hij uitsprak. Het mislukte totaal want het leek alsof hij zijn hand probeerde weg te gooien. Het interesseerde hem echter niet. Hij liet zich in de leuning vallen en maakte geen beweging. Meredith nam alles met belangstelling op. Hij rilde plotseling met zijn bovenlichaam alsof hij het stervenskoud had. Hij sloot zijn ogen zonder bewust te zijn van Meredith’s aanwezigheid. Meredith stapte op en zag dat hij bijna buiten bewustzijn was. Ze sloeg met haar vlakke hand zachtjes op zijn gezicht. Hij bleef bewegingsloos. Ze glimlachte, haalde het flesje uit haar broekzak, veegde het met een doek af, dacht toen dat de technische recherche het dan nog kon achterhalen en liep ermee naar de keuken. Daar pakte ze het flesje met een vaatdoek vast, boende met een afwasborstel en met water en afwasmiddel alle sporen van het flesje, droogde het met een doek, en leek overtuigd te zijn dat het nu als gewoon zou moeten overkomen bij medewerkers van de technische recherche. Met de afwasdoek hield ze het flesje vast en liep de kamer in. Daar zag ze dat Jeroen zijn ogen half open had en apathisch staarde. Ze wist dat hij niks kon doen als hij zou willen. Het lichaam voelt dan als verlamd. Het flesje stopte ze in zijn rechterhand en zorgde ervoor dat van alle vingers, ook de duim, de afdrukken op het flesje stonden. Meteen daarna zette ze het flesje op de salontafel en besloot weg te gaan omdat ze een akelig gevoel kreeg van de mogelijkheid aanwezig te zijn als hij zijn laatste adem zou uitblazen. Ze stopte de vaatdoek in haar tas, keek bij het verlaten van de kamer achterom zoals ze in gedachten vaak had gedaan en voelde voor het eerst niet het medelijden dat ze de afgelopen dagen wel had gekend.

           

[ 20:06 ] [ 9/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Deel I Hoofdstuk 8

 

Hoofdstuk 8: Catelijne.

 

 

 

Het was bijna donker geworden op Catelijne haar avond des oordeels. Ze dacht er geringschattend over. Wat een idioterie. Ze keek nog eens naar het lootje; je laten verkrachten of je gewelddadig in elkaar laten slaan, in ieder geval een trauma oplopen door overmatig agressief gedrag van anderen. En dus was ze gaan nadenken, overdacht ze nog een keer terwijl ze de deur achter zich dichttrok en naar de tramhalte keek, om vanuit daar naar plaatsen vervoerd te kunnen worden waar ze zich een dergelijk vergrijp kon laten gebeuren.

Doordat de eerste flash van de pil had gehad, besloot ze te wandelen naar het centrum en daar te heroriënteren. Hoe wordt je slachtoffer van iets dergelijks? Had ze zich afgevraagd. In ieder geval had ze gevonden dat dit alles reden genoeg was om dit keer haar haar goudblond te verven.

Dat niemand even de telefoon heeft gepakt om te zeggen hoe belachelijk het allemaal wel niet is, dacht ze. Wat een idioten! Toch voelde ze ook een sprookjesachtige werkelijkheid toen ze aan de lichten en de rosse buurt dacht, waar ze naar wandelde. Niet zozeer omdat ze zo nodig de opdracht wilde gaan vervullen. Als het allemaal niet zou lukken zou het ook prima zijn, maar meer uit nieuwsgierigheid om het toch maar geprobeerd te hebben. Ze dacht aan de donkere steegjes rondom het wallengebied, steegjes waar niemand kwam behalve gebruikers en geweldenaren. Of ze had nog even bedacht om naar het thuishonk van de Hell’s Angels te gaan. Of naar de straathoeren aan de Theemse weg en daar wat meer op de achtergrond te treden en in de donkere bosjes die zich daar bevonden, een agressor tegen te komen, die haar de status van schijndood zou kunnen brengen. Want dat was waar ze wel bewust van was; dat op haar lootje de woorden trauma door geweld betekende dat ze de gelukkige was om de rest van haar leven in gevoelloze schemer door te brengen.

            Met haar korte rokje en daaronder schoentjes met een klein hakje, wandelde ze over de brug en liep het grachtengordel-circuit binnen. Hier waren meer mensen op straat. Twee islamitisch uitziende jongemannen kwamen haar tegemoet lopen en keken goedkeurend. In plaats van naar de grond te kijken, zoals ze dan gewoonlijk deed of gewoon stoïcijns recht vooruit kijken, keek ze nu degene die haar het dichtst passeerde glimlachend en verleidelijk aan.

            ‘Hé meisje, waar gaat jij naar toe!?’

            ‘Rot op lul.’

            Ze keek of de opmerking effect had. Dat had het inderdaad want terwijl ze hun weg vervolgden, lachte de kortgeknipte jongeman naar de andere en praatte met grote kracht enkele onverstaanbare Arabische woorden waar de andere om lachtten, ondertussen hun weg vervolgend. Nadat Catelijne op tien meter afstand was, hoorde ze achter zich: ‘Alle Nederlandse vrouwen zijn grote hoeren!’ Ze draaide zich om en stak een middelvinger op terwijl ze de jongeman aankeek, lachte hem uit, draaide zich om, hield de neiging om te gaan rennen onder controle, en wandelde verder in afwachting wat er ging gebeuren. Nu klopte haar hart wel in haar borst. Na een seconde of dertig draaide ze zich om en zag de twee jongemannen op honderd en vijftig meter afstand en wist dus dat de opzet was mislukt. Weer werd ze overspoeld door een flashgolf, in werking gezet door de pil die ze een uur geleden had genomen. Een tweede hersengolf kwam over haar heen. Ze voelde het als spannend. Snel zocht ze naar een sigaret omdat ze meende dat rokend het flashgevoel beter vastgehouden kon worden. Niet zozeer om de gedachte naar een ander te kunnen verwoorden maar meer als houvast naar haar eigen toekomstige belevingswereld. Het idee vermaakte haar, ze voelde zich vrijer zo met het gevaar op de loer. Ze merkte haar eigen geestverandering. Ze versnelde haar pas en wandelde de Zeedijk op in de hoop dat in donkere steegjes iets te kunnen oplopen. Even rondkijken. Bij nu linksaf kwam je alleen maar toeristen tegen en rechtsaf dacht ze wel een paar steegjes tegen te kunnen komen waarvan ze meende te herinneren dat daar werd gebruikt en dat je daar tuig van de richel kon tegenkomen. Misschien word ik wel met geweld beroofd, dacht ze. En dus wandelde ze de gracht af, de donkerheid in, en keek naar de grote huizen en naar een steegje dat er verlaten uit zag. In tegenstelling tot aan de andere kant, bezien vanaf de Zeedijk, was hier geen mens op straat. Haar schoenen maakten op de keien een geluid alsof ze tweehonderd meter ver nog te horen waren. Mooi, dacht ze, dan kan iemand achter een muurtje mij opwachten, of achter een boom, en me dan bespringen en dan verweer ik me zodat de persoon geweld moet gebruiken om mijn geld te kunnen pakken. Haar handtas drukte ze wat dichter tegen haar lichaam en wandelde verder. Daar kwam het eerste steegje al, meestal waren hier gebruikers en ander soort enge creeps. Alvast naar rechts kijkend wandelde ze door totdat ze het steegje kon inkijken. Een grote verlatenheid viel haar ten deel. Het steegje was in niets wat ze verwachtte. Grote straatlampen hingen aan de muren, die het geheel een toeristische uitstraling gaven waardoor de stilte haar wilde laten blijven staan en van de lange, verlichte ruimte wilde laten genieten.

Er was toch iemand! Haar hart klopte in de keel. Ze schrokken zich rot. Halverwege de steeg stond achter een plantenbak, op zo’n vijftig meter afstand, een negroïde man doodstil naar haar te kijken. Hij droeg een petje en had een gezicht waaruit je kon concluderen dat het effect van de drugs een krankzinnigheidsgevoel bij hem hadden veroorzaakt en dat hij het onder controle probeerde te krijgen om de simpele reden dat het loslaten van de krankzinnigheid hem niet de zekerheid gaf dat hij dan in zijn overlevingsrituelen zou kunnen blijven bestaan. Met andere woorden; je kon op zijn gezicht een beginnende krankzinnigheid zien die hij niet storend vond uit moralistisch oogpunt, maar uit onzekerheid dat als hij zichzelf zou loslaten, hij misschien opgenomen zou worden in een psychiatrische inrichting. Nog steeds stond hij onbeweeglijk te staren naar Catelijne, die wist op een of andere manier dat hij zo zou blijven staan totdat ze in beweging zou komen. Voor hetzelfde geld keek hij onbewust en was hij in een dagdroomtoestand. Ze besloot hem als ongevaarlijk te interpreteren en liep door en keek uit naar een nieuwe steeg. Of was het misschien niet zo’n goed idee om het hier in het centrum te gaan zoeken? Ze overdacht haar andere plannen. Ze kon ook nog naar het Hell’s Angels place gaan, maar dat was zowat buiten de stad en volgens haar mochten vrouwen niet binnen komen, werd je bij de deur geweigerd. Zo ging het haar niet lukken. Midden op straat draaide ze zich om en keek eens om zich heen. Op honderd meter afstand zag ze mensen over een stukje Zeedijk lopen. Niemand die naar rechts keek, iedereen keek recht vooruit. Ze vond het een leuk zicht. Het gaf haar het gevoel van anoniem in een groep zijn. Nu keek ze weer de donkere gracht af en volgde met haar ogen een auto, die aan de overkant voorbij reed. Ze moest glimlachen om haar eigen gedrag. Was ze nu echt bezig met haar opdracht?

We zien elkaar pas weer op de begrafenis van de zelfmoordenaar, dacht ze. En toen Coen dat had gezegd, had daarin geen enkel leedvermaak geklonken. Ze had zelfs aan zijn gezicht kunnen zien dat hij volledig bewust was van het feit dat het ook zijn eigen begrafenis zou kunnen zijn. Ze keek nog eens rond. Het zou haar hier niet lukken om de opdracht te voldoen. Ze wist eigenlijk nog maar één mogelijkheid. Naar de straathoeren van de Theemseweg gaan. Misschien dat ze daar iets zou kunnen oplopen. Dus begaf ze zich naar het Centraal Station om op een bus te stappen, die haar naar de Theemseweg zou brengen, een straat van een industrieterrein in West. Met doortastebde tred liep ze het Damrak over en dacht na. Als ik nou eens een hoertje speel en dan tijdens het pijpen de man in zijn pik bijt, dacht ze, dan moet het wel lukken, dan word ik gewoon op een afgelegen plaats afgetuigd en heb ik voldaan. Ze streek met haar hand even over haar wangen. Hoe zou het voelen om goed in elkaar geslagen te worden zonder dat je iets kan doen? Zal het me bevredigen? Ze vroeg zich af wat ze dan zou doen. Het was in ieder geval beter dan het deprimerende gevoel waartegen ze de laatste jaren een gevecht was aangegaan. Of beter gezegd; een latent gevoel van wachten en doorgaan met gebruiken. Een buschauffeur vertelde door een openstaande deur welke bus ze moest nemen. Ze zat in de juiste bus en keek naar buiten en volgde hoe ze naar de rand van de stad reden. In haar gedachten zag ze het gezicht van de chauffeur toen ze naar de Theemseweg had gevraagd. De dingen die ze nu meemaakte, oh, was ze daar maar veel eerder achter gekomen, dacht ze wrang; dan had ik er nog van kunnen genieten. De bus reed naar een buurt waar ze grote kantoorgebouwen los van elkaar in het landschap zag staan. Ze wist dat er nu geen mens te bekennen zou zijn. Als het niet lukt, heb ik het geprobeerd hoor, besloot ze en moest weer lachen om het serieuze gezicht van Coen toen hij voorstelde dat degene die de opdracht niet vervuld bleek te hebben, geëxecuteerd mocht worden door de anderen. Dat zijn ze toch niet echt van plan, hè? Dacht ze en boog met haar gezicht en bovenlichaam naar het middenpad om door het voorraam van de bus te kunnen kijken of ze niet zo langzamerhand moest uitstappen. Op een weg overdwars, zag ze een grote rij auto’s langzaam, met hun lichten aan, achter elkaar rijden alsof het een begrafenisoptocht betrof. Want niet alleen was het tempo langzaam, iedereen leek gedwee te zijn met zijn plaats in de rij. Dan moesten daar verderop de hoeren staan, op straat, net achter de struiken die het uitzicht belemmerden. De bus reed voorbij de weg en stopte bij een bushalte. Zij stapte als enige uit. De bus reed weg.

Iedereen in de bus keek naar haar tot ze haar niet meer konden zien.

Toen de bus vijftig meter verderop reed, stak ze de weg over om aan de rechterkant van de weg en naast de langzaam rijdende auto’s, naar het punt te wandelen waar alle hoeren moesten staan. Ondanks de drukte van veel auto’s, heerste er toch een bepaalde serene rust. Soms toeterde er een auto omdat het bestuurder het te lang vond duren en om aan te geven dat de bestuurder vooraan, die waarschijnlijk door het open autoraam een gesprek voerde met een hoer, en de hele rij ophield, of door moest rijden of de knoop moest doorhakken.

            ‘Hé schatje, wat moet je kosten?’

            Alsof ze uit een slaap werd gerukt. Ze keek opzij en zag een man achter het stuur van een nieuwe Opel. Ze wist aan zijn nette kleding en overkomen, waar een vreemde smaak aan zat, dat de auto niet van hem was. Vette massa maakte zijn hemd strak gespannen. Een grote kop grijnsde haar tegemoet. Even twijfelde ze.

            ‘Omdat je zo’n schijtlelijke vent bent wil ik het dubbele.’

            Hij keek even snel naar voren omdat de stoet met auto’s weer langzaam in beweging was gekomen en had een gestrekte arm op het stuur liggen.

            ‘En wat moet je hebben voor anaal?’ vroeg hij, haar aankijkend, weer met een grijns.

            ‘Voor vijfhonderd Gulden steek ik een bezemsteel in je reet,’ zei ze nu ook met een grijns en reikte met haar gezicht even naar het open passagiersraam. De man keek met een strak gezicht haar aan en drukte toen op een knop in de leuning van de rijderstoel zodat het zijraam van de passagierskant langzaam dichtging. Catelijne keek verwonderend en had even spijt van de opmerking. De man had iets zieligs, zag ze, toen ze hem bekeek terwijl hij verder stuurde. Snel liep ze verder. De volgende auto begon te passeren. Ze keek op en zag vijftig meter verderop een aantal, soortachtige bushokjes in een grote kring staan, waar auto’s een halve cirkel reden en vervolgens over dezelfde weg terugreden. In de schemer, omdat de nacht donker was maar daarentegen de lichten van de auto’s verlichting gaven, zag ze een vijfentwintig-tal vrouwen staan, op nog geen meter van elkaar. Wat zal ik nu doen? Vroeg ze zich af. Het idee om een met een vent mee te gaan, zoals ze daarnet was tegengekomen, stond haar niet aan. Gewoon maar ertussen gaan staan en dan maar kijken met wie mee te gaan en dan naar een verlaten plekje rijden en hem in zijn lul bijten tijdens het pijpen of op een andere manier proberen hem agressief te krijgen. Oplichten of iets dergelijks. Ze moest lachen omdat ze dacht aan een mogelijke reactie. Ze naderde de eerste vrouwen. Ze hadden allemaal een gezicht alsof ze ooit een plotselinge, enorme pijn hadden ervaren. Ze wist meteen dat ze waarschijnlijk heroïnespuiters waren. Daar zag een plekje van ongeveer twee meter breed, zo tussen de tiende en de elfde hoer.

            ‘Zeg schat dat lijkt me niet de bedoeling, hè?’

Catelijne keek op en zag een heroïnehoertje met lang piekerig haar en strakke zwarte broek die op anderhalve meter zich schrap tegenover haar posteerde. Met denigrerende glimlach wilde Catelijne om haar heen lopen.

            ‘Hé,’ zei de hoer terwijl ze Catelijne een trap gaf. ‘Moet ik je anders effe in elkaar tremme.’

            Nu keek Catelijne verbaasd en zag ongeveer tien hoeren zich rondom hen beginnen te verzamelen.

            ‘Wat denk je wel niet! Denk je hier ons geld uit de mond te kunnen snaaien,’ zei de hoer terwijl de anderen zich bezig hielden met uitspreken van, voor Catelijne, onverstaanbare scheldwoorden.

            ‘Hoezo?’

            ‘Nou, als je niet snel zorgt dat je binnen tien seconden bent opgerot, trappen wij je effe in elkaar. Dit is ons gebied dus opfucke!’

            Snel keek Catelijne om zich heen. De auto’s reden langzaam voorbij alsof niemand het opstootje had gezien. Zo is het natuurlijk niet bedoeld, dacht Catelijne. Haar opdracht luidde echt meer dan dat en daarnaast had ze geen zin om voor de ogen van een stelletje hoerenlopers in elkaar geslagen te worden. Dan zouden er vervolgens twee klappen uitgedeeld worden en zouden de partijen uit elkaar gehaald of tot rust gemaand worden. Schouderophalend en verbaasd over zoveel ophef besloot ze weg te wandelen terwijl ze de hoeren nog eens aankeek in de trend van dat het niet uit angst was waarom ze wegging.

            ‘Effe proberen met dat hoerige, blonde kleurtje van je!?’ hoorde ze iemand naroepen en dat de hoeren een poging van in lachen uitbarsten ten beste gaven. Catelijne wilde zich omdraaien om iets terug te roepen maar bedacht zich en stapte van de bestrating in een rietachtige stuk grond waar ze ook wat bosjes zag staan, die verderop over gingen in een klein bosachtig gebied. Ze stopte om na te kunnen denken.

            ‘Ook daar niet schat! Oprotten!’ hoorde ze achter zich roepen zodat ze maar weer door het rietachtige gras naar de bomen wandelde en ondertussen om zich heen keek naar waartoe te gaan. Dan moest ze maar zeggen dat het mislukt was, maar dat ze het in ieder geval had geprobeerd. Met het hoofd iets voorovergebogen liep ze door het tien meter lange bosje waardoorheen ze de lichten van de straatlantaarns van de weg die daarachter lag, kon zien schijnen. Geritsel klonk plotseling intensief en hield aan waardoor ze opkeek en nog net kon zien dat iemand met grote snelheid op haar stortte. Samen kwamen ze op de grond terecht. Ze voelde hoe haar handen op de grond werden gedrukt. In eerste instantie was ze niet van plan te schreeuwen. Dat kwam omdat ze er op een vreemde manier van overtuigd was dat de persoon een bekende was en haar een geintje probeerde te flikken. Na een paar seconden kwam ze tot bewustzijn dat dit wel degelijk ernst was omdat de persoon, nog steeds met kracht, haar op haar buik legde en omdat ze logischerwijs besefte dat ze hier waarschijnlijk geen bekenden zou tegenkomen. Toch had ze even de vreemd aanvoelende gedachte gehad. Ze voelde hoe haar handen op haar rug naar elkaar werden geduwd en dat ze met tape aan elkaar werden gebonden.

            ‘Help!’ schreeuwde ze. En meteen nog harder; ‘Helluppp!!!Hellep!!!’ Ze bekeek de hoerenbijeenkomst terwijl ze in het bos op de grond lag. De verlichting, vanuit het donker bekeken, en de stilte van het bos en de geur van bomen en gras, maakten het beeld vredig en rustig. Het leek haar best waarschijnlijk dat plotseling iemand naar het bos zou wandelen. Ze was geschrokken maar op één of andere manier niet geschokt. Ze kon haar handen niet meer bewegen en voelde dat sterke handen haar ruw bij de bovenarmen pakten en haar omdraaide.

            ‘Zo en dan zullen wij nog eens bespreken hoe we dat interpreteren, hè?’ sprak de man beklemtonend.

Ze zag dat het dezelfde man van daarnet was, nu schuimbekkend, en met een verwrongen, kwaad gezicht. Ze kon niet geloven dat het de Opel-rijder was. Plotseling gierden zenuwen door de keel. Haar handen probeerde ze los te krijgen. Ze kon ze nog geen millimeter bewegen. Een hand werd op haar mond gelegd. Ze voelde hoe iets kouds op haar keel werd gedrukt. Haar ogen sperden open toen ze zich realiseerde dat het een mes was. Nu voelde ze een angst en besefte dat ze volkomen was overgeleverd aan het lot.

            É[MSOffice1] én kik en ik maak je af,’ siste de man in een oor.

Snel knikte ze een paar keer van ja. De man leek overtuigd dat ze niks meer zou roepen. Langzaam haalde hij zijn hand van haar mond en hield het mes op haar keel gedrukt. Het deed pijn. Het leek wel alsof haar keel werd afgeknepen. Met zijn andere hand begon hij ruw haar kleding af te rukken. Hij keek naar haar ontblote onderdeel.

            ‘Zo, en dan gaan we nu een gratis ritje maken,’ zei hij en lachte op winnaartoon en gulpte zijn rits open.

Catelijne voelde hoe zijn stijve pik bij haar naar binnen werd geramd. Het deed ongelooflijke pijn. Hij ramde er op los. Ze draaide haar hoofd opzij.

            ‘Nee, nee, schatje,’ zei hij, terwijl hij het mes harder aandrukte. ‘Ik wil dat je naar me kijkt.’ En hij lachte binnensmonds toen ze haar hoofd bijdraaide. Hij kon zien dat ze onbewogen probeerde over te komen en dat ze angst en ongeloof in haar ogen had staan. ‘Hehehehehee,’ steunde hij en begon te verhaasten. ‘Hehehehe,’ en maakte even oogcontact, ‘heheheheheaaah aaaahaaah,’ kreunde hij en kwam klaar. Hij trok terug en legde zich naast haar. De hand met daarin het mes lag op de grond. Catelijne probeerde meteen weg te rollen.

            ‘Hé, vuile teef, ik ben nog niet klaar met je! Hier blijven!’ Hij bewoog naar de rollende Catelijne, die nu op haar benen probeerde te gaan staan. Twee handen probeerden haar bij het bovenstuk van haar kleding vast te grijpen. Ze rukte zich los, stond overeind, en haastte zich zo snel mogelijk naar de bosrand nog geen vijf meter verderop en betrad het verlichtende gedeelte met uitkijk over de rijen auto’s en de hoerenplaats. ‘Help!,’ schreeuwde ze zo hard ze kon en wist zeker dat iemand in een passerende auto haar gezien moest hebben. Ze draaide zich om bekeek snel en onderzoekend de bomenrand van links naar rechts en zag dat het stil was en dat haar belager was verdwenen. Strompelend haastte ze naar de heroïnehoeren.

           

[ 20:05 ] [ 9/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Deel I Hoofdstuk 9

 

Boek Twee

 

 

Hoofdstuk 1.

 

 

 

            Rik Hoogentil zat aan zijn bureau te schrijven in een rapport. Zijn partner was er nog niet. Ze zal zo wel komen, dacht hij. Hij keek naar haar lege, vrijstaande bureau op een meter afstand van het zijne. Meer kan er in de kamer niet bij, dacht hij met zelfspot op zijn gezicht, dat een egaal witte huid had en bij zijn nek rood wit gevlekt. Hij had net zo goed notaris kunnen zijn, zo met zijn kortgeknipte, donkerbruine, glimmende haar, dat hij in een scheiding droeg, oren vrij, en opgeschoren en met zijn  kleine, ronde, goudkleurige, bril op zijn neus. Rik was drieëndertig jaar oud en droeg altijd een stropdas tijdens het werk terwijl het niet verplicht was. ‘De kantoorklerk’ werd hij genoemd. Hij maalde er niet om. Wat kon hem het schelen hoe hij werd genoemd. Hij had afgeleerd om zich druk te maken over bijnamen omdat als je dat deed, de situatie alleen maar verergerde. En dus deed het hem niks en ging hij er gekscherend op in als hij zo werd genoemd. Zo slecht was zijn bijnaam nou ook weer niet, er waren slechtere. Zoals bijvoorbeeld: het stinkdier of het ligmatras.

            Hij verveelde zich en keek om zich heen en toen naar het raam dat met half dichtgedraaide luxaflex het uitzicht op het kanaal dat naar de haven van Amsterdam leidde, voor een gedeelte onmogelijk maakte. Op de Houtmankade kreeg je de indruk niet in de stad te werken. Voor het politiebureau lag een weg en daarachter een twintig meter breed, kanaal. De weg was tijdens de avondspits druk bevolkt met auto’s die naar de weg achter het centraal station wilden rijden, om zo eerder de snelweg te kunnen opdraaien, dachten ze. Het was al bijna vijf minuten over negen zag hij op zijn horloge en besefte dat zijn partner te laat was. Zelf had hij er de gewoonte van gemaakt om dagelijks minstens een kwartiertje eerder aanwezig te zijn, zodat hij zich even kon voorbereiden op de werkdag. Natalie was totaal anders, die kwam altijd rokend de kamer binnenzetten, smeet haar tas op het bureau, en kon dan meteen beginnen met werkzaamheden. Liever met een kop koffie maar kon ook zonder, als ze haar sigaretten maar bij zich had. Met haar vijfenveertig jaar was ze al op weg om oud te worden, tenminste in haar gezicht en in haar benen, die niet meer het bloed naar de voeten lieten lopen zoals hoorde te zijn. Als Rik dan vroeg: ‘Waarom stop je dan niet met roken? Daar komt het natuurlijk door.’ Keek ze hem met een expressieloze blik aan en kreeg hij vervolgens het idee dat ze er de neiging van kreeg om eerder meer dan minder te gaan roken. Haar verslaving was voor haar een heiligheid waar niemand mocht aan komen. Meewarig schudde hij zijn hoofd over zoveel nicotinegebruik per dag. Hoeveel rookte ze nou?  Dacht hij. In ieder geval minstens drie pakjes per dag en eindigde de dag met een fles wijn, die ze er dan in anderhalf uur doorheen joeg. Nee, want anders kon ze niet slapen, zei ze, terwijl ze aan de andere kant altijd bezig was met gezonde zaken zoals een dieet, of een middeltje dat ze in haar koffie of in een glas water druppelde en dat haar weer naar een of ander natuurlijke balans zou moeten brengen of dat dan zo gezond was. Of ze had weer iets gelezen over bloedspiegels, chemische verhoudingen in het lichaam. En dat je altijd zorg moest dragen om een dergelijke spiegel te onderhouden met dit of dat middel.

            Met twee volgepropte plastic tassen hangend aan een hand en de andere hand op haar heuptas liggend om niet van haar schouder te laten glijden, nam Natalie met twee treden tegelijk de trap. Godverdomme, dacht ze en nog net niet uitgesproken, ben ik weer te laat! En ik had me nog zo voorgenomen om daar nu eens echt wat aan te gaan doen! Ook ten opzichte van Rik voelde ze zich bezwaard. Ze wist wel dat hij geloofde in gevoelsfunctionaliteit en er niet moeilijk over deed. Maar dat was nou juist wat het was, dat hij zich daar niet over kon ergeren, en als ze dan naar ergernissen over haar te laat komen bij hem begon te zoeken, ze vervolgens echt niet te vinden waren. Het deed hem echt niks. “Nee”, proclameerde ze in gedachten zijn woorden terwijl ze gehaast de gang van de eerste verdieping betrad, die naar hun kamer leidde, “nee, want dat zou de communicatie niet ten goede komen en daarnaast kon hij altijd aan haar zien hoe bevlogen ze was, dus geen kwaad woord over mijn partnertje”.

Toen ze net samenwerkten vond ze hem zo’n brave burgerlul totdat ze hem een keer dronken op een politiefeest zag. Als een beest was hij tekeer gegaan en had zich aan alle kanten laten kennen. Maar als je hem dan de volgende dag weer tegenkwam, was hij weer zo netjes en strak als hij altijd was, en dat hij zo was op feestjes, vrouwen bij de billen grijpen, whisky per fles drinken, uitvaren op iedereen die hem niet aanstond, dat scheen hij wel vaker zo om het half jaar te hebben gedaan. Met ongelovige blik vol ongeloof had ze de eerste dagen na het feest met haar ogen hem gevolgd en geconcludeerd dat hij eigenlijk een strak aangesnoerd feestbeest was, waarbij ze begon in te zien dat er een hoop lol onder zijn serieusheid zat, en was toen begonnen hem te waarderen. Haar stroeve, blonde haar dat tot op haar schouders hing, gooide ze met een beweging van haar hoofd naar achteren voordat ze de knop van de deur pakte en opende.

            ‘Goedemorgen, ja, sorry dat ik te laat ben, ik kon er deze keer echt niks aan doen.’

            ‘Als je er wel wat aan kon doen, had ik het ook niet erg gevonden, hoor.’

            Dit soort opmerkingen wil ik in de ochtend eigenlijk niet horen, dacht ze, terwijl ze de plastic zakken neerzette. In haar verschijning kon je goed zien dat ze vroeger erg aantrekkelijk geweest moest zijn.  Ze had nu lichte walzakken onder haar ogen en neigde naar voorovergebogen lopen.

            ‘Hoe was je weekend?’ vroeg ze.

            ‘Oh, het gebruikelijke, weet je wel. Lekker met de kinderen wat doen, kijken naar het voetballen van mijn zoon, boodschappen doen met mijn vrouw. Alle dingen waar ik me prettig bij voel.’

            ‘Je zoon speelt toch bij Almerense Boys?’

            ‘Heeft net dat fanatieke wat men vroeger ook in mijn voetballen zag,’ zei hij, en balde daarbij zijn vuist om aan te geven dat hij het woord mentaliteit kon spellen. ‘Het is trouwens Almere Boys.’

            ‘Dat dacht ik eigenlijk al.’

            Waarom zei je dat dan niet, dacht Rik reflexmatig, en vroeg: ‘En hoe was jouw weekend?’

            En Natalie de Porter dacht aan haar weekend en aan hoe ze op vrijdagavond twee flessen witte wijn soldaat had gemaakt en toen op zaterdag een blind date met een man had gehad, die eruit zag alsof hij zojuist uit het mongolengesticht was ontsnapt. Gelukkig had ze na de borrel tegen hem kunnen zeggen dat ze zich vergist had en waren ze vertrokken, waarna hij, bij haar auto, nog een poging had gedaan om op haar in de bijrijderstoel terecht te komen. Ze had het ergens wel gewaardeerd dat hij brute kracht had gebruikt zonder respectloos tegenover haar wil te zijn. Toch had ze het hem nog een keer duidelijk gemaakt en had onderweg naar huis een stop gemaakt bij de avondwinkel om een lekkere fles wijn en een bak warme bami te halen. Bijna de hele zondag had ze in haar bed gelegen.

‘Oh het gebruikelijke, een beetje boodschappen gedaan, een stukje gefietst en wat gebeld met kennissen en zaterdag ben ik even naar mijn ouders gereden,’ antwoordde ze nonchalant terwijl ze ondertussen haar computer aandeed en hoopte dat Rik, met zijn kaarsrechte rug, vandaag niet al te scherp zou zijn. Niet dat ze daar niet tegen kon. Nee hoor, als hij lekker scherp tegen haar was, wist ze dat ze even door een verrot gevoel heen moest maar ook dat ze zich daarna beter zou voelen. Het was de confronterende realiteit waar ze tegen op zag. Ze wist niet goed waarom. Misschien dat ik niet het goede dieet gebruik en zitten er wél teveel koolhydraten in, dacht ze.

            Rik bekeek haar rug en zag dat het niet het goede moment was om even door te vragen omdat hij kon zien en had gehoord dat er van haar verhaal weinig waar was. Het verbaasde hem altijd dat ze wel goed in haar werk kon zijn. Hoe kan je zulke weekenden én harde werkweken combineren? Vroeg hij zich af.

‘Zal ik even een kop koffie halen?’ vroeg hij terwijl hij opstond.

            ‘Ja lekker,’ zei ze, terwijl ze in haar tas bleef rommelen.

Rik verliet de kamer en liep naar het koffieapparaat verderop in de gang. Nog nadenkend over haar manier van leven kwam hij met twee bekertjes koffie de kamer in, waar hij Natalie aan haar bureau zag zitten, met brandende sigaret in de hand van haar rechteronderarm die op een elleboog leunde, terwijl ze tuurde naar het computerscherm. De verlichting die van het computerscherm vandaan kwam en het licht van de bureaulamp creëerden een sfeer alsof het al de hele ochtend bar winterweer was geweest en nu een brandende haard voor een ontdooiend gevoel zorgde. Rik was een figuur die altijd bereid was om empathie voor collega’s te tonen totdat, na een half jaar of zo, het moment kwam dat hij er niet meer tegen kon en het eindigde met drankgelag en beestengedrag en de volgende dag overnieuw kon beginnen met beleefde ontvankelijkheid.

            ‘Hier is je koffie,’ zei hij bewust van het feit dat hij blij was als ze überhaupt kwam opdagen. Het interesseerde hem dan niet hoe laat.

            ‘Hhhmm?’  zei Natalie terwijl ze met een schuin oog keek naar het bekertje dat op haar bureau was neergezet. ‘Oh ja, dank je wel.’

            ‘Hé, wat ik nog wilde zeggen,’ zei Rik.

            ‘Stil even, ik ben iets aan het bekijken.’

            Rik keek in haar computerscherm. ‘Hé, hebben we een meldinkje?’

            ‘Hmm? Ja, inderdaad, waarschijnlijk een zelfmoordje, iemand gevonden in West. We moeten er even naartoe.’

            En meteen stond ze op en trok haar jas aan, leek de computer uit te willen zetten, deed dat toch maar niet, en zei tegen Rik: ‘Waar sta je nou op te wachten? Kom op, schiet even wat aan en drink je koffie in de auto op, let’s go!’

            Snel trok hij zijn jas aan, gooide de koffie in de wastafel, gooide het bekertje in de vuilnisbak, liep de kamer uit, en wilde de deur op slot doen.

            ‘Kom op even opschieten mijnheer Hoogentil en laat die deur maar open. Er valt toch niks te halen en we zijn hier op een politiebureau, weet je wel!’ En zonder op antwoord te wachten liep Natalie koffie drinkend naar het trappenportaal om naar beneden te gaan en de deur uit te wandelen naar de auto. Rik volgde haar. Naast elkaar daalden ze de trap af. Bij de auto liep Rik naar de stuurkant en keek nog even naar het serieus kijkende gezicht van Natalie die aan de andere kant van de auto stond te wachten tot de passagiersdeur ontgrendeld zou zijn. Daar klonk het geluid ten teken dat alle deuren waren ontgrendeld. Koffie nippend stapte ze in. ‘s Ochtends had ze nooit de intentie om zelf te rijden. Ze vond het prima dat hij het stuur nam en ze vond het ook prima om meer dan tien keer per dag koffie voor hun beiden te halen. Zo was het gewoon, zei ze dan. Rik had afgeleerd om die verhouding te praten naar geëmancipeerde gelijkheid.

‘Waar moeten we naar toe?’ vroeg hij terwijl hij de donkerblauwe Golf startte en achteruit rijdend de parkeerplaats afreed. Hij draaide terug terwijl hij vooruit wegreed. Natalie keek op een papiertje.

            ‘Middenweg tweehonderd-en-zesenzestig, dat weet ik toevallig, dat is vlak bij het Mercatorplein.’

            Rik wist ook waar dat was en reed naar De Clerqstraat om zo bij het Mercatorplein uit te komen. Natalie stak een sigaret op, zag hij uit zijn ooghoek. Hij had geen echte hekel aan sigaretten maar vond het af en toe wel irritant in de auto. Daarom hadden ze afgesproken dat ze in de auto drie sigaretten per dag mocht roken. Je zou denken dat ze deze drie dan over de dag zou gaan verdelen. Nee, niet Natalie, die rookte rustig op het eerste autoritje van de dag, van hooguit vijf minuten, drie sigaretten achter elkaar en nam het niet meer mogen roken in de auto voor de rest van de dag, op de koop toe. En dat was waar Rik zich over had verbaasd, dat Natalie, het afgelopen half jaar, niet één keer had geopperd om er dan nog één te mogen roken, ondanks dat hij had kunnen zien dat ze het af en toe flink moeilijk met de afspraak had gehad.

            ‘Weet je waar ik laatst aan begonnen ben?’ zei ze, na ongeveer een minuut en tegelijk met een rookkegel die ze tegen de voorruit aanblies.

Rik wist dat hij niet hoefde te vragen wat het was.

            ‘Ik ben laatst aan de anti-depressiva gegaan. Het zijn hele lichte, echt, het is bijna niets, maar het maakt me meteen rustiger, ik voel me er anders door, zelfverzekerder.’

            ‘Anti-depressiva?’

            ‘Het is een kuurtje voorgeschreven door mijn huisarts, ik was er voor iets anders.’  

            Vanuit zijn ooghoek zag hij dat Natalie hem zat te bekijken.

            ‘Maar wat ik zat te denken is dat het me ook iets voor jou lijkt, ik denk dat je er echt  mee gebaat bent. Nee, niet dat ik denk dat je depressief bent of zo, maar gewoon, je voelt je er gewoon sterker van, bewuster, zou ik haast zeggen. En baat het niet dan schaadt het niet.’

            ‘Die heb jij genomen?’

            ‘Ja, en moet je nu eens kijken hoe ik me voel,’ zei ze, met een verklarend gebaar van haar handen.

            ‘Laat ik het toch maar niet doen.’

            ‘Waarom niet?’

‘Waarom wel.’

‘Omdat ze zo’n gunstig effect hebben.’

‘Vind ik geen reden.’

‘Ik dus wel.’

‘Dat begrijp ik.’

Hij kon een sardonische grijns niet onderdrukken.

            ‘Ja, niet dat ik denk dat je het nodig hebt, maar gewoon.’ Natalie keek hem nog even van opzij aan, keek vervolgens naar voren en zag dat ze het stoplicht bij het Mercatorplein op rood stond en ze stil moesten gaan staan. ‘Moet je even links voorsorteren en dan eromheen rijden.’

            Rik deed het gevraagde. Bij het oprijden van de Middenweg zagen ze een ambulance vijftig meter verderop staan. Hij reed er snel naartoe en parkeerde de auto achter de stilstaande ambulance. Ze stapten allebei uit en liepen naar de voordeur. Rik drukte op de bel. Een mannenstem vroeg via de intercom wie er was. Rik maakte hen bekend, de deur ging open. Ze stegen de trap op naar het appartement van de tweede verdieping, Natalie liep achter Rik.

            ‘Weet je wat ik dit weekend trouwens ook dacht?’

            ‘Nou?’ vroeg Rik.

            ‘Kijk, ik zat wat te surfen op internet en daar kwam ik een site tegen van een Nederlandse arts die beweerde dat hij iets in graan had gevonden. Dat het gebruik van graan voor een heleboel mensen een bepalende invloed heeft op hun energiespiegel.’

            ‘Graan?’ vroeg Rik terwijl hij over de overloop van de eerste verdieping naar de trap liep, die naar de tweede verdieping leidde.

            ‘Ja, er was iets met graan, het verhaal sprak me aan. Ik heb meteen een consult geregeld. Binnenkort word ik uitgenodigd om langs te komen. Het is hier in Amsterdam.’ Ze keek even naar zijn rechte rug en zag hem de overloop van de tweede verdieping opstappen, richting een openstaande deur.

            ‘Ah, zijn jullie daar eindelijk,’ werd er meteen tegen hen gezegd toen ze het appartement betraden. Van links waar de stem vandaan was gekomen, keken Rik en Natalie een keuken in en zagen twee broeders in bedrijfskleding staan. Eén met baard, bolle buik, en bril en de ander had een onopvallend uiterlijk. Iemand waaraan je kon zien dat het een figuur was, die zich liever terugtrok. Hij stond ook een beetje achter de eerste. Rik besloot de opmerking te negeren.

            ‘Waar ligt ie?’

            ‘Hangt ie, zul je bedoelen, hiernaast in de slaapkamer,’ wees de broeder met een duim naar de muur waarachter de slaapkamer moest zijn. ‘We hebben hem maar even laten hangen tot jullie kwamen.’

Ze keken met een onderzoekende blik naar de deur die naar de slaapkamer leidde. Snel deden ze allebei een paar handschoentjes aan en duwden langzaam de deur open. Aan de linkerkant van de kamer, op een meter van het raam, hing een manspersoon aan een stuk touw, dat aan een ijzeren staaf was vastgeknoopt, dat over de twee meter breedte van de kleine slaapkamer horizontaal hing, op ongeveer vijftien centimeter van het plafond. Het touw was veel te lang want een stuk ervan eindigde vanaf de ijzeren staaf tot op het bed dat tegen een muur aanstond. Met een koelbloedige verbazing namen de twee inspecteurs de situatie op. Vrij plotseling drong ineens een scherpe, indringende, vieze lucht tot ze door. Natalie maakte met haar rechterhand een paar wuivende bewegingen voor haar gezicht en zocht oogcontact met Rik die voor zich uit bleef kijken. ‘Die hangt er al wel effe,’ zei hij. ‘Nat wat denk jij?’

            ‘Ik denk dat het hier gruwelijk stinkt en dat ik een sigaret nodig heb.’

            Allebei grinnikten ze.

            ‘Nee, ik bedoel….’

            ‘Ik begrijp wat je bedoelt.’

            ‘Lijkt me een suicijtje, junk of zoiets, in ieder geval goed depressief geweest.’

            ‘Goed speurwerk Hoogentil, in ieder geval goed depressief geweest.’

            Lachend draaiden ze zich om alsof het ze het onuitgesproken hadden afgesproken en begaven zich naar de keuken.

            ‘Haal hem maar eraf hoor, voor ons is hier weinig te doen. Breng hem eerst naar de patholoog voordat je hem aan de familie vrijgeeft, wij kijken nog even in de woonkamer om erachter te komen wie hij precies was en of we telefoonnummers van familieleden kunnen vinden en zo,’ zei Natalie tegen de twee broeders in de keuken. Ze draaide zich om en zag Rik de voorkamer betreden. Ze volgde hem. De puinhoop in de woonkamer had een geleefde uitstraling. Op de tafel, die tegen muren en in een hoek was geduwd, lag een gigantische stapel papieren. Natalie keek rond en hoorde aan geluiden dat de broeders in de slaapkamer bezig waren. De kamer was kaal en ongezellig, alles wat er stond had een functie en degene die er had gewoond, was niet iemand geweest die zijn interieur belangrijk had gevonden of had er geen geld voor gehad. Een houten kistje stond voor een laag tafeltje en aan de andere kant zag je een doorgezakte tweezitsbank die niet uitnodigde om op te gaan zitten.

            ‘Moet je dit eens kijken,’ zei Rik, nadat hij een briefje van de salontafel had opgepakt. Hij overhandigde haar het briefje. Ze pakte het aan en las het woord zelfmoord. Met stift geschreven. Ze draaide het om, om te zien of er nog wat op de achterkant stond.

            ‘Zelfmoord? Alleen zelfmoord? Is er verder nog iets van een afscheidsbrief of is dit het?’ Ze keek de kamer rond en zag aan de manier waarop de papieren op de tafel lagen, dat het niet waarschijnlijk was dat er een brief bij lag, die gevonden moest worden. Zo op het oog leek de notitie het enige die bewust was achtergelaten. ‘Als jij nog even rondkijkt in de keuken en de slaapkamer of je iets van een afscheidsbriefje kunt vinden, dan kijk ik hier nog even rond,’ zei ze tegen Rik.

           

           

[ 20:04 ] [ 9/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Deel II Hoofdstuk 1

 

Boek Twee

 

 

Hoofdstuk 1.

 

 

 

            Rik Hoogentil zat aan zijn bureau te schrijven in een rapport. Zijn partner was er nog niet. Ze zal zo wel komen, dacht hij. Hij keek naar haar lege, vrijstaande bureau op een meter afstand van het zijne. Meer kan er in de kamer niet bij, dacht hij met zelfspot op zijn gezicht, dat een egaal witte huid had en bij zijn nek rood wit gevlekt. Hij had net zo goed notaris kunnen zijn, zo met zijn kortgeknipte, donkerbruine, glimmende haar, dat hij in een scheiding droeg, oren vrij, en opgeschoren en met zijn  kleine, ronde, goudkleurige, bril op zijn neus. Rik was drieëndertig jaar oud en droeg altijd een stropdas tijdens het werk terwijl het niet verplicht was. ‘De kantoorklerk’ werd hij genoemd. Hij maalde er niet om. Wat kon hem het schelen hoe hij werd genoemd. Hij had afgeleerd om zich druk te maken over bijnamen omdat als je dat deed, de situatie alleen maar verergerde. En dus deed het hem niks en ging hij er gekscherend op in als hij zo werd genoemd. Zo slecht was zijn bijnaam nou ook weer niet, er waren slechtere. Zoals bijvoorbeeld: het stinkdier of het ligmatras.

            Hij verveelde zich en keek om zich heen en toen naar het raam dat met half dichtgedraaide luxaflex het uitzicht op het kanaal dat naar de haven van Amsterdam leidde, voor een gedeelte onmogelijk maakte. Op de Houtmankade kreeg je de indruk niet in de stad te werken. Voor het politiebureau lag een weg en daarachter een twintig meter breed, kanaal. De weg was tijdens de avondspits druk bevolkt met auto’s die naar de weg achter het centraal station wilden rijden, om zo eerder de snelweg te kunnen opdraaien, dachten ze. Het was al bijna vijf minuten over negen zag hij op zijn horloge en besefte dat zijn partner te laat was. Zelf had hij er de gewoonte van gemaakt om dagelijks minstens een kwartiertje eerder aanwezig te zijn, zodat hij zich even kon voorbereiden op de werkdag. Natalie was totaal anders, die kwam altijd rokend de kamer binnenzetten, smeet haar tas op het bureau, en kon dan meteen beginnen met werkzaamheden. Liever met een kop koffie maar kon ook zonder, als ze haar sigaretten maar bij zich had. Met haar vijfenveertig jaar was ze al op weg om oud te worden, tenminste in haar gezicht en in haar benen, die niet meer het bloed naar de voeten lieten lopen zoals hoorde te zijn. Als Rik dan vroeg: ‘Waarom stop je dan niet met roken? Daar komt het natuurlijk door.’ Keek ze hem met een expressieloze blik aan en kreeg hij vervolgens het idee dat ze er de neiging van kreeg om eerder meer dan minder te gaan roken. Haar verslaving was voor haar een heiligheid waar niemand mocht aan komen. Meewarig schudde hij zijn hoofd over zoveel nicotinegebruik per dag. Hoeveel rookte ze nou?  Dacht hij. In ieder geval minstens drie pakjes per dag en eindigde de dag met een fles wijn, die ze er dan in anderhalf uur doorheen joeg. Nee, want anders kon ze niet slapen, zei ze, terwijl ze aan de andere kant altijd bezig was met gezonde zaken zoals een dieet, of een middeltje dat ze in haar koffie of in een glas water druppelde en dat haar weer naar een of ander natuurlijke balans zou moeten brengen of dat dan zo gezond was. Of ze had weer iets gelezen over bloedspiegels, chemische verhoudingen in het lichaam. En dat je altijd zorg moest dragen om een dergelijke spiegel te onderhouden met dit of dat middel.

            Met twee volgepropte plastic tassen hangend aan een hand en de andere hand op haar heuptas liggend om niet van haar schouder te laten glijden, nam Natalie met twee treden tegelijk de trap. Godverdomme, dacht ze en nog net niet uitgesproken, ben ik weer te laat! En ik had me nog zo voorgenomen om daar nu eens echt wat aan te gaan doen! Ook ten opzichte van Rik voelde ze zich bezwaard. Ze wist wel dat hij geloofde in gevoelsfunctionaliteit en er niet moeilijk over deed. Maar dat was nou juist wat het was, dat hij zich daar niet over kon ergeren, en als ze dan naar ergernissen over haar te laat komen bij hem begon te zoeken, ze vervolgens echt niet te vinden waren. Het deed hem echt niks. “Nee”, proclameerde ze in gedachten zijn woorden terwijl ze gehaast de gang van de eerste verdieping betrad, die naar hun kamer leidde, “nee, want dat zou de communicatie niet ten goede komen en daarnaast kon hij altijd aan haar zien hoe bevlogen ze was, dus geen kwaad woord over mijn partnertje”.

Toen ze net samenwerkten vond ze hem zo’n brave burgerlul totdat ze hem een keer dronken op een politiefeest zag. Als een beest was hij tekeer gegaan en had zich aan alle kanten laten kennen. Maar als je hem dan de volgende dag weer tegenkwam, was hij weer zo netjes en strak als hij altijd was, en dat hij zo was op feestjes, vrouwen bij de billen grijpen, whisky per fles drinken, uitvaren op iedereen die hem niet aanstond, dat scheen hij wel vaker zo om het half jaar te hebben gedaan. Met ongelovige blik vol ongeloof had ze de eerste dagen na het feest met haar ogen hem gevolgd en geconcludeerd dat hij eigenlijk een strak aangesnoerd feestbeest was, waarbij ze begon in te zien dat er een hoop lol onder zijn serieusheid zat, en was toen begonnen hem te waarderen. Haar stroeve, blonde haar dat tot op haar schouders hing, gooide ze met een beweging van haar hoofd naar achteren voordat ze de knop van de deur pakte en opende.

            ‘Goedemorgen, ja, sorry dat ik te laat ben, ik kon er deze keer echt niks aan doen.’

            ‘Als je er wel wat aan kon doen, had ik het ook niet erg gevonden, hoor.’

            Dit soort opmerkingen wil ik in de ochtend eigenlijk niet horen, dacht ze, terwijl ze de plastic zakken neerzette. In haar verschijning kon je goed zien dat ze vroeger erg aantrekkelijk geweest moest zijn.  Ze had nu lichte walzakken onder haar ogen en neigde naar voorovergebogen lopen.

            ‘Hoe was je weekend?’ vroeg ze.

            ‘Oh, het gebruikelijke, weet je wel. Lekker met de kinderen wat doen, kijken naar het voetballen van mijn zoon, boodschappen doen met mijn vrouw. Alle dingen waar ik me prettig bij voel.’

            ‘Je zoon speelt toch bij Almerense Boys?’

            ‘Heeft net dat fanatieke wat men vroeger ook in mijn voetballen zag,’ zei hij, en balde daarbij zijn vuist om aan te geven dat hij het woord mentaliteit kon spellen. ‘Het is trouwens Almere Boys.’

            ‘Dat dacht ik eigenlijk al.’

            Waarom zei je dat dan niet, dacht Rik reflexmatig, en vroeg: ‘En hoe was jouw weekend?’

            En Natalie de Porter dacht aan haar weekend en aan hoe ze op vrijdagavond twee flessen witte wijn soldaat had gemaakt en toen op zaterdag een blind date met een man had gehad, die eruit zag alsof hij zojuist uit het mongolengesticht was ontsnapt. Gelukkig had ze na de borrel tegen hem kunnen zeggen dat ze zich vergist had en waren ze vertrokken, waarna hij, bij haar auto, nog een poging had gedaan om op haar in de bijrijderstoel terecht te komen. Ze had het ergens wel gewaardeerd dat hij brute kracht had gebruikt zonder respectloos tegenover haar wil te zijn. Toch had ze het hem nog een keer duidelijk gemaakt en had onderweg naar huis een stop gemaakt bij de avondwinkel om een lekkere fles wijn en een bak warme bami te halen. Bijna de hele zondag had ze in haar bed gelegen.

‘Oh het gebruikelijke, een beetje boodschappen gedaan, een stukje gefietst en wat gebeld met kennissen en zaterdag ben ik even naar mijn ouders gereden,’ antwoordde ze nonchalant terwijl ze ondertussen haar computer aandeed en hoopte dat Rik, met zijn kaarsrechte rug, vandaag niet al te scherp zou zijn. Niet dat ze daar niet tegen kon. Nee hoor, als hij lekker scherp tegen haar was, wist ze dat ze even door een verrot gevoel heen moest maar ook dat ze zich daarna beter zou voelen. Het was de confronterende realiteit waar ze tegen op zag. Ze wist niet goed waarom. Misschien dat ik niet het goede dieet gebruik en zitten er wél teveel koolhydraten in, dacht ze.

            Rik bekeek haar rug en zag dat het niet het goede moment was om even door te vragen omdat hij kon zien en had gehoord dat er van haar verhaal weinig waar was. Het verbaasde hem altijd dat ze wel goed in haar werk kon zijn. Hoe kan je zulke weekenden én harde werkweken combineren? Vroeg hij zich af.

‘Zal ik even een kop koffie halen?’ vroeg hij terwijl hij opstond.

            ‘Ja lekker,’ zei ze, terwijl ze in haar tas bleef rommelen.

Rik verliet de kamer en liep naar het koffieapparaat verderop in de gang. Nog nadenkend over haar manier van leven kwam hij met twee bekertjes koffie de kamer in, waar hij Natalie aan haar bureau zag zitten, met brandende sigaret in de hand van haar rechteronderarm die op een elleboog leunde, terwijl ze tuurde naar het computerscherm. De verlichting die van het computerscherm vandaan kwam en het licht van de bureaulamp creëerden een sfeer alsof het al de hele ochtend bar winterweer was geweest en nu een brandende haard voor een ontdooiend gevoel zorgde. Rik was een figuur die altijd bereid was om empathie voor collega’s te tonen totdat, na een half jaar of zo, het moment kwam dat hij er niet meer tegen kon en het eindigde met drankgelag en beestengedrag en de volgende dag overnieuw kon beginnen met beleefde ontvankelijkheid.

            ‘Hier is je koffie,’ zei hij bewust van het feit dat hij blij was als ze überhaupt kwam opdagen. Het interesseerde hem dan niet hoe laat.

            ‘Hhhmm?’  zei Natalie terwijl ze met een schuin oog keek naar het bekertje dat op haar bureau was neergezet. ‘Oh ja, dank je wel.’

            ‘Hé, wat ik nog wilde zeggen,’ zei Rik.

            ‘Stil even, ik ben iets aan het bekijken.’

            Rik keek in haar computerscherm. ‘Hé, hebben we een meldinkje?’

            ‘Hmm? Ja, inderdaad, waarschijnlijk een zelfmoordje, iemand gevonden in West. We moeten er even naartoe.’

            En meteen stond ze op en trok haar jas aan, leek de computer uit te willen zetten, deed dat toch maar niet, en zei tegen Rik: ‘Waar sta je nou op te wachten? Kom op, schiet even wat aan en drink je koffie in de auto op, let’s go!’

            Snel trok hij zijn jas aan, gooide de koffie in de wastafel, gooide het bekertje in de vuilnisbak, liep de kamer uit, en wilde de deur op slot doen.

            ‘Kom op even opschieten mijnheer Hoogentil en laat die deur maar open. Er valt toch niks te halen en we zijn hier op een politiebureau, weet je wel!’ En zonder op antwoord te wachten liep Natalie koffie drinkend naar het trappenportaal om naar beneden te gaan en de deur uit te wandelen naar de auto. Rik volgde haar. Naast elkaar daalden ze de trap af. Bij de auto liep Rik naar de stuurkant en keek nog even naar het serieus kijkende gezicht van Natalie die aan de andere kant van de auto stond te wachten tot de passagiersdeur ontgrendeld zou zijn. Daar klonk het geluid ten teken dat alle deuren waren ontgrendeld. Koffie nippend stapte ze in. ‘s Ochtends had ze nooit de intentie om zelf te rijden. Ze vond het prima dat hij het stuur nam en ze vond het ook prima om meer dan tien keer per dag koffie voor hun beiden te halen. Zo was het gewoon, zei ze dan. Rik had afgeleerd om die verhouding te praten naar geëmancipeerde gelijkheid.

‘Waar moeten we naar toe?’ vroeg hij terwijl hij de donkerblauwe Golf startte en achteruit rijdend de parkeerplaats afreed. Hij draaide terug terwijl hij vooruit wegreed. Natalie keek op een papiertje.

            ‘Middenweg tweehonderd-en-zesenzestig, dat weet ik toevallig, dat is vlak bij het Mercatorplein.’

            Rik wist ook waar dat was en reed naar De Clerqstraat om zo bij het Mercatorplein uit te komen. Natalie stak een sigaret op, zag hij uit zijn ooghoek. Hij had geen echte hekel aan sigaretten maar vond het af en toe wel irritant in de auto. Daarom hadden ze afgesproken dat ze in de auto drie sigaretten per dag mocht roken. Je zou denken dat ze deze drie dan over de dag zou gaan verdelen. Nee, niet Natalie, die rookte rustig op het eerste autoritje van de dag, van hooguit vijf minuten, drie sigaretten achter elkaar en nam het niet meer mogen roken in de auto voor de rest van de dag, op de koop toe. En dat was waar Rik zich over had verbaasd, dat Natalie, het afgelopen half jaar, niet één keer had geopperd om er dan nog één te mogen roken, ondanks dat hij had kunnen zien dat ze het af en toe flink moeilijk met de afspraak had gehad.

            ‘Weet je waar ik laatst aan begonnen ben?’ zei ze, na ongeveer een minuut en tegelijk met een rookkegel die ze tegen de voorruit aanblies.

Rik wist dat hij niet hoefde te vragen wat het was.

            ‘Ik ben laatst aan de anti-depressiva gegaan. Het zijn hele lichte, echt, het is bijna niets, maar het maakt me meteen rustiger, ik voel me er anders door, zelfverzekerder.’

            ‘Anti-depressiva?’

            ‘Het is een kuurtje voorgeschreven door mijn huisarts, ik was er voor iets anders.’  

            Vanuit zijn ooghoek zag hij dat Natalie hem zat te bekijken.

            ‘Maar wat ik zat te denken is dat het me ook iets voor jou lijkt, ik denk dat je er echt  mee gebaat bent. Nee, niet dat ik denk dat je depressief bent of zo, maar gewoon, je voelt je er gewoon sterker van, bewuster, zou ik haast zeggen. En baat het niet dan schaadt het niet.’

            ‘Die heb jij genomen?’

            ‘Ja, en moet je nu eens kijken hoe ik me voel,’ zei ze, met een verklarend gebaar van haar handen.

            ‘Laat ik het toch maar niet doen.’

            ‘Waarom niet?’

‘Waarom wel.’

‘Omdat ze zo’n gunstig effect hebben.’

‘Vind ik geen reden.’

‘Ik dus wel.’

‘Dat begrijp ik.’

Hij kon een sardonische grijns niet onderdrukken.

            ‘Ja, niet dat ik denk dat je het nodig hebt, maar gewoon.’ Natalie keek hem nog even van opzij aan, keek vervolgens naar voren en zag dat ze het stoplicht bij het Mercatorplein op rood stond en ze stil moesten gaan staan. ‘Moet je even links voorsorteren en dan eromheen rijden.’

            Rik deed het gevraagde. Bij het oprijden van de Middenweg zagen ze een ambulance vijftig meter verderop staan. Hij reed er snel naartoe en parkeerde de auto achter de stilstaande ambulance. Ze stapten allebei uit en liepen naar de voordeur. Rik drukte op de bel. Een mannenstem vroeg via de intercom wie er was. Rik maakte hen bekend, de deur ging open. Ze stegen de trap op naar het appartement van de tweede verdieping, Natalie liep achter Rik.

            ‘Weet je wat ik dit weekend trouwens ook dacht?’

            ‘Nou?’ vroeg Rik.

            ‘Kijk, ik zat wat te surfen op internet en daar kwam ik een site tegen van een Nederlandse arts die beweerde dat hij iets in graan had gevonden. Dat het gebruik van graan voor een heleboel mensen een bepalende invloed heeft op hun energiespiegel.’

            ‘Graan?’ vroeg Rik terwijl hij over de overloop van de eerste verdieping naar de trap liep, die naar de tweede verdieping leidde.

            ‘Ja, er was iets met graan, het verhaal sprak me aan. Ik heb meteen een consult geregeld. Binnenkort word ik uitgenodigd om langs te komen. Het is hier in Amsterdam.’ Ze keek even naar zijn rechte rug en zag hem de overloop van de tweede verdieping opstappen, richting een openstaande deur.

            ‘Ah, zijn jullie daar eindelijk,’ werd er meteen tegen hen gezegd toen ze het appartement betraden. Van links waar de stem vandaan was gekomen, keken Rik en Natalie een keuken in en zagen twee broeders in bedrijfskleding staan. Eén met baard, bolle buik, en bril en de ander had een onopvallend uiterlijk. Iemand waaraan je kon zien dat het een figuur was, die zich liever terugtrok. Hij stond ook een beetje achter de eerste. Rik besloot de opmerking te negeren.

            ‘Waar ligt ie?’

            ‘Hangt ie, zul je bedoelen, hiernaast in de slaapkamer,’ wees de broeder met een duim naar de muur waarachter de slaapkamer moest zijn. ‘We hebben hem maar even laten hangen tot jullie kwamen.’

Ze keken met een onderzoekende blik naar de deur die naar de slaapkamer leidde. Snel deden ze allebei een paar handschoentjes aan en duwden langzaam de deur open. Aan de linkerkant van de kamer, op een meter van het raam, hing een manspersoon aan een stuk touw, dat aan een ijzeren staaf was vastgeknoopt, dat over de twee meter breedte van de kleine slaapkamer horizontaal hing, op ongeveer vijftien centimeter van het plafond. Het touw was veel te lang want een stuk ervan eindigde vanaf de ijzeren staaf tot op het bed dat tegen een muur aanstond. Met een koelbloedige verbazing namen de twee inspecteurs de situatie op. Vrij plotseling drong ineens een scherpe, indringende, vieze lucht tot ze door. Natalie maakte met haar rechterhand een paar wuivende bewegingen voor haar gezicht en zocht oogcontact met Rik die voor zich uit bleef kijken. ‘Die hangt er al wel effe,’ zei hij. ‘Nat wat denk jij?’

            ‘Ik denk dat het hier gruwelijk stinkt en dat ik een sigaret nodig heb.’

            Allebei grinnikten ze.

            ‘Nee, ik bedoel….’

            ‘Ik begrijp wat je bedoelt.’

            ‘Lijkt me een suicijtje, junk of zoiets, in ieder geval goed depressief geweest.’

            ‘Goed speurwerk Hoogentil, in ieder geval goed depressief geweest.’

            Lachend draaiden ze zich om alsof het ze het onuitgesproken hadden afgesproken en begaven zich naar de keuken.

            ‘Haal hem maar eraf hoor, voor ons is hier weinig te doen. Breng hem eerst naar de patholoog voordat je hem aan de familie vrijgeeft, wij kijken nog even in de woonkamer om erachter te komen wie hij precies was en of we telefoonnummers van familieleden kunnen vinden en zo,’ zei Natalie tegen de twee broeders in de keuken. Ze draaide zich om en zag Rik de voorkamer betreden. Ze volgde hem. De puinhoop in de woonkamer had een geleefde uitstraling. Op de tafel, die tegen muren en in een hoek was geduwd, lag een gigantische stapel papieren. Natalie keek rond en hoorde aan geluiden dat de broeders in de slaapkamer bezig waren. De kamer was kaal en ongezellig, alles wat er stond had een functie en degene die er had gewoond, was niet iemand geweest die zijn interieur belangrijk had gevonden of had er geen geld voor gehad. Een houten kistje stond voor een laag tafeltje en aan de andere kant zag je een doorgezakte tweezitsbank die niet uitnodigde om op te gaan zitten.

            ‘Moet je dit eens kijken,’ zei Rik, nadat hij een briefje van de salontafel had opgepakt. Hij overhandigde haar het briefje. Ze pakte het aan en las het woord zelfmoord. Met stift geschreven. Ze draaide het om, om te zien of er nog wat op de achterkant stond.

            ‘Zelfmoord? Alleen zelfmoord? Is er verder nog iets van een afscheidsbrief of is dit het?’ Ze keek de kamer rond en zag aan de manier waarop de papieren op de tafel lagen, dat het niet waarschijnlijk was dat er een brief bij lag, die gevonden moest worden. Zo op het oog leek de notitie het enige die bewust was achtergelaten. ‘Als jij nog even rondkijkt in de keuken en de slaapkamer of je iets van een afscheidsbriefje kunt vinden, dan kijk ik hier nog even rond,’ zei ze tegen Rik.

           

           

[ 20:03 ] [ 9/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Deel II Hoofdstuk 2

 

Hoofdstuk 2.

 

 

 

            Op het bureau belden ze eerst het bedrijf waar het slachtoffer had gewerkt om te verwittigen dat hij plotseling iets had opgelopen en dat hij voorlopig niet zou komen, suggererend dat hij over de scheef was gegaan en in de gevangenis was beland, ook om zo achter het adres van de ouders te kunnen komen, dat ze in het appartement niet hadden kunnen vinden. Het enige dat ze bij het bedrijf wisten was dat hij het vaak over Purmerend had gehad. Ze belden de politie in Purmerend en deelde ze mee dat ze de ouders moesten inlichten.

De afscheidsbrief, of meer een afscheidskattebelletje, want zo was het op hun overgekomen, was een raadsel waarvan Natalie die avond maar niet kon loskomen, hoeveel witte wijn ze ook dronk en hoe ze zichzelf ook probeerde te vermaken met surfen op het internet. Het enige wat ze volgens de onderzoeksvolgorde nog even moesten doen, dacht ze, was wachten op de zelfmoordbevestiging van de patholoog en het dossier kon het archief in. 

            Toen ze dus op dinsdagochtend wat administratieve handelingen verwerkten in de computer en vooral Rik de sfeer als uitermate gezellig en positief ervoer, zag hij hoe Natalie de hoorn van de toestel pakte, een nummer draaide, en zich liet doorverwijzen naar de patholoog. Aan het gezicht van Natalie en hoe ze reageerde met haar lichaam door een aandachtigere zithouding aan te nemen, kon Rik zien dat de patholoog zich had bekend gemaakt.

            ‘Ja, u spreekt met De Porter. Ik bel nog even voor dat vervelende gevalletje van gisteren.’

            ‘Oh ja,’ zei de stem aan de andere kant van de lijn, ‘ik zal even mijn papieren erbij pakken.’

En vervolgens hoorde Natalie papiergeritsel en dat kort erna de hoorn werd opgepakt en aan het oor werd gebracht.

            ‘Dat hebben we even onderzocht, een triest gevalletje.’

            ‘Dat vonden wij ook, een zelfmoord.’

            ‘Nee, het is zeker geen zelfmoord, de jongeman is opgehangen.’

            ‘Gehangen?’ Natalie maakte oogcontact met Rik.

Hij volgde aandachtig het gesprek.

‘Gehangen? Hoe kan dat? Ik bedoel; hoe kunt u daar zo zeker van zijn?’

            ‘Dat is even te technisch om uit te leggen maar waar het op neerkomt is dat er in de verwondingen die het touw aan de nek maken, verschil zit tussen iemand die van boven naar beneden springt en iemand die van beneden naar boven wordt getrokken.’

            ‘Maar dat kan ie toch ook zelf hebben gedaan?’

            ‘Dat lukt een mens niet. Hij mist hiervoor het geestelijke vermogen. Want als je jezelf omhoog takelt laat je automatisch los op het moment dat het je teveel wordt, daarin kan je geen mentaliteit hebben. Het is trouwens de meest omslachtige manier van zelfdoding. Ik bedoel; waarom is de jongeman dan niet met een stuk touw om de nek ergens vanaf gesprongen? Nee, zoals ik het zie heeft iemand hem opgetakeld.’

            ‘Weet u dat zeker?’

            ‘In mijn vak is 95%-zekerheid de 100 en dat betekent dat ik zeker ben.’

            ‘Hhmm, en weet u nog iets over het tijdstip van intreding van de dood, hoe laat is dat ongeveer geweest?’

            ‘Aan de temperatuur van het lichaam denken wij te kunnen constateren dat het op zaterdagavond tussen elf en twaalf is geweest.’

            ‘Dat is tenminste iets. Had hij nog iets gebruikt, was er nog iets in zijn maag te ontdekken?’

            ‘Daar zijn we nog mee bezig maar daar kunt u me met een paar dagen over bellen.’

            Voordat ze ophing had Natalie nog het bewustzijn om gedag te zeggen en keek naar Rik.

            ‘Was het toch moord?’ vroeg hij.

            Met een bedenkelijk gezicht antwoordde Natalie: ‘Daar lijkt het wel op.’

            Allebei dachten ze na.

            ‘Dan moeten we toch op zoek gaan. Laten we beginnen met een bezoekje aan zijn ouders, om daar eens te gaan informeren. Bel jij ze anders even op.’

            ‘Waarom ik?’

            ‘Omdat jij een vrouw bent en vrouwen kunnen dat nou eenmaal beter dan mannen. Ik ben daar niet handig in.’

           

            Na de lunch liepen ze naar de auto en stapten in. Rik keek om de haverklap even opzij naar Natalie die meteen begon met roken van de eerste toegestane sigaret. Rik attendeerde haar dat ze ook nog terug moesten rijden. Natalie haalde lichtjes de schouders op. In Purmerend was het adres van de ouders niet al te moeilijk te vinden. Rik parkeerde de auto voor het luxueuze appartementen-complex. Ze stapten uit en liepen het gebouw in en namen de lift naar de eerste verdieping. In de lift vroeg Rik voor de zekerheid nog een keer hoe een van de ouders aan de telefoon was geweest. Natalie reageerde met: ‘gewoon.’ Ze maakte haar sigaret uit en Rik belde aan en zij gooide de peuk in de afvalemmer die naast de lift stond. De liftdeur opende. Een kleine Indonesische man stond in de deuropening van zijn appartement.

            ‘Goedendag, u bent mijnheer de Palingman?’

            ‘Komt u verder.’

            En zonder iets te zeggen stapten ze bedeesd de woonkamer in, waar een groot raam uitzicht bood op het centrum van Purmerend.

            ‘Gaat u zitten.’

            Rik en Natalie namen plaats op de bank.

            ‘Koffie?’

            ‘Graag,’ antwoordde Natalie.

Rik had eigenlijk beleefd willen weigeren.

            ‘Mag ik hier roken?’

            ‘De asbak staat op de tafel,’ klonk vanuit de keuken.

De man kwam met kleine pasjes en twee koppen koffie de kamer in, zette ze voor ze neer en nam plaats in een zitstoel.

            ‘Nogmaals gecondoleerd, natuurlijk,’ zei Rik namens beiden.

Met haar lippen maakte Natalie het woord ja zonder geluid te maken en tikte as van haar sigaret in de asbak.

            ‘Ja, ja de klap komt bij mij altijd later. Op dit moment komt het op mij nog als onwerkelijk over, zo ben ik, dat soort dingen kan ik niet meteen voelen.’

            ‘We zullen het kort houden,’ zei Rik fronsend terwijl hij naar twee deuropeningen keek, die allebei naar andere vertrekken leidden.

            ‘Mijn vrouw is op dit moment bij familie.’

            ‘Oh, oké,’ zei Rik. Hij haalde een notitieblokje tevoorschijn en een pen die hij in de rechterhand nam. 

            ‘Ik begreep dat jullie nog wat vragen hadden?’

            ‘Gewoon wat zekerheden.’

            ‘Zekerheden?’

            ‘Ja,’ zei Natalie plompverloren, ‘we denken dat het geen zelfmoord is geweest.’

            ‘Geen zelfmoord!?’

            ‘Volgens de patholoog is hij opgehangen en niet dat hij zichzelf heeft gehangen.’

            ‘Hoe is het mogelijk?!’ riep de man uit en viel met zijn hoofd terug in de leuning van de stoel en staarde apathisch voor zich uit.

Natalie en Rik zaten op het voorgedeelte van de zitting, beleefd te wachten tot de man zich had hervonden.

            ‘Had uw zoon vijanden?’ vroeg Natalie.

            De man scheen zich te beseffen waar hij was. ‘Vijanden? Iemand die hem had willen vermoorden? Nee, dat lijkt me niet.’

            ‘Had hij dan schulden; grote leningen ergens uitstaan?’

            ‘Schulden had hij wel, jullie moeten weten dat Hierro ons probleemkind was, hij gebruikte drugs, ik denk al een jaar of tien. En alleen bij mij had hij al een behoorlijke schuld uitstaan.’

            Natalie pakte het notitieblokje uit de hand van Rik, pakte ook zijn pen, en schreef op het blad de woorden: uitzoeken wie zijn dealer was en patholoog bellen en zeggen dat hij gebruikte. Rik las snel mee en knikte kort en goedkeurend. De man keek beurtelings van Rik naar Natalie en besloot niet te willen weten wat er werd opgeschreven. Natalie haalde een doorzichtig plastic zakje tevoorschijn, waar het zelfmoordpapiertje in zat.

            ‘Ik kan het niet tevoorschijn pakken maar dit hebben we in zijn appartement gevonden,’ zei ze, terwijl ze het zakje omhoog hield zodanig dat de man het woord zelfmoord door het doorzichtige plastic op het papier kon zien staan.

            ‘Zelfmoord?’

            ‘Daar staat inderdaad zelfmoord op en dat zegt ons niet zoveel. In eerste instantie dachten we aan een afscheidsnotitie. We vonden het wel een vreemde manier om enkel zelfmoord op te schrijven, maar nu denken we dat hier meer achter zit en dat het ons naar een mogelijke dader zou kunnen leiden.’

            De man boog met zijn bovenlichaam voorover om het briefje in het plastic zakje beter te bekijken.

‘Nee, nee, dat zegt me niet zoveel. Jesus Cristus, wat is dat voor een krankzinnige notitie!’ Hij tilde zijn brillenglazen naar voor zijn voorhoofd en bekeek het briefje nog eens. ‘Het lijkt wel een opdrachtenkaart die je bij Monopoly krijgt!’ schreeuwde de man uit en lachte op hoge en enigszins hysterische toon.

Natalie stond op en reikte de man een sigaret aan, die hij aanpakte en in zijn mond stak. Ze gaf hem vuur, zelf stak ze er ook één op terwijl ze terugliep naar haar plaats op de bank. Rik had alles met ongeloof zitten bekijken.

            ‘Dader?’ vroeg de man, die zichzelf had herpakt. ‘Is er een dader?’

            ‘Wij kunnen in ieder geval niet geloven dat iemand die zelfmoord pleegt, een dergelijk briefje achterlaat.’

            De man beschermde met een hand zijn ogen en wuifde met de ander een teken dat hij niet aangesproken wilde worden op de dood van zijn zoon.

            ‘Wij hebben iets van namen nodig, weet u misschien adressen van vrienden of vriendinnen van hem?’

De man keek voor zich uit en trok een pruillip. Het moest aangeven dat hij nadacht.

Natalie twijfelde of het zo was.

‘Misschien dat u weet wie zijn huisdealer was?’

            ‘Huisdealer?’

            Natalie knikte instemmend.

            ‘Hebben die gasten een huisdealer?’

            Waar dacht je dan dat ze hun spul vandaan halen, dacht Rik. Gevonden op straat of zo?

            ‘De meeste wel,’ zei Natalie en dacht; daar moesten we maar even op een of andere manier achterkomen. ‘Maar vrienden of vriendinnen?’

            ‘Vrienden of vriendinnen,’ herhaalde de man haar woorden. ‘Oh,’ hij stak een wijsvinger in de lucht, ‘er is een jeugdvriend uit Purmerend waarmee hij in Amsterdam contact heeft gehouden, een zekere……Wacht, mijn vrouw weet het wel, vraagt u het aan haar als ze terug komt.’

            ‘Kunt u haar even bellen?’

            ‘Even bellen, even bellen, ja, dat kan ik wel even doen.’

            De man stond op en verliet het vertrek. Rik en Natalie hoorden hem op de gang telefoneren met zijn vrouw en dat hij zachtjes afscheid nam. Ze zagen hem de woonkamer inkomen met een papiertje in een hand waar hij verbaasd naar keek.

            ‘Zijn naam is Alex Reijnders en zijn ouders wonen hier verderop en daar heb ik even het telefoonnummer van opgezocht en er ook bijgeschreven,’ zei hij terwijl hij het papiertje overhandigde aan Natalie.

Ze stond meteen op. ‘Als we nog iets te vragen hebben kunnen we u dan opbellen?’ vroeg ze.

De man begon een papiertje te zoeken.

            ‘Nee, laat u maar, uw telefoonnummer hebben we wel,’ verzekerde ze de man.

Gedrieën liepen ze naar de gang.

‘Is dit de enige vriend die hij daar had?’

            ‘Volgens mij niet de enige maar wel de enige die ik kende. Ik bedoel; een heleboel vrienden van hem kenden we niet.’

            ‘Nou, in ieder geval bedankt dat we mochten langskomen en veel sterkte de komende tijd.’

            Nadat ze de man een hand hadden gegeven liepen ze met gehaaste tred naar de auto en zwegen. Rik deed zijn portier dicht en wilde zijn gordel om doen en zag dat Natalie het nummer in typte op de mobiele telefoon. Rik staarde uit het raam terwijl hij nadacht. Een wijsvinger stak ze recht omhoog ten teken dat er verbinding was en dus dat Rik zijn mond moest dichthouden. Ze maakte zich bekend, stelde de andere kant van de lijn gerust met dat haar zoon niks op zijn kerfstok had, en noteerde zijn adres en telefoonnummer. Meteen toen de verbinding was verbroken, typte ze het nummer van Alex in op het toestel en bracht de mobiele telefoon naar haar oor. Rik hield zijn aandacht op de weg en stuurde de auto de snelweg op richting Amsterdam. Terloops keek hij opzij en zag aan het ietwat geïrriteerde gezicht van Natalie dat er aan de andere kant nog steeds niet was opgenomen.

            ‘Wordt er niet opgenomen?’

            ‘Inderdaad,’ bevestigde Natalie terwijl ze naar het toetsenbord van de mobiele telefoon keek alsof het daaraan lag. Meteen reikte ze naar de boardcomputer en typte de naam Alex Reijnders in. Na een seconde of vijf verscheen een stukje tekst in het zwarte scherm.

‘Hé, wist je dat ie laatst is opgepakt?’

            ‘Nee.’

            ‘Afgelopen zondag is procesverbaal tegen hem opgemaakt, ergens op de wallen zo te zien, vlakbij de Nieuwmarkt.’

            ‘Staat er een naam bij?’

            ‘Is opgemaakt door politieman Van Janssen.’

            ‘Nog nooit van gehoord.’

            ‘Ik bel hem wel even.’

[ 20:02 ] [ 9/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Deel II Hoofdstuk 3

 

Hoofdstuk 3.

 

 

 

            Op woensdagmorgen reden Rik en Natalie naar de woning van Alex. Hierro’s dealer hadden ze niet kunnen traceren. Ze achtten hem ook niet verdacht omdat ze er niet vanuit gingen dat je dief van eigen portemonnee ging zitten zijn door een klant om zeep te helpen. Ze hadden herhaaldelijk geprobeerd Alex te bereiken.

Nadat ze in hun kantoorruimte elkaar even hadden aangekeken, waren ze tot het vermoeden gekomen dat het niet hoefde te betekenen dat hij dan niet thuis zou zijn. Dus was er geen andere mogelijkheid dan in de auto te stappen en naar zijn adres te rijden. Natalie zelf geloofde nooit zo in toeval en kreeg het vermoeden dat er een reden was te vinden dat hij net in hetzelfde weekend was aangehouden, op de gracht die naar de Nieuwmarkt leidde, als dat Hierro, een goede jeugdvriend van hem, dood was aangetroffen in zijn woning, en dat diens  heengaan een moord was, met een vreemd briefje erbij dat moest suggereren dat het zelfmoord betrof. Zoals alles in elkaar zat, klopte gewoon niet, dat kon nooit gegaan zijn zoals het overkwam. Maar wat was dan de reden om hem te vermoorden? Hebben drugsgebruikers vijanden? Ja, alleen maar. Maar zijn die vijanden in staat om de gebruiker om zeep te helpen? Nee, daar zit niemand op te wachten. Daar heeft niemand zin in. En vijanden van  drugsverslaafden vinden de persoon in kwestie meestal maar zielig. Of hebben een haat-liefde-verhouding met hem of haar en misschien dat ze ooit de persoon in kwestie als dood hebben gewenst, maar de mogelijkheid tot een handeling daartoe, kan je verwaarlozen. Ze zat op de passagierstoel en dacht erover na en rookte een sigaret en was tevens blij dat Rik waarschijnlijk ook iets aan zijn hoofd had, want hij viel haar niet lastig met vervelende goedbedoelde opmerkingen. Hoe kan het dat zo’n Van Janssen, die ze door de telefoon had gesproken, en wijkagent is in het wallengebied, dacht ze verder, vertelde over een Alex Reijnders die hij bij een routine onderzoek was tegengekomen: ‘Ja, want we willen graag weten met wie we te maken hebben en nemen dan zo om de tijd even alle namen op van alle spuiters in het gebied,’ hoorde ze in gedachten weer zijn woorden. Daarbij had hij vermeld dat hij voor de eerste keer Alex was tegengekomen, die goed gekleed was en stabiel overkwam. Met andere woorden dat Van Janssen na vragen van haar, inderdaad dacht dat de verslaving, nooit langer dan een week oud kon zijn. Of misschien wel dat de verslaving op die zondag een dag oud was? Dacht ze, en keek naar buiten en zag dat Rik inmiddels De Middenweg was opgereden en met zijn ogen zocht naar nummer 892. Ze keek naar de nummers die per drie boven elkaar en aan beide zijkanten van de gezamenlijke portiek te zien waren. Bij de volgende ingang moesten ze zijn, Rik had het ook gezien en minderde vaart. Vlak voordat ze wilde stoppen ging de voordeur van het appartementencomplex open en kwam een ongeveer dertigjarige jongeman in beeld, die met grote haast naar buiten beende. Zonder naar links of rechts kijkend haastte hij naar de stoep en koos vervolgens richting Mercatorplein.

            ‘Dat zou best onze man eens kunnen zijn,’ zei Natalie terwijl ze haar deur van de nog steeds rijdende auto openduwde en Rik de tegenwoordigheid van geest had om op de rem te stappen. Met een paar stappen liep ze naar het midden van de stoep om zo het passeren van de naderende jongeman te beletten. Natalie zag dat hij een aandoenlijke, gejaagde trek op zijn gezicht had. De jongeman wilde haar passeren en keek verwonderd op toen bleek dat ze hem de doorgang belemmerde.

            ‘Alex,’ zei ze zo normaal mogelijk alsof hij een bekende was.

Hij stopte en vroeg met een verwarde uitdrukking op zijn gezicht: ‘Ja, wat is er?’

            ‘Jij bent Alex Reijnders?’

            Beseffende dat hij nu moeilijk meer kon ontkennen, vroeg hij: ‘Wie wil dat weten?’

            Allebei keken ze naar Rik in de dubbel-geparkeerde auto. Natalie maakte zich bekend met politielegitimatie. Met een lichte beweging deinsde Alex iets terug. Rik kwam bij hen staan.

            ‘We willen alleen even iets vragen, meer niet. We verdenken je nergens van,’ probeerde Rik hem gerust te stellen.

            ‘Maar jij bent Alex Reijnders?’

            ‘In principe wel.’

            Rik besloot er geen opmerking over te maken.

            ‘Waar gaat het over?’ vroeg Alex die zich wat meer op het gemak voelde.

Zijn schichtige houding had niets meer te maken met de aanhouding. Constant keek hij over de schouders van Natalie en Rik en dan weer in hun gezicht en weer over hun schouders. 

            ‘Moet je ergens naar toe?’ vroeg Rik.

            ‘Ja, ik heb een afspraak in het centrum, ik ben al te laat,’ zei Alex en keek de beide personen aan zonder echt oogcontact te maken.

            ‘In ieder geval willen wij even een paar vragen stellen over Hierro de Palingman. Ik neem aan dat je gehoord hebt van zijn overlijden.’

            ‘Is Hierro overleden?’

            ‘Die is afgelopen weekend overleden.’

            ‘Hoe dan?’

            ‘Dat is op dit moment niet echt belangrijk, maar we hebben begrepen dat jij de persoon hebt gekend.’

            ‘Hoe lang ken ik Hierro al, vanaf middelbareschooltijd volgens mij. Jesus Christus, dat dit Hierro moest gebeuren!’ zei hij, terwijl zijn gezicht ineens bezweet was en hij een hand op zijn voorhoofd hield. ‘Jesus Christus, Hierro dus,’ herhaalde hij.

            ‘Ja, en weet je misschien wat dit betekent?’ vroeg Natalie en hield het plastic zakje op een centimeter of tien voor zijn ogen om te zien of, door de plotselinge confrontatie, iets aan hem op te merken was. Alex keek links en rechts van de Rik en Natalie en leek op zoek te zijn naar een snelle manier om weg te komen. Na een paar seconden leek hij een beslissing te hebben gemaakt.

            ‘Oké, ik trek het hier niet meer, laten we weggaan. Als jullie me even naar het centrum brengen, vertel ik jullie alles over het kaartje,’ zei hij en wachtte hun antwoord niet af en stapte naar de achterportier van de auto. Rik en Natalie keken elkaar even aan en vonden het een prima idee. Toen Rik instapte, zag hij dat Natalie een sigaret gaf aan Alex, en toen hij zat, dat deze werd aangestoken. 

            ‘Oh ja, voor vijfentwintig Gulden, en me even bij de Dam eruit zetten.’

            Fronsend keek Natalie naar Rik.

            ‘Nou moet je niet teveel noten op je zang hebben, straks vertel je iets wat we al weten.’

            ‘Ik weet zeker dat jullie dit niet weten,’ zei Alex, en nam een grote trek van zijn sigaret, die in zijn longen nauwelijks leek aan te slaan want hij blies hem zo weer uit alsof het volstrekte routine was. Zijn bovenlichaam had geen inademende beweging gemaakt. Er was iets aan deze jongen, dacht Natalie en herinnerde dat ze zich op één of andere manier altijd aangetrokken voelde tot heroïnegebruikers.

            ‘Oké, als het echt iets is wat we kunnen gebruiken, krijg je bij het uitstappen vijfentwintig Gulden,’ zei Natalie en zat nog steeds naar achteren kijkend om zo tot een beter gesprek te kunnen komen. Rik sloeg bij het Mercatorplein rechtsaf om over een rechte weg van een paar kilometer lang, met zowat om elke twee honderd meter een stoplicht, tot achter het paleis te rijden, waarna ze op de Dam zouden uitkomen.

            ‘De reden dat ik het vertel is niet vanwege het geld of zo. Nee, dat komt gewoon omdat ik er genoeg van heb en er gewoon van baal, weet je?’ 

            ‘Prima, vertel nou maar wat er gebeurd is.’

            En Alex begon langzaam te vertellen omdat hij niks wilde vergeten en raakte naar dat hij langer aan het woord was, steeds beter op dreef. Constant zat hij trekjes van zijn sigaret te nemen en nadat hij over de avond had verteld en het verhaal van de pillen erbuiten had gelaten en had verteld over de weddenschap en over de geestelijke gesteldheid van schijndood, realiseerde hij zich dat hij dat hij dit verhaal op klaarlichte dag aan het vertellen was en dat bewustzijn gaf hem zo’n voorbestemd gevoel dat hij weer moest denken aan de eerste keer dat hij de naald in zijn arm had gezet. Mijn god, wat een explosie was dat geweest. Een extatische explosie in zijn hoofd. Dit gevoel versloeg met afstand alles wat gevoeld kon worden. Hier was zelfs geen tweede plaats in te verdienen. In gedachten zag hij heroïne in letters op een eerste podium-plaats staan en enkel leegte op de plaatsen twee en drie. Hij voelde dat hij er weer aan toe was. Zijn lichaam begon te trillen van begeerte en van dat hij zodirect weer een shot kon gaan nemen.

            ‘Schijndood?’ vroeg Natalie ongeloofwaardig.

            ‘Ik moet zeggen dat ik het nu ook een beetje vreemd vind overkomen maar toen had het echt anders geklonken en gevoeld.’

            ‘En Hierro had dus dan het kaartje met zelfmoord,’ zei Rik terwijl hij met Natalie een blik van verstandhouding had. Dit omdat hij zich bewust was van het feit dat één van de andere vier dan de dader zou kunnen zijn.

            ‘Hoe kon ik het weten dat hij het nog echt ging doen ook!’ zei Alex. Hij vond het wijselijk om maar niet te vertellen dat vier gerechtigd waren om de vijfde die zich niet aan de opdracht had gehouden, mochten executeren.

            Natalie keek op haar notitieblok waar ze de drie resterende namen had opgeschreven. Ze keek naar hem en vroeg: ‘Gewoon even voor de zorgvuldigheid, waar was je om zaterdag zo rond elf en twaalf.’

            ‘Even kijken, zo rond elf uur, hmmm, ja dat weet ik wel, toen lag ik voor pampus in mijn stoel, ik bedoel toen was ik thuis.’

            ‘Dat jij heroïne getrokken had was ons wel duidelijk geworden,’ zei Rik.

Natalie en Rik barstten in lachen uit. 

Onrustig en schichtig keek Alex om zich heen niet wetende wat te denken. ‘Ik krijg mijn geld wel, hè?’

            ‘Ja, ja, rustig aan maar,’ zei Natalie en pakte haar portemonnee tevoorschijn en pakte een briefje van vijfentwintig. Ze overhandigde het aan Alex. Ze zag dat Rik naar haar handeling keek en was blij dat zij besliste over toezegging van tipgeld. Rik had er echt schijt aan en kon dan zo’n junk, nadat deze de belangrijke informatie had gegeven, zo weer de auto uit zetten. Achter het paleis stopten ze voor een stoplicht, om bij groen eromheen te rijden, en Alex op de Dam naast het Madame Tusseaud museum te laten uitstappen.

            ‘Oké, bedankt dan stap ik hier uit en vind het wel,’ hoorden ze Alex zeggen terwijl hij de achterdeur probeerde te openen.

            ‘Hé, de deur gaat niet open! De deur gaat niet open!’

            Het licht sprong op groen en Rik begon vaart te maken.

            ‘Je mag er zo uit,’ zei Rik tegen de binnenspiegel.

            ‘Nog één ding, we willen je wel vragen om niet tegen de anderen te zeggen dat je het plan aan ons hebt verteld, het moet voor hen een verrassing blijven,’ zei Natalie. ‘Tenminste ik neem aan dat we je morgen op de begrafenis zien?’

            ‘Wordt die morgen begraven? Waar dan!?’

            ‘Volgens onze informatie in Purmerend.’

            ‘Dan kom ik zeker, daar moet ik bij zijn,’ zei hij en stapte uit de openstaande achterdeur, die Natalie van buiten voor hem had geopend.  

[ 20:01 ] [ 9/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Deel II Hoofdstuk 4

 

 

Hoofdstuk 4.

 

 

 

            Coen keek schuw uit zijn ogen in coffeeshop ‘De Zevenhoorn’. Zittend aan een tafeltje bekeek hij het tafereel dat zich aan de bar afspeelde. Een jongen van een jaar of zeventien vertelde druk gebarend een verhaal tegen de barmedewerker. De verteller had het blije enthousiasme dat je in de begindagen van het blowen kan hebben. Meestal denk je in zo’n stadium dat het leven waanzinnig is, dacht Coen, en voelde angst voor het enthousiasme. Hij boog met zijn hoofd iets meer naar het tafeloppervlak en zocht naar gedachten om zich op zijn gemak te kunnen voelen. Daar zag hij een paar lege tafels en het besef dat slechts de onbekende jongen, die met zijn rug naar hem toe stond, hem kon aanspreken en dat verder niemand in de coffeeshop aanwezig was, maakte hem bewust dat hij voor niet veel verrassingen zou kunnen komen te staan. Dat maakte dat hij zijn gedachten beter in kaart kon brengen. Het gezicht van Arend, die hem na de daad had aangekeken zonder een spoor van schuldgevoel te hebben over de mogelijke overdracht van zijn besmetting, had Coen de dagen erna niet van zijn netvlies kunnen krijgen. Toegegeven, hij had het zelf zo gewild. En daar dacht hij over na. Ik heb het inderdaad zelf zo gewild, bevestigde hij in gedachten. Een trekje nam hij van zijn joint en staarde over de lege tafels. Hij was blij dat hij niet geconfronteerd kon worden met tegen-gedachten van andere mensen. Wat is er nu over van de status schijndood, heb ik die nu bereikt? Misschien wel, concludeerde hij. Maar aanvankelijk was hij er dan wel vanuit gegaan dat deze status een gevoelloze zou zijn. Als dat hij definitief verdoofd zou zijn tegen onbekenden. En niet dat hij ineens angstig was voor andermans levenslust. Het leek ineens alsof iedereen hem verbaal kon raken zonder dat hij er iets tegenover zou kunnen stellen. Hij keek naar de blonde krullen van de barman en besefte zich weer dat hij hem niet kende. Hij heette Johan of zoiets. En Aaron de eigenaar, een vriendje van Coen waardoor hij altijd van het huis kon roken, had hem verteld dat het een nieuwe was die een week op proef zou komen om te kijken of zijn vaste klanten zich bij hem op het gemak voelden. Normaal gesproken zou Coen geen problemen met een nieuwe hebben gehad. Hij vroeg zich af, terwijl de jongen nu een gesprek met de barman voerde in plaats van dat hij een monoloog ten beste gaf, of hij de barman niet trok vanwege eigen misplaatste zelfbescherming. Hoe kan het zijn dat ik iemand die ik nog nooit heb gesproken, nu ineens niet zie zitten omdat hij een nieuweling in een vertrouwde omgeving is? dacht hij. Dat dat de reden is en anders niet? Hij dacht met een schok weer aan het moment dat Aaron hem had verteld dat Hierro zichzelf van kant had gemaakt. ‘Jij kende die Hierro toch?’ waren de woorden waarmee deze gisteren aan zijn tafel was aangeschoven. Alhoewel hij zich had voorbereid om een dergelijk bericht te krijgen, was de realiteit van het feit en van dat iemand het hem direct vertelde, schokkend geweest. Meteen had hij zich in een andere wereld gevoeld toen Aaron hem had verteld over dat een ambulance voor de deur had gestaan en dat ze hem uit zijn woning hadden gehaald. ‘Hoe heeft hij het gedaan?’ had hij gevraagd. Aaron had gezegd dat Hierro zichzelf had opgehangen.

Coen keek even om zich heen en besloot weg te gaan. Waarheen interesseerde hem niet. Zelfs de muziek, die uit de boxen kwam, maakte hem bang. Woorden hadden ineens een andere klank gekregen. Alsof in iedereen een moordenaar schuil ging en alsof iedereen met dodelijke intentie sprak. Zonder gedag te zeggen, niet omdat hij dat niet wilde maar omdat hij dat niet durfde, verliet hij de coffeeshop op de Elandgracht. Toen hij buiten op straat stond en om zich heen keek en ontspanning probeerde te zoeken in de aangename avondtemperatuur, een avondsfeer waarin hij voorheen altijd zorgeloosheid had gevoeld omdat er dan geen vervelende levensverantwoordelijkheden waren, herinnerde hij zich weer dat hij pas over drie maanden zekerheid kon hebben of hij geïnfecteerd was of niet. Want zolang duurde het voordat het bloed zekerheid kon geven of je een drager van het HIV-virus was. Hij bekeek de donker wordende avondlucht en maakte in gedachten een beweging alsof hij de kraag van een jackie omhoog trok. Hij merkte dat het niet eens fris was. Met gelaten tred wandelde hij weg. Hij had al besloten waar naar toe te gaan. Hij wist dat Catelijne op de Potgieterstraat woonde. En dat was even de Marnixstraat oversteken en naar rechts. Hoe zou het haar zijn gegaan? Wat voor een opdracht had ze gekregen? En had ze eigenlijk wel gehoor gegeven aan de opdracht? Hij tekende in gedachten de situatie uit. Hierro was degene die zelfmoord had gepleegd, zelf had hij opdracht aids gehad, dan kon zij natuurlijk de opdracht hebben gekregen om iemand om zeep te helpen, of aan de heroïne gaan, of gewelddadig gepakt te worden. Hij stak in gedachten de Marnixstraat en de brug over, die er meteen achteraan kwam, en liep rechtsaf langs het water en zag dat de eerste straat naar links de Potgieterstraat was. Ze woonde op nummer 25 of zoiets. Na een paar huizen kwam nummer 25. Hij zag vanaf een meter of vijf een hoop naambordjes kris kras op de plint van de voordeur staan met belknoppen ernaast en hoopte dat zij haar naam ook ergens had neergezet. Bij nummer 25 II-voor zag hij een C met een achternaam erachter, die hem als bekend voorkwam. Hij drukte op de knop en stapte iets naar achteren om naar boven te kunnen kijken of een reactie vanachter de ramen van het betreffende appartement zou komen. Vervolgens deed de stilte die in het gedeelte van de straat hing en dat hij geen geluid vanachter de voordeur vandaan hoorde komen, hem besluiten nog een keer op de bel te drukken en nu wat langer aan te houden.

            Catelijne was na haar hulpgeschreeuw afgelopen zaterdagnacht, waar niemand op had gereageerd, met verblindende hysterie en met de armen omhoog, alsof ze om zich heen wilde slaan, naar de bushalte gerend en had daar haar kleren gefatsoeneerd. Niemand die zich geroepen voelde te vragen wat er was gebeurd. Haar rokje had ze nog zodanig weten recht te strijken dat het wel als sloeberachtig overkwam maar niet dat ze er opmerkingen op zou kunnen krijgen. Zonder een keer om zich heen te kijken, was ze zo snel mogelijk naar haar kamer gegaan. Na twee dagen was ze nog niet buiten geweest. Niemand in de hoerenomgeving had een greintje om haar gegeven. Toegegeven; het waren misschien niet de meest nobele van de maatschappij maar ze had toch wel verwacht dat er toch iemand op haar geschreeuw en angstgekrijs gereageerd zou hebben. Niks daarvan. Ze had in haar herinneringen het beeld van mensen die op afstand hun gezicht naar haar toe draaiden en vervolgens niks deden. Het was niet de lichamelijke pijn die haar de meeste schrik had aangejaagd maar de geestelijke en dan voornamelijk het besef dat je gewoon was overgeleverd aan een persoon zonder dat iemand zich erom bekommerde.

            Apatisch had ze met opgetrokken voeten op de bank van haar appartement gezeten en haar ogen op hetzelfde punt gehouden. Bewegingsloos tot diep in de nacht tot het bewustzijn was gekomen dat ze moe was en wilde gaan slapen. Na een korte rusteloze slaap was ze de ochtend erna wakker geworden en had na vijftien seconden de herinnering voelen doorkomen en de daarmee gepaard gaande neerslachtige stemming. Zonder zich te bekommeren of ze wel genoeg eten in voorraad had of dat ze zich zelf in leven kon houden, was ze de deur niet meer uitgegaan en had alleen maar nagedacht. Schijndood was de status waarvoor ze het had gedaan. Nu besefte ze ineens dat het geen gevoelloze status was maar één waarin angst lichaamspijnloos aanwezig was maar prangend in de geest. En dat deze angst je een terugtrekkende beweging liet maken. Alsof haar ziel en wil ineens van een ander waren en dat er gevoelsmatig geen ruimte overbleef voor eigen keuzes en interpretaties. Ze was iemand anders geworden. Ze voelde dat ze nooit meer, meer dan een zombie zou kunnen zijn. Een gevoelloos persoon wiens leven in dienst staat van een agressor. De bel was twee keer overgegaan. Geen enkele drang was doorgekomen om tot een handeling over te gaan. Het geluid had geklonken alsof ze in een openbare ruimte aanwezig was en zij zich niet aangesproken hoefde te voelen over een dingedong of iets anders dat dan ineens door de intercom had geklonken. Nu was het geluid toch al een tijdje weggestorven en durfde ze het aan om even naar het raam te gaan en naar buiten te kijken om een weglopende figuur te zien, die ze zou kunnen herkennen. Het gordijn dat ervoor hing, duwde ze een beetje weg en keek naar beneden en in het omhoogkijkende gezicht van Coen. Hij zwaaide meteen zodat haar duidelijk was dat hij haar had gezien. Vorige week had ze nog wel een paar keer aan hem gedacht en interesse voor hem gevoeld. Nu, na de opdracht, wilde ze zijn gezicht eigenlijk niet zien en voelde huivering dat als ze hem binnen zou laten, hij dan zou kunnen gaan beginnen met hoe gaaf het experiment wel niet was geweest. Ze keek nog eens goed en zag een andere oogopslag en besefte dat hij een zielsverwant kon zijn. Met een naar links bewegende vinger gaf ze aan dat ze naar deur ging om open te doen. Coen verdween uit beeld en nam plaats voor de voordeur. Op de gang van de tweede verdieping trok ze aan een touw waarmee het slot van de voordeur werd opengemaakt. Ze hoorde ontgrendeling en hoe voetstappen de entree maakten. Ze besloot niet in de gang te wachten tot hij boven zou komen en moest zich inhouden om niet in paniek te raken. De deur van haar appartement liet ze op een kier staan en binnen begon ze meteen met ongecontroleerde zenuwachtigheid koffie te zetten. Koffiepoeder morste ze over de aanrecht en hoorde toen hoe achter haar de deur wijder openging. Ze draaide zich om en zag dat Coen voorzichtig en met weinig geluid makend haar appartement binnenkwam. Hij zag er kwetsbaar uit, in zijn houding was niets te ontdekken van de verknipte filosoof zoals ze hem vorige week had leren kennen. 

            ‘Hai, hallo, wil je ook koffie?’ hoorde ze zichzelf vragen en voelde gebrokenheid in haar stem. En zonder om antwoord te wachten barstte ze in een snikken uit dat niet hysterisch was en ook niet echt huilen genoemd kon worden. Het was een soort snikken dat je deed omdat het zo kwam. Coen bleef staan in de deuropening en bekeek het tafereel zonder besef wat er gebeurde. Niet kwaad, omdat hij niet reageerde, maar wel bewust geworden van het feit dat ze huilde, droogde ze haar gezicht met een vaatdoek af en begon het koffiezetten af te maken. Achter haar hoorde ze dat Coen naar de bank liep en ging zitten. Ze keek om en zag dat hij een sigaret opstak.

            ‘Zoooo hoe gaat ie?’ vroeg hij alsof haar korte huilbui er niet was geweest. 

            Ze keek hem aan met een gebroken glimlach waarin verdriet te zien was. Coen leek tot besef te komen.

            ‘Dus niet goed, natuurlijk.’

            Nog steeds kreeg Catelijne geen woord uit haar mond. Ze wachtte totdat de koffie was  doorgelopen en schonk twee koppen in. Toen ze zich omdraaide en met de koppen naar de bank en salontafeltje begon te lopen, zag ze dat Coen zijn sigaret bijna had opgerookt. Ze had totaal geen zin om iets te zeggen en zette de kop voor hem op de tafel. Hij leek er van wakker te worden zonder dat hij zijn ogen had dichtgedaan.

            ‘Oh ja, dank je wel.’

            Ze ging naast hem zitten.

‘Ik wil het liever niet over de opdracht hebben,’ zei ze met een onzekere stem. ‘Het heeft me teveel geraakt.’

            Coen draaide zijn hoofd naar opzij en keek naar haar gezicht. Hij zocht naar woorden om aan te geven dat hij het begreep. ‘Oké,’ zei hij terwijl hij naar zijn kop reikte en vervolgens de koffie begon te roeren.

            ‘Ik bedoel dat ik liever niet praat over de avond.’

            ‘Prima.’

            ‘Wie is er eigenlijk dood?’

            ‘Hierro,’ antwoordde Coen alsof hij een voorwerp opnoemde en nam een slok van zijn koffie.

            ‘Hierro?’

            ‘Schijnt zichzelf gehangen te hebben.’

            ‘Hoe weet jij dat?’

            ‘In de coffeeshop gehoord.’

            Een glimlach kwam op haar gezicht omdat de afgemeten antwoorden van Coen een dergelijke werking op haar gemoedstoestand hadden. ‘En vindt je dat niet erg of zo?’

            ‘In het begin wel,’ zei hij en keek haar opnieuw aan. ‘Maar als je er eenmaal aan gewend bent, lijkt het ineens weg te zijn. Ik bedoel; de schok ervan.’ En nadat hij een slokje van zijn koffie had genomen: ‘Ik ga wel naar de begrafenis toe, zo ben ik dan wel.’

            ‘Dan ga ik mee, tenminste als ik dat aankan,’ realiseerde Catelijne zich direct.

            ‘Als je daar voorzenuwen van hebt moet je even een lijntje nemen, dan merkt niemand iets aan je.’

            ‘Daar heb ik geen geld voor, heb jij anders nog wat?’

            ‘Nee, sorry! Weet je zeker dat je niet ergens nog iets van een paar Gulden hebt?’

            ‘Misschien in totaal vijf Gulden of zo, maar dan heb je het wel gehad.’

            ‘Daar komen we ook niet ver mee. Ik dacht om anders even iets van GHB te gaan halen, dat is goedkoper. Dan nemen we dan voordat we naar de begrafenis gaan.’ Na even nadenken: ‘Die is trouwens morgen.’

            ‘Morgen al?’

            ‘Morgenmiddag volgens mij, in Purmerend.’

            ‘Hhhmm.’

            ‘Hé, als jij even wat geld bij elkaar zoekt? Ik denk dat we er met tien Gulden wel zijn. Dan bel ik mijn dealer en haal ik wat GHB?’

            ‘Ik heb echt maar vijf Gulden.’

            ‘Heb je niet nog een paar lege flessen of zo?’

            ‘Nee, en ik ga trouwens zo naar mijn bed toe.’

            ‘Oh oké, nou dan rook ik nog een jointje,’ zei Coen terwijl hij een joint tevoorschijn haalde.

            ‘Misschien dat ik daar ook wel trek in heb. Wat is het?’

            ‘Het is vrij zware hasj, als je zo down bent is het misschien verstandig om niet mee te doen.’

            ‘Ik heb wel trek in wat hasj, steek maar aan.’

Catelijne bekeek Coen en hoe hij de joint aanstak. Nadat de kegel goed brandde, stopte hij de aansteker in zijn broekzak, zakte iets onderuit, en nam een paar trekjes. Hij nam een extra zware hijs en overhandigde de joint aan Catelijne en blies de rook de kamer in. Hij keek versuft voor zich uit, voelde dat de hasj begon te werken, en bracht zijn linkerarm omhoog ten teken dat Catelijne haar hoofd tegen zijn borst kon leggen en onder zijn arm kon komen. Zonder zich te bedenken vleide ze zich tegen zijn borst en rookte half liggend de joint en voelde zin in een goed gesprek. Ze merkte dat ze zich minder gebroken voelde. Wel maakte de joint de herinnering van de afgelopen twee dagen bewuster. Een huilbui kwam los. Even probeerde ze zich in te houden en liet vervolgens haar tranen de vrije loop, zonder door te halen. Coen sudderde haar met zijn linkerarm een beetje heen en weer ten teken dat hij meevoelde en pakte met zijn rechterhand de joint uit haar hand en begon ervan te roken.

‘Ik vroeg me af wie aan de heroïne moest gaan.’

            Door haar tranen heen, die ze niet als belemmerend voelde, zei ze: ‘Waarschijnlijk die Alex met zijn idiote gecher.’

            ‘Alex? Denk je dat Alex aan de heroïne moest gaan? Het leek me meer iets voor Meredith.’

            ‘Nee, ik heb Meredith gesproken.’

            ‘Wanneer dan?’

            ‘Dat maakt niet uit maar die zit in ieder geval thuis in Zeeland en wil met niemand iets te maken hebben.’

            ‘Dus dan zit die Alex aan de hero.’

            ‘Ja,’ klonk nog half verstaanbaar omdat Catelijne haar mond in zijn T-shirt had gedrukt en weer een huilbui kreeg.

Coen rookte door en voelde hoe de angst die hij in zijn lichaam had gevoeld nu een identiteitsloze gedaante begon aan te nemen en dat hij niet in staat was mee te gaan in Catelijne haar emoties. Nadat hij de joint had opgerookt en het stompje in de asbak had gelegd, zat hij nog een half uur verdoofd en met bloeddoorlopen ogen voor zich uit te staren en zag toen weer in gedachten de ontblote tanden van Arend en hoorde in echo weer zijn gelach alsof de volumeknop op tien was gedraaid. Niets kon hij doen, geen enkele wil voelde hij om het beeld van zijn netvlies af te krijgen. Alleen apathische verlamming viel hem ten deel. Af en toe koesterde hij Catelijne die nu onafgebroken huilde. Van boven keek hij op haar haar en voelde zich onwerkelijk alsof hij naar een film zat te kijken.

            ‘Hé, kan ik hier blijven pitten? Die joint is behoorlijk ingeslagen.’

            Het snikken was opgehouden en Catelijne’s hoofd kwam omhoog. Coen keek in haar  behuilde gezicht. ‘Zullen we even een wip maken, wil je even neuken?’ vroeg ze.

            ‘Waaat?’

            ‘Ik heb er behoefte aan,’ zei ze.

En Coen zag dat ze naar zijn shirt keek met de intentie om met haar gezicht tegen aan te vleien. ‘Je moet wel weten dat ik de opdracht had om AIDS op te lopen.’

            ‘Dat dacht ik al,’ zei ze en kwam met haar lippen naar de zijne en gaf hem een kus. 

            ‘Ik bedoel; ik heb geen condooms bij me.’

            ‘Ik wil niet dat je er één gebruikt.’

            En voordat Coen zich kon realiseren wat er aan het gebeuren was, opende Catelijne zijn gulp, wilde zijn pik eruit halen, bedacht zich, en begon vervolgens zijn broek uit te doen. Dat lukte niet.

            ‘Trek je broek eens uit.’

            En ongelovig kijkend naar haar rug, trok hij zijn broek en schoenen uit. Hij zag dat ze met haar rug ging liggen op de bank en dat ze haar onderkleren had uitgetrokken en dat ze haar benen wijd deed en haar armen naar hem uitstrekte. Hij zag aan haar gezicht dat ze elk moment kon gaan huilen. Met moeite schoof hij zijn halfpaal naar binnen en begon te rijden. Daar voelde hij zijn pik harder worden. Catelijne klampte zich met haar handen vast aan zijn rug alsof hij haar laatste houvast in het leven was.

[ 20:00 ] [ 9/6/2007 ] [ 0 Comments ] [ Post Comment ] [ Link ]

Hosting door HQ ICT Systeembeheer