Weblog maken?


MaakEenWebsite.nl (tip)
Totaal slechts 10 euro per maand incl. domeinnaam en gratis overzetten van uw bestaande weblog bij Bloggers.nl 100 MB ruimte
emailadres
Lees meer..... en bestel
Gratis geld verdienen met e-mails lezen? Meld je aan bij
Zinngeld, Surfrace, Qassa en Euroclix !

Op zoek naar God?
verhalen

Home - Profile - Archives - Friends

een fluitje van een cent

Posted on 20/11/2013 at 10:46 - 0 Comments - Post Comment - Link

 

 

 

 

 

Een fluitje van een cent

 

 


Eerste druk © 2008 Henk Luiken

 

ISBN: 978-90-8834-494-7

 

Uitgeverij Boekscout.nl Soest

www.boekscout.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Niets uit deze uitgave mag verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm, internet of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de uitgever.


 

 

 

 

Henk Luiken

 

 

 

 

 

Een fluitje van een cent

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Met Speciale dank voor mijn eerste boek aan

Mijn gezin voor hun geduld

De naaste buurman voor zijn taalcorrecties

Mijn vrouw voor haar scherpe correcties

De scholen waar ik les gaf, voor hun inspiratie


Een Fluitje van een Cent

 

  • De 17de Eeuw op zee

Er vaart in het jaar 1676 een spookschip rond Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika. Het schijnt dat de kapitein van een Hollands schip door een jaloerse echtgenoot naar een onmogelijke missie gestuurd wordt. Als afscheid geeft de minnares van de kapitein haar duurste ketting mee op reis ter bescherming. Desondanks vergaat het schip in een opzwellende zee en al gauw wordt het spookschip de ‘Vliegende Hollander’  genoemd.

 

  • De 18de Eeuw in Drakensteijn

Een regio in het oosten van het land tegen de Favenlandse grens gelegen. Twee gauwdieven, Ruben en Gerrit, stelen een ketting. Tijdens een ontmoeting met de witte wieven verliest Gerrit het van Aleida Koehorst-Lansink gestolen sieraad. De ketting, zo wil de legende, komt van de Vliegende Hollander en haar kapitein. Luitenant Bernard Cerniago de Borbonje, eerste assistent van drost Baron Johan Derck van der Kapel tot den Polder, pakt de twee dieven in de kraag en brengt ze naar het schavot. De ketting gaat terug naar de rechtmatige eigenaar. Beide dieven ontsnappen en verdwijnen spoorloos dankzij een eigenaardig scheepsfluitje.

 

  • De 21ste Eeuw in Odorp

Harold de Boer, docent Techniek en held van het verhaal. Achtendertig jaar en al achttien jaar getrouwd met Monique. Harold is, anders dan zijn achternaam doet vermoeden, geen doorsnee docent. Op de dorpsbraderie koopt hij een fluitje van een vreemdeling. Als hij op het Internet opzoekt wat voor type het is, belandt hij op een website met het jaartal 1768. Er spoken vreemde krachten rond en er vallen slachtoffers…


Inhoud

 

1607 - Slag om de Ocarina  14

 

De Vliegende Hollander, een ketting en een fluit 19

 

1768 - De 18de Eeuw   28

 

Een geteklomp en witte wieven  36

 

Een vreemde fluit uit 1676  47

 

2005 - Dromen  66

 

Harold en Monique de Boer 69

 

De Braderie en een Diefstal 75

 

Een Fluitje van een Cent! 84

 

De Wolvencamp en de geheime deur 89

 

Een sleutel en een gangenstelsel 100

 

Decaan Verwoerdt 112

 

De ketting van Monique  120

 

Een Slachtoffer 127

 

De Vliegende Hollander 134

 

Driemaal is scheepsrecht 143

 

Terug naar de politie  152

 

Eind goed, al goed?  157

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De 17e Eeuw



·         1607 - Slag om de Ocarina

 

Op 25 april 1607 vernielden Hollandse oorlogsschepen onder leiding van Jacob Van Heemskerck een Spaanse vloot in de haven van Cadiz. Deze zeeslag is bekend als de Slag bij Gibraltar.

Het nabij gelegen Holland was in die tijd een republiek en was op zee oppermachtig. Aan het einde van de zestiende eeuw was het voor de Hollanders onmogelijk geworden om met Portugal handel te drijven. Dit omdat Spanje Portugal had ingenomen. De Hollanders hadden dus een probleem, want zij waren nog steeds in oorlog met Spanje. Er moest naar een andere route gezocht worden om aan specerijen te komen. Dus werd er gekozen voor de zuidroute via Kaap de Goede Hoop. Van Heemskerck overviel die dag de Spaanse vloot en tijdens deze slag werd de Spaanse armada vernietigend verslagen. Omdat de schepen dikwijls erg lang van huis waren, zagen ze eruit als drijvende dorpen. Zo waren er slaapplekken voor de bemanning en kajuiten voor de stuurlui en officieren. Ook waren er een ziekenboeg, een eetzaal en een kombuis. Het grootste gedeelte van het schip was echter gereserveerd voor de vracht. Dus was het schip gesplitst in aparte gedeeltes. Verder een gedeelte voor de bemanning en een gedeelte voor de leiding. De schepen werden na thuiskomst opgeknapt, omgebouwd tot oorlogsschip en er op nieuw op uit gestuurd. Je kon er immers van op aan dat de Portugezen uit waren op wraak. Een van de schepen uit de vloot van Van Heemskerck was de Batavia. Nu is er nooit bewezen dat het zo was, maar er zijn geruchten dat dit later de beruchte Vliegende Hollander is geworden. De enige man die hierover de waarheid zou kunnen spreken, werd vele jaren later een van zijn vermoedelijke kapiteins: Willem van der Decken. Die heeft nooit iets gezegd over de oorspronkelijke naam van zijn schip. Bovendien was de Batavia beter af als vrachtschip dan als oorlogsschip. Om een compromis te sluiten tussen de conflicterende uiterlijkheden – oorlogsschip of vrachtschip – werden er toch enkele kanonnen aan boord geplaatst.

 

De datum was 12 december 1665. De Batavia zou uitvaren om via de zuid om Kaap de Goede Hoop specerijen uit Indië te halen. Willem van der Decken was inmiddels kapitein op het schip. De Batavia wiegde die dag aan het ankertouw in de haven van Terneuzen met de zeilen opgerold. Een koude gierende wind zweepte het havenwater op tot schuimende golven. Het was tijd om te vertrekken. Zeilen werden uitgerold en het schip voer langzaam weg. De ketting van het anker knarste luid, net als de zeelieden die geronseld waren. Ze waren nog maar net goed en al op weg of rond de kust van Portugal werden ze aangevallen door een Portugees schip onder leiding van kapitein De Barossa, een oude zeeroverskapitein die het met de nodige clementie tot marine-officier geschopt had. Een akelige, wrede man. Zware Portugese kanonskogels vlogen rond hun oren. Onmiddellijk werden de zeilen gedraaid om de Portugees de loef af te steken, om hem als het ware de wind uit de zeilen te nemen. Ondertussen werden de schoten met kanonsschoten beantwoord. Aan beide zijden maakten de kogels mooie ronde gaten in de zeilen. Enterhaken, voorzien van een lang touw, werden vanuit de Portugees naar de Hollander gegooid in een poging de strijd aan boord te beslechten. De Hollanders, ook niet gek, sneden met hun kapmessen de haken weer los. Het was gebruikelijk op de Portugese schepen dat orders van de kapitein met een scheepsfluit werden bevestigd. Ze gebruikten daar een Ocarina voor. Een van gebakken klei gemaakte fluit, voorzien van tien vingergaten. ‘Bakboord,’ schreeuwde De Barossa tegen zijn bemanning. Weer was daar de scheepsfluit te horen om de order te bevestigen. ‘We moeten die fluit te pakken zien te krijgen. Haal de enterhaken,’ zei Van der Decken. De bootsman van de Batavia zette zijn mannen tegen de reling aan stuurboord klaar om de Portugees te enteren. Terwijl de kanonskogels gaten boorden in beide scheepsrompen, maakte de Hollandse bemanning zich klaar om de Portugees te bestijgen. Het Portugese schip was veel hoger en breder dan de Batavia. Dat werd dus een gevaarlijke klim vol geweerschoten en zwaaiende zwaarden. Bovendien was de Batavia half vrachtschip en half oorlogsschip, dus bij lange na niet zo handig te manoeuvreren als de Portugees. Het kwam op de behendigheid en vastberadenheid van de beide bemanningen en hun kapiteins aan. De strijd duurde voort zolang er kogels aan boord waren. Het schip de Batavia had er die dag net twee meer dan zijn tegenstander. Van der Decken was vast van plan die dag als winnaar uit de strijd te komen. Om te bewijzen dat hij een betere kapitein was dan die stomme Portugees, net als Van Heemskerck had gedaan. De strijd ging voort, kogels raakten op. Gaten in de zeilen en de romp begonnen hun tol te eisen. Beide schepen manoeuvreerden niet meer naar behoren. Van der Decken voelde zijn hart sneller kloppen, hij moest en zou de strijd levend uitkomen. Als overwinningsbuit zou hij niets meer en minder dan die stomme fluit pakken. De Barossa, niet voor niets kapitein, had al snel in de gaten dat het die Hollander om de scheepsfluit ging. ‘Bewaak die fluit met je leven,’ bulderde hij zijn bemanning toe. Echter, de enterhaken van de Hollander werkten naar behoren en al gauw speelde de strijd zich af op het dek van het Portugese schip. Tot het laatst toe hoorden de Hollanders de ocarina blazen. Aan het eind, toen uiteindelijk Van der Decken zelf aan boort van de Portugees kwam, was de strijd gestreden. De Barossa gaf zich over. ‘Nog één ding,’ riep Van der Decken. ‘Waar is mijn buit, waar is de scheepsfluit? Dit zal als enige overblijven van jouw schuit,’ riep hij zijn evenknie toe. ‘De rest zal ik met mijn laatste kanonskogel aan flarden schieten, jou en je bemanning een waardig zeegraf gevend.’ De Portugees die geen Hollands sprak, begreep desondanks de woorden. Dus werd de ocarina zonder slag of stoot meegegeven aan de overwinnaars van de strijd. De bemanning van de gehavende Hollander snapte niets van deze buit, waar was al dat zilver en goud? ‘Mannen, de tegenstander was een oorlogsschipzonder goud of zilver aan boord,’ zei Van der Decken. ‘Dit fluitje is de enige buit van de Portugees. Ik zal het bewaren en het zal me vanaf nu tot aan mijn laatste reis op dit schip vergezellen.’ Aldus geschiedde. Bij het laatste salvo van de Hollander joeg het wrede geluid van een zinkende Portugees een stel witgrijze zeemeeuwen krijsend de zwarte avondlucht in.

 

 

 

 


·         De Vliegende Hollander, een ketting en een fluit.

 

In menig boek staat dat dit legendarische schip in 1676 spoorloos is verdwenen nabij Kaap de Goede Hoop. Voor het eerst werd op papier Willem van der Decken als kapitein van het spookschip genoemd in het Schotse tijdschrift Blackwoord’s Edinburgh Magazine van mei 1821.

In het jaar 1676 joeg in het nabijgelegen Holland een storm landinwaarts. De zee rolde schuimend op de kade af en beukte tegen de bakboordzijde van het enige schip dat er gemeerd lag, een zwaarbeladen vrachtvaarder met bestemming Oost-Indië. Zó gruwelijk was het weer, dat geen van de bemanningsleden zich aan dek waagde. Alleen kapitein Van der Decken, een grote vierkante kerel met stalen zenuwen, een grote vurig rode baard en een ruwe inborst, stond somber op de voorplecht. De kapitein, niet in het geheel van zijn stuk gebracht door de storm, had de afvaart al enkele dagen uitgesteld. Met gebalde vuisten stond hij daar op de voorplecht en vloekte. Na enkele uren keerde hij weer huiswaarts, waar die dag iets merkwaardigs gebeurd was. Aan de rand van het Hollandse stadje Terneuzen stond een huis dat ooit mooi, duur en goed onderhouden was, maar dat helemaal in verval was geraakt. Door het keukenraampje waren twee mensen te zien, een vrouw van rond de vijfendertig jaar en een jongeman van ongeveer vijftien jaar. De vrouw, Catherine, viel flauw en haar zoon Philip van der Decken haalde er snel dokter Poots bij, een geniepig en gierig mannetje. Philip kreeg een drankje voor zijn moeder. Al gauw kwam de kwakzalver tot de conclusie dat Catherine de pest had. De zwarte dood. Ze was reeds in het laatste stadium, waarin ze begon te ijlen. Bij tijd en wijle was ze weer helder. Maar dat waren slechts enkele momenten. In een van die heldere momenten legde ze uit dat de woonkamer, die al jaren dicht was, dicht moest blijven, ook al overleefde zij de ziekte niet. Ze vertelde verder dat zij op een dag, toen zij zomaar zonder reden tot 12 uur ‘s nachts in de woonkamer was blijven zitten, de lampen uit en aan zag gaan, de ramen open zag gaan en dat ze een koude wind voelde. Haar man Willem van der Decken, van wie ze dacht dat hij nog op zee voer, vloog als een geest door het raam naar binnen. Ze vertelde verder dat hij na slechte tijden op zee tegen God begon te schelden en dat hij de stuurman overboord had gegooid. Hij hoorde een stem die zei dat hij verdoemd was en over de zee zou moeten dwalen tot de dag des oordeels. De geest liet een brief op de tafel vallen en vloog weg. Catherine was meteen weggerend en had een groot slot op de deur gezet. Catherine stopte met praten, sloot haar ogen en overleed.

Nadat Philip de deur van de kamer had opengebroken, zag hij dat zijn moeder was overleden. Op dat moment kwam Willem van der Decken binnen. Philip legde alles uit en ging huilend naar bed. De volgende dag ging hij naar de haven om te vragen of hij mee mocht als bemanning voor het schip de Terschelling. Tegen de tijd dat hij zei dat hij ervoor wilde betalen, mocht hij mee, Willem van der Decken eenzaam achterlatend. De rouwperiode duurde niet lang, al gauw had Willem een minnares om de eenzame uren te vergeten. Een dame, zo gingen de geruchten, van adellijke afkomst. Haar lange donkere haar en haar katachtige ogen schitterden in het maanlicht. Ze was getrouwd en haar man had veel invloed in de leiding van de VOC, de Verenigde Oost-Indische Compagnie, waarvoor het schip van de kapitein voer. Willem van der Decken zag haar regelmatig in zijn verwaarloosde huisje in Terneuzen. Het kon niet uitblijven of hun escapades werden ontdekt.

Nog dezelfde dag dat haar man achter haar ontmoetingen met Willem kwam, zwoer hij deze onzin te stoppen. Hij zou die kapitein wel eens een lesje leren en per decreet gebood hij dat ondanks de harde storm het schip van de kapitein volgeladen met geronselde mannen naar de Oost moest varen. Een onmogelijke reis, zo wist iedereen.

De kapitein had de reis alleen maar mopperend te accepteren. Echt mopperen, dat kon hij. Wie of wat waagde het om tussen hém, de meest onbevreesde en dapperste schipper ter wereld, en zijn minnares te komen? Had hij zijn schip niet door de ruwste stormen gelaveerd, langs verraderlijke klippen en zandbanken? Was hij niet sneller dan alle andere schepen van de Compagnie naar de Oost gevaren? Was hij niet het enige VOC-vrachtschip dat kanonnen aan boord had? Hij hield van de gevaren die bij het zeemansleven hoorden en hij was ertegen opgewassen. Ja, de bemanning van de Oost-Indiëvaarder had ontzag voor de schipper en ging voor hem door het vuur, al was hij nog zo eigenwijs en driftig.

Maar tegen een jaloerse echtgenoot met veel macht binnen de VOC kon hij niet op, dus verscheen hij grommend tussendeks en deelde op luide toon mee: ‘Weer of geen weer, morgenochtend om zes uur varen we uit!’ Toen de bootsman zijn keel schraapte, knikte iedereen opgewonden.

‘Bezwaren, boots?’ vroeg de schipper dreigend. ‘Maar uw geliefde dan?’ wist de boots hem op een gevoelige plek te raken. ‘Niks mee te maken,’ bulderde de kapitein, ‘orders zijn orders ook al komen ze van een jaloerse echtgenoot. We gaan varen.’

De boots kende zijn kapitein genoeg om te weten dat het ook hem niet lekker zat met die orders. De kapitein begaf zich dan ook briesend naar zijn hut, waar ze hem urenlang hoorden vloeken boven het gebulder van de wind uit.

De dag veranderde in een gitzwarte avond. Die avond lag de loopplank als enige toegang tot de boot tegen de regels in nog uit. Volgens de inmiddels half dronken boots, met in zijn ene hand een sextant en in zijn andere een fles rum, trad er een vrouwspersoon die avond toe tot de hut van de kapitein. Iemand van adel, te zien aan de fraaie kleren en de glimmende ketting om haar ranke hals en aan de koets aan de wal.

‘s Nachts nam de kapitein hartstochtelijk afscheid van zijn minnares. Haar met tegenzin bij haar jaloerse echtgenoot achterlatend. Als dank voor hun liefde bood ze hem haar prijsloze ketting aan. ‘Als teken van onze onlosmakelijke liefde laat hierbij jouw ketting en mijn scheepsfluit altijd wanneer ze samen zijn, een magische kracht ontwaken,’ sprak Willem.Een belofte die, zo later zou blijken, een paar eeuwen zou stand houden. De boots hoorde enkel en alleen nog maar gehuil en het klakken van vrouwenhakjes.

Later die nacht vertrok de koets vanaf de brede haven met de op keien ratelende, van ijzer voorziene houten wielen, richting de steile, kronkelende zijweggetjes met aan weerszijden de uitpuilende pakhuizen van de VOC. De geur van verse specerijen uit de pakhuizen en die van pek op het in het droogdok liggende gerepareerde schip, vermengde zich met die van rottende vis van de nabijgelegen visafslag. Er klonk gelach uit de enige taveerne even verderop.

Nog heviger en wilder dan de afgelopen dagen joeg de storm de volgende morgen op de kust aan. Hoger dan ooit striemden de golven de wanden van het schip, dat veilig langs de kade gemeerd lag. Zwarte wolken hielden de duisternis boven de haven vast. Maar tóch schalde de stem van de kapitein over het dek: ‘Zeilen hijsen! Ankers lichten! We vertrekken!’De matrozen vlogen de touwen in. Ze hesen de zeilen en hun angstige kreten overstemden het geweld van de storm.

Terwijl ze gehoorzaam de bevelen van hun schipper opvolgden en tegen beter weten in het schip reisvaardig maakten, klonk boven het orkaangeweld uit het geluid van de kerk van Terneuzen. De bemanning dacht aan de lijfspreuk van de schipper: al zou ik tot in de eeuwigheid moeten doorvaren we gaan! Het schip kwam schokkend in beweging! Terwijl de storm nog steeds over de haven joeg, gebeurde er iets bijzonders. Zonder dat iemand van de bemanning iets deed, wendde het schip zijn steven en joeg de haven uit. Onderwijl werden de orders met een, op een Portugees schip buitgemaakt, scheepsfluit bevestigd. Een eenzame dame vanuit een koets keek met ingehouden adem toe, tot de vurige zeilen van het schip aan de horizon verdwenen. Bezorgd keerde ze huiswaarts terwijl ze zich afvroeg hoe dit avontuur voor de opvarenden van de Oost-Indiëvaarder zou aflopen.

De reis verliep in eerste instantie voorspoedig, ondanks de storm. Merkwaardig fenomeen was dat de bemanning niets hoefde te doen, terwijl het schip tegen de wind in voer. Tot voorbij de Tafelbaai gebeurde er niets. Bij de Kaap de Goede Hoop kwam het schip echter in grote stormen terecht die wel zes weken aanhielden. Van der Decken probeerde tevergeefs de Kaap te passeren. De volledig uitgeputte bemanning smeekte hem terug te keren naar de Tafelbaai om daar beter weer af te wachten. Willem van der Decken weigerde en gooide in zijn wilde drift de stuurman overboord. Terwijl hij dit deed, riep Van der Decken: ‘God of de Duivel, de Kaap vaar ik om, al moet ik varen tot het laatste oordeel!’

Het wonderlijke schip legde in geen enkele haven van Oost-Indië aan. Het keerde ook niet terug naar een Hollandse haven. Zo moest men dus wel aannemen dat het schip met man en muis vergaan was. Sindsdien zwerft het spookschip tegen de wind in over de wereldzeeën.

Weken werden maanden en men vergat in die tijd de kapitein en zijn schip. Niemand die ook maar iets van ze vernomen had. Tot op een dag, een jaar na de verdwijning rond Kaap de Goede Hoop, de bemanning van het VOC-slavenschip de Amstelredam, een Armasoen, iets vreemds ervoer. De matroos in het kraaiennest schrok zich rot. Hij zag een schip. Dat was geen gewoon schip! De zeilen waren vuurrood en stonden bol tégen de wind in.Stel je dat eens voor: een schip dat tegen de wind in zeilde alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was.

‘Een spookschip,’ riep een van de mannen op het dek beneden. De bemanning dacht dat het spookschip dwars door hun schip heen vloog. Men meende zelfs de kapitein te zien staan met een glimmende ketting om zijn nek. ‘Het was een Hollander,’ mompelde de kapitein bleekjes. ‘Hij voerde de Hollandse vlag. Een Vliegende Hollander,’ zei iemand. ‘De schuit van kapitein Van der Decken,’ meende de bemanning van het achterblijvende schip. Ze waren er zeker van, dat de spookverschijning echt geweest was.

Het leek alsof de kapitein van de geschrokken bemanning zich bleekjes terug wilde trekken in zijn hut. Van wat hij daar bij hem op tafel aantrof werd hij nog bleker. Hij wilde het eerst niet geloven, maar toen ook de naarstig geroepen boots hetzelfde zag, stond één ding vast. De ketting die daar op tafel lag te glimmen, moest van de Vliegende Hollander geweest zijn. De spookkapitein had hem immers om gehad, dat had de gehele bemanning gezien. Anders verklaarden ze tegen betaling van twee florijnen wel dat dit de waarheid geweest moest zijn. Hun kapitein loog immers niet. Maar er was nog geen verklaring hoe een en ander in zijn werk gegaan was. Met andere woorden: hoe kon een spookverschijning een echte ketting op tafel achterlaten.

Omdat doorgaans het reglement op een VOC-schip was dat alles aan boord eigendom van diezelfde VOC was, rees de vraag wat te doen met het glimmende ding. Op de terugreis naar hun thuishaven Terneuzen, zweeg de bemanning en zijn kapitein in eerste instantie over hetgeen ze aanschouwd hadden. Wel werd er, zij het in een aangepaste versie, aan de heren van de VOC uitvoerig reisverslag gedaan over hoe ze meenden een vreemd verschijnsel te hebben gezien. Het kon ook zijn dat de matroos in het kraaiennest zich een beetje tegoed had gedaan aan rum, en dus kon hij zich hebben vergist. Nee, de reis was niets bijzonders en waarschijnlijk voor niets geweest.

De heren van de VOC waren niet overtuigd en sommeerden de kapitein terug te varen naar het zogenaamde spookschip om meer bewijs te vergaren. De kapitein ging, zoals veel van zijn bemanningsleden, ergens in een van de vele kroegjes in de haven iets drinken. De ketting ging als betaalmiddel voor vele flessen rum naar een andere eigenaar. Over het spookschip gingen vele verhalen de ronde en die werden sterker naarmate er meer rum werd genuttigd. Vanderaarden, de boots, bleek wel heel erg veel rum te kunnen betalen. Als onderpand werd door hem een vreemd uitziende scheepsfluit afgegeven. Wat moest een VOC’er met een Portugese scheepsfluit? Boze tongen beweerden dat ook die afkomstig was van het spookschip, maar die lui waren waarschijnlijk jaloers.

De volgende dag vertrok het schip weer naar zee om na het klinken van zeven korte schallen op de scheepsfluit, bekend als teken van de sloepenrol, nooit meer gezien te worden. De jonge waard van de kroeg, baas Verwoerdt, die de fluit als onderpand had gekregen, vertrok met zijn zoon landinwaarts om ergens in de veel verder gelegen regio Drakensteijn een herberg te beginnen. De ketting werd ergens veel later in het jaar 1762 via via verkocht aan een Drakensteijner. De fluit… die verhuisde in het jaar 1676 mee oostwaarts. Van beide is in de tussenliggende en daaropvolgende jaren niets op schrift bekend.

 

Het verhaal is echter niet afgelopen, het begint hier slechts mee.

 

 

 

 

 

De 18de Eeuw

 

 

 

 



·         1768 - De 18de Eeuw.

 

Op tien januari 1768 hield in Odorp de haan van de dominee op met kraaien. Volgens Aleida Lansink, de Zedendamse burgemeestersdochter, die in 1762 getrouwd was met domineeszoon Hendrikus Koehorst, waren de lellen van de haan bevroren. Het was zelfs kouder dan de vorige koude winter van 1709. Aleida beleefde het staartje van wat weerkundigen de Kleine IJstijd noemden. Een rijke tijd vol prachtige schilderijen met sleetjes en winterpret. De andere kant van deze periode bleef onbesproken, en dat is maar goed ook.

Aleida woonde na haar trouwen in Odorp, een klein gehucht in de regio Drakensteijn. De huidige grens van regio Drakensteijn met Favenland bestaat al sinds mensenheugenis en is in de loop der eeuwen nauwelijks veranderd. Al ten tijde van Karel de Grote had zij nagenoeg hetzelfde verloop. In het jaar 843, toen diens rijk werd opgedeeld, liep de grens tussen het zogenaamde Middenrijk, waartoe Drakensteijn behoorde, en het Oostfrankische Rijk, het latere Favenland, al langs Drakensteijn.

Ook vinden we in het terrein andere sporen die herinneren aan de eeuwenoude grens. In die tijd was het namelijk de gewoonte om misdadigers terecht te stellen en te begraven aan de grens van het eigen gebied. Zo lag ten noorden van Vlasser, waar de grens tussen de grensstenen 100 en 101 een scherpe hoek maakte, de zogeheten Galgenberg. In deze regio lagen her en der tussen de weilanden de kleine dorpen en steden. Zo ook Odorp en Zedendam.

Odorp dankte zijn naam aan de reactie van de dorpelingen die tijdens de vele terechtstellingen telkens weer ‘O’ riepen. Het klinkt stom, maar het is toch echt zo. Dorpsnamen en zelfs achternamen van mensen werden zo eenvoudig mogelijk gehouden. Het volk was immers dom, er waren nog geen scholen en leerplichtwetten.

Zedendam dankt zijn naam aan de actie waarbij het plaatselijke bordeel leeggehaald werd en alle dames die aanwezig waren, gekuist ofwel zedelijk gemaakt werden. Zedelijk gemaakt worden betekende dat de haren werden afgeschoren. Dit gebruik zou aan het eind van de tweede wereldoorlog herhaald worden bij zogenaamde vijand-hoeren, meisjes die met de vijand sliepen.

Odorp en Zedendam waren toen al beruchte plaatsnamen in de regio, al was het maar als gevolg van de ophangingen in het dorp en het bordeelvermaak erna in het stadje. Niet onbelangrijk daarbij was het feit dat Odorp op een knooppunt van wegen lag. Onder andere de weg naar Klunder, een belangrijke Favenlandse stad, waar in 1648 de vrede voor de 120-jarige oorlog werd getekend. Natuurlijk de wegen naar Ogor en Kleppenzaal, de twee belangrijkste plaatsen van die tijd.

Zoals gezegd waren het harde, arme en moeizame tijden voor de gewone mens in Drakensteijn. De meeste mannen en kinderen in die tijd verdienden hun brood met schop, greep en zeis. Vrouwen stonden urenlang te boenen en te schrobben met een wastobbe in de beek. Daarnaast moesten ze ook nog eens voor de kleinere kinderen uit de vaak grote gezinnen zorgen.

Acht of negen kinderen was geen uitzondering. Vrije tijd was dan ook uiterst spaarzaam want een paardetand en een vrouwehand mogen nooit stil staan, zo ging het gezegde in die tijd.

Een steeds groter wordend probleem was de volksgezondheid in de landbouw en veencultuur. De malaria, ofwel moeraskoorts, en de pest waren echte plagen. Wanneer een ziekte echt rampzalige vormen aannam, werd deze net als noodweer, oorlog of hongersnood beschouwd als een uiting van Gods onvrede. De pest werd in de 17e en 18e eeuw ook wel de Ongave Gods genoemd.

Na 1782 werd Drakensteijn niet meer geregeerd door een drost maar door één gouverneur voor de hele provincie Overmangel. Over onderwijs werd nog niet nagedacht, of het moest het seminarie in de Gansenbrei te Zonderen zijn die door de paters karmelieten is gesticht. Ook de paters redemptoristen te Gaanderburg hielden zich pas veel later bezig met onderwijs.

En ja, dan had je nog wat losse personen als Aleida Koehorst-Lansink die al in 1768 samen met haar man nadacht over onderwijs, weliswaar alleen aan kinderen van herenboeren en adel, maar toch. Nu had Aleida Koehorst al in 1763, een jaar na haar trouwen, plannen in de maak voor het onderrichten van rijke kinderen in haar eigen huis. Hoewel ze bij de notabelen van Odorp behoorden, was er geen geld. Dus werden de plannen opzij geschoven.

Zoals gezegd was het erg koud op 10 Januari 1768 en de lellen van de haan waren zo bevroren dat de haan niet meer kraaien kon. Winterpret alom met houten plankjes om op te glijden over de versgevallen sneeuw. Aleida Koehorst, zelf kinderloos, genoot zichtbaar van de sneeuwpret die de kinderen uit de straat hadden met elkaar. Rijk en arm hielden met elkaar een sneeuwballen gevecht. Hendrikus Koehorst, haar man, schudde dan niets begrijpend met zijn hoofd. Hij snapte niet dat ze de kinderen les wilde geven. ‘Dat is toch niets voor ons,’ zei hij tegen haar. ‘Al die kinderkopjes vullen met onzin.’

‘Jij zult het nooit begrijpen,’ antwoordde ze tegen hem. ‘Maar diep in mijn hart weet ik dat daar de toekomst ligt, in het lesgeven.’ Hendrikus schudde zijn hoofd en zei weer dat niemand geld zou durven steken in die nieuwerwetse onzin. ‘Eens op een dag weet ik dat ik gelijk zal krijgen, ik voel het gewoon,’ riep Aleida. Dat ze niet zou opgeven, wist Hendrikus maar al te goed. Daarvoor was ze te koppig.

De meeste huisjes in die tijd waren plaggenhutten, gemaakt van veenplaggen en stro. Maar het stenen huis van Aleida en Hendrik was er duidelijk een van notabelen, zoals je maar weinig zag in 1768. Het was gemoedelijk ingericht met een open haard midden in de hoofdkamer. Verder had het een klein kookgedeelte en twee ramen, met utzicht op de tuin, naast de enige deur. Er waren drie kamers elk voorzien van een eigen bedstee. Twee kamers waren voorzien van muurversierselen als schilderijen en gordijnen. Eén kamer, de achterkamer, bleef als enige leeg. Die was oorspronkelijk bedoeld als toekomstige kinderkamer.

Toen de kinderwens na een jaar nog niet vervuld was, stortte ze zich op het nieuwerwetse gedoe: lesgeven. Aleida voorzag langzamerhand de muren van de achterkamer van zwarte verf. Ze had ergens een wit goedje gevonden dat vermengd met water tot een soort uitwisbaar schrijfgerei kon worden gekneed. Dat paste weer duidelijk bij de zwarte muren. Ze dacht dat ‘krijt’ wel een toepasselijke naam was aangezien de grondstof zo heette waarvan het spul gemaakt was. Het witte goedje was door een VOC-schip meegenomen uit Brittanië, afkomstig van de witte krijtkliffen van Dover.

Het raam werd geblindeerd met papier om pottekijkers geen blik naar binnen te gunnen. Die pottekijkers waren in dit geval de arme kinderen die wel eens jaloers zouden kunnen worden. Die wilden natuurlijk ook les krijgen en leren schrijven, maar ja, daar was geen geld voor. Wat Aleida vergat, is dat die kinderen hier niet eens de tijd voor hadden, ze moesten meewerken om eten op tafel te verdienen. Kinderarbeid was nog heel normaal in 1768.

Ze schonk nog een kopje thee in voor Hendrikus. De wind gierde om het huis. Het werd kouder en donkerder.

Die avond was het donkerder dan gewoonlijk rond deze tijd van de dag. Ze pakte de pook en porde de open haard nog eens op. Het vuur knetterde gemoedelijk hoger op. Terwijl ze nog eens door de gordijnen keek, zag ze dat de kinderen inmiddels naar hun huizen waren gegaan.

‘Weet je, Hendrikus, we zouden eigenlijk een apart gebouwtje moeten hebben voor dat lesgeven,’ zei Aleida.

‘Onzin, daar steekt zelfs geen overheid geld in,’ antwoordde Hendrikus.

‘Ja toe maar maak jij er maar grapjes over,’ reageerde ze. ‘Maar er komt een moment dat ik mijn zin krijg.’

Hendrikus schudde zijn hoofd vol binnenpret over de vastberadenheid van zijn vrouw. Bij de volgende kop dampende thee nam hij een beroemde Odorpse losbol. Die avond gingen ze beiden vroeg naar de bedstee. Een bed ingemetseld in de muur om zo ruimte te besparen. Ruim was het niet, knus in elk geval wel. Aleida kroop dan ook gemoedelijk tegen haar man aan.

Nadat ze de volgende morgen haar kleding weer had aangedaan, kwam ze tot de ontdekking dat er ingebroken was in hun huis. Ze keek koortsachtig of er ook iets gemist werd. Ze deed alle laden open, keek zenuwachtig achter elke deur.

‘Toe Hendrikus, kijk jij nou eens rond,’ zei ze nerveus. Het was toch geen pretje om zo vroeg in de morgen tot de ontdekking te komen dat er ‘s nachts iemand in je huis geweest was terwijl jij sliep.

‘We moeten de drost waarschuwen,’ zei Hendrikus tegen zijn vrouw.

‘Oké schat, ik zal hem laten halen,’ was het antwoord van Aleida.

Zenuwachtig als een kat liep ze heen en weer te ijsberen, tot de drost een half uur later op hun deurpost klopte. Een stoer uitziende man, klaarblijkelijk de tweede assistent, aan zijn uniform en zijn pruik te zien, stapte binnen. Iedereen wist namelijk dat de luitenant de eerste assistent van de baron was. Die droeg een heel ander uniform en een langere pruik. De drost stelde zich voor als Baron Johan Derck van der Kapel tot den Polder. Overbodig, want iedereen in de regio kende hem.

Zijn ondergeschikte Karel Blinkerds zei alleen iets als de drost tegen hem sprak en hij keek verder alleen rond. Hij veegde eens met zijn witte handschoen over de vensterbank en fluisterde de drost iets in het oor.

‘Mijn tweede assistent meldt mij dat de dieven waarschijnlijk via de ramen zijn binnengekomen,’ zei de drost met een arrogante toon. ‘Weet u zeker dat u niets mist?’

Doorgaans sprak alleen de man des huizes tegen de drost, maar Aleida was te opgewonden en de persoon er niet naar om te zwijgen. Ze riep dat ze alles gecontroleerd had maar dat ze zo op het eerste gezicht niets miste.

De drost keek wenkbrauw ophalend naar Hendrikus en gaf furieus te kennen dat, hoewel Hendrikus en aleida tot de notabelen van Odorp behoorden, ze niet het recht hadden om hem, de Baron, een half uur te laten reizen terwijl er niets gestolen was. Woest draaide hij zich om en verdween door de deur. Aleida verbaasd achter latend.

De assistent van de drost keek voor alle zekerheid nog eens rond in het huis en kwam met een gezicht vol vraagtekens terug uit de kamer met de zwarte muren. Verdacht was het wel, vond hij. Maar voordat hij antwoord kreeg op de vraag waarom de muren zwart waren, riep de drost hem tot zich. Die dag bleef Hendrikus Koehorst bij zijn vrouw.

De volgende morgen wilde Aleida na het eerste kopje thee haar juwelen omdoen tot ze bij de ketting kwam die ze voor haar trouwdag gekregen had. Maar het kistje waar hij doorgaans in lag, was leeg. Waar kon nou toch die ketting zijn, ze had hem vorige week nog om gehad. Tot ze bedacht dat hij gisteren waarschijnlijk gestolen was. Vol paniek keek ze haar man aan. Hoe moest ze nu haar school bekostigen?

Hendrikus keek zijn vrouw vol ongeloof aan. Alleen Aleida kon op zo’n moment aan zoiets denken, waar iedere andere vrouw getreurd zou hebben om de ketting zelf.

Hendrikus dacht aan de vele florijnen die hij betaald had voor dat ding, en hij bedacht stiekem wat hij de dieven zou aandoen als hij ze te pakken kreeg. Aan het spit rijgen zou hij ze, of kielhalen alsof ze op een schip waren. Maar ja nu moest hij de drost opnieuw benaderen, om te laten weten dat er toch echt iets gestolen was. Nee, zo besloot hij na een uurtje te hebben nagedacht, hij zou de luitenant waarschuwen. Die was tenminste niet arrogant.

Gelukkig wist Hendrikus dat de eerste assistent van de drost een goed speurder was en een dief van mijlen ver kon ruiken. Zeker als het ging om zoiets kostbaars als een ketting van kapitein Van der Decken. Hij zou deze ketting samen met een fluitje, een ocarina, gekregen hebben van zijn minnares. Het verhaal wil dat de ketting tezamen met de fluit die werd bespeeld door een speciaal persoon, magische krachten bezat. Daarna was de kapitein spoorloos verdwenen, evenals de adellijke dame, de fluit en de ketting.

Tot ergens in 1762 te Terneuzen, een kustplaats ergens in het nabij gelegen Holland, een sjofele verkoper het fluitje voor vele florijnen aan ene Hendrikus Koehorst verkocht. Hendrikus was die dag voor een bespreking in Terneuzen en zag zijn kans een mooi cadeau te kopen voor zijn trouwdag. Dat ding is zo mooi, dacht Hendrikus, dat kan Aleida niet weigeren. Dus wisselde de ketting, zonder navraag over de herkomst, van eigenaar. Over het fluitje dat bij de ketting hoorde, was niets bekend.

Dit laatste, hoewel een mooi verhaal, deed niets af aan het verdriet van Aleida Koehorst. Verdriet over een ketting die in overleg met haar man Hendrikus verkocht zou gaan worden om geld te verkrijgen voor een school in oprichting. Een ketting die haar ontvreemd was. Ontvreemd door schobbejakken, gauwdieven of wie dan ook.


·         Een geteklomp en witte wieven.

 

Gauwdieven had je in soorten en maten. Ruben en Gerrit Janskind waren de ergsten in de regio. Eigenlijk waren ze al begonnen als jeugdige delinquenten. Appels stelen van meneer pastoor, de notabelen publiekelijk voor schut zetten, je kent dat wel. Al gauw kende iedereen in Odorp de beide jongens van Janskind.

Nu moet je weten dat de regels voor namen in de regio Drakensteijn bedacht werden door Napoleon, toen de baas van bijna heel Europa. Rond 1768 was hij de baas en iedereen die nog geen achternaam had, moest een naam bedenken om zich mee in te laten schrijven. Er waren tegenstanders die gewoon deden of ze niets gehoord hadden. Er waren ook mensen die het bericht niet serieus namen. Zij bedachten soms rare namen zoals: Boterkop, Platvoet, Armoedzaaier en Naaktgeboren. Na nog wat strubbelingen had binnen een jaar bijna iedereen een achternaam. Wie weigerde, zou een fikse boete krijgen. De laatste weigeraars kregen tenslotte ook een naam. 

Gerrit en Ruben Janskind hadden gelukkig al een achternaam. Dus konden ze zich bezighouden met belangrijker zaken zoals stelen. Aangezien Gerrit en Ruben beiden al voor de periode waren geboren, waarin Napoleon de baas was in de regio, kregen ze de naam van hun moeder. Dit was  in tegenstelling met de Napoleontische regels waarbij de meeste mensen de naam van hun vader kozen. Maar ja, de vader van de beide broers was onbekend. Elke boeren doorsnee man had het kunnen zijn. Kijk, daar had je weer zo’n rare naam die door het klootjesvolk als achternaam kon worden gebruikt. De Boer, wie wilde er nu zo heten.

Gerrit Janskind – bijgenaamd Geteklomp Gait (vernoemd naar het feit dat hij geboren was terwijl zijn moeder Greta Jans de geteklomp gebruikte bij het wassen) – en zijn broer Ruben Janskind – bijgenaamd IJzeren Ruben (vernoemd naar zijn vuisten ter grootte van een ijzeren schop) – waren die nacht ladderzat van hun laatste florijnen uit de kroeg gekomen. Aangezien beiden vrijgezel waren, wachtte hen thuis niemand op.

Ze moesten alleen uit de handen blijven van de in Hussel wonende Spaanse luitenant Bernard Cerniago de Borbonje. Een kwaaie kerel van wie het verhaal wil dat hij tijdens de Twaalfjarig Bestand in Kleppenzaal achterna gezeten werd door een troep wolven. Hij had zich op het laatste moment weten te redden door over de palissade te springen die zijn huis omgaf. Toen de eerste wolf ook over de palissade was gesprongen, trok de luitenant zijn dolk en vocht als een leeuw met de wolf. De eerste wolf dolf al snel het onderspit en toen die dood neerviel, durfde de rest van de troep niets meer te doen. Maar zijn paard scheen te zijn verzwolgen door de wolven. Al met al geen kerel om in het donker tegen te komen.

Nu waren Ruben en Gerrit ook niet bepaald lieverdjes. Naast al hun gezuip en gebral, stonden ze bekend als lafaards. Geslepen als diamant en met de kunsten van echte oplichters. Nee, stoer waren ze zeker niet als ze de luitenant tegenkwamen. Dan was het ‘ja luitenant en natuurlijk luitenant Cerniago de Borbonje’ .

De luitenant was eerste assistent van de drost van Drakensteijn. De drost Baron Johan Derck van der Kapel tot den Polder, een arrogant heerschap, was de baas van Drakensteijn tot 1 november 1782. Wat hij zei, gold als wet en daar viel niet mee te spotten.

De reden van het gezuip van de beide broers Ruben en Gerrit was duidelijk. In het voorjaar van 1768 woonde tussen de weilanden aan de rand van Odorp een boer met veel bezittingen. Vele weilanden behoorde hem toe, en hij had wel tien koeien. Maar geen zonen, alleen een dochter. Ze heette Jansje en ze groeide op tot een struise boerendochter. De vader wilde haar naar zijn keus laten trouwen met Hendrik, zoon van de drost. Jansje echter had haar zinnen gezet op Ruben, zoon van geteklomp, het wasvrouwtje uit Odorp. Ruben werd de deur gewezen door Jansjes vader. Ruben, verdrietig omdat hij Jansje niet meer mocht ontmoeten, liep die avond met zijn broer de kroeg uit. Nu had zijn moeder Greta hem altijd op het hart gedrukt, dat hij in de nacht nooit bij het brulbos moest komen, omdat de Witte Wieven niet gestoord wilden worden. Ruben dacht aan Jansje en niet aan de wieven. Hij liep met zijn broer tussen de weilanden en het werd steeds donkerder. Ze waren verdwaald!

Opeens kwamen uit het niets witte gedaanten opdoemen. Witte wieven, spookvrouwen in het wit. Mistflarden of echte spoken, Ruben en Gerrit waren als de dood voor het verschijnsel. Dan liepen ze nog liever in de armen van de luitenant of de mannen van de drost. Het werd steeds donkerder en Ruben en Gerrit raakten verdwaald in hun eigen omgeving.

De beide broers raakten in paniek. ‘Knuppel,’ riep Gait zijn broer Ruben toe. ‘Zo komen we nooit thuis.’ Ze begonnen nog harder te rennen. Net toen ze bijna met open ogen in een stinkende mestkuil dreigden te vallen, werden ze als door een onzichtbare kracht tegengehouden en omgedraaid. Het leek wel alsof de witte wieven hen hadden opgepakt en omgekeerd.

De beide broers raakten nu helemaal in paniek en renden zo hard als hun klompen ze konden dragen terug de kroeg in. De waard zag hun verbleekte gezichten en bood ze een kleppertje aan, de trotse drank uit Ogor. Veel te snel was het glaasje leeg, en dus namen ze er nog een, en nog een. Een kerel van normaal postuur kon slechts één of twee kleppertjes hebben, maar Ruben en Gait leken door de schrik meer te kunnen drinken dan anders. Zo kwam het dus dat de beide broers al gauw dronken waren.

De waard, een oude Hollander uit Terneuzen, van de plaatselijke kroeg genaamd plaggenhut de stinkende Brei – een naam die de zaak eer aandeed – wilde weten wat de reden was van al dat gezuip en kreeg al gauw geïnteresseerden om zich heen verzameld.

De stinkende Brei was een oude boerderij, omgebouwd tot een plaats waar je kon drinken, eten en indien noodzakelijk slapen. Maar gezien het lekkende dak, de constante stank van bier en de loslopende ratten was dat slapen niet aanbevelenswaardig. De muren waren kaal, de gasten moesten op de grond zitten rond het enige vuur of hangen aan de bar. Dat laatste was dan ook een vaak geziene handeling. Met name de boerenknechten en de soldaten van de drost en de luitenant hielden zich ermee bezig. Plassen deed je buiten tegen de muur of tegen de naastgelegen hooimijt. Ook dat deed bijna niemand, aangezien er wolven waren gezien, maar dat kan ook bangmakerij geweest zijn om zo zelf een schoon plekje te bemachtigen.

Alvorens hun verhaal te vertellen, keken de beide broers nog eens goed rond. Nog een wonder dat er zoveel mensen waren in deze sjofele zaak met muren van leemklei en een dak van stro. Dan hadden ze het nog niet eens gehad over de waard zelf. Terwijl ze nog eens keken, zagen ze dat de meeste gasten de mannen van de luitenant en de drost waren, die hun soldij kwamen verdrinken.

Het verhaal van Ruben en Gait werd eerst met grote ogen aangehoord. Iedereen kende de verschijnselen van de witte wieven. Maar toen ze bij het deel aankwamen waarbij de broers als door een kracht omgedraaid werden, net voor ze in een mestkuil vielen, werd het de omstanders te gortig. Dit geloofde niemand. Witte wieven waren immers slechte heksen, waarom zouden die nu ineens goede dingen doen. Nee al gauw werd het verhaal naar het rijk der fabelen verwezen.

Toch was niemand er gerust op, want stel je eens voor dat de broers de waarheid spraken. Gerrit die het witst van de twee broers was, voelde de rillingen nog over zijn rug lopen, en dat was niet van de kou.

Om de florijnen te pakken om de waard te betalen, voelde Gerrit in zijn broekzak en bemerkte dat hij iets miste. ‘Verdomme ik ben ma’s ketting verloren bij die verdomde mestkuil natuurlijk,’ vloekte hij hardop Hij keek woest al zijn kleren en broekzakken nog eens na. Om vervolgens nog harder te vloeken. Het was niet echt de ketting ván zijn moeder, eerder een ketting vóór zijn moeder. Hij had het eigenlijk gejat. ‘Verdomme waarom moest ik van alle buit nou juist deze verliezen,’ vloekte hij wederom. Het was een mooi ding geweest en eerlijk gejat van de burgemeestersdochter.

Ruben stootte zijn broer aan, en maande hem tot kalmte. Even verderop stond de luitenant een glaasje te drinken, en je wist maar nooit wat hij gehoord had. Gerrit was vastbesloten die ketting terug te vinden, daar kon je op rekenen.

Voor de tweede keer die avond rekenden ze af bij de waard van plaggenhut de stinkende Brei, toen de mannen van de luitenant zich begonnen af te vragen hoe ze hun drinkgeld zonder problemen konden betalen. De broers stonden immers niet als schatrijk bekend en ook behoorden ze niet tot de notabelen van de regio. Ruben en Gerrit werden achterdochtig bekeken.

Rap probeerden de beide mannen zich uit de voeten te maken, uitkijkend waar ze naartoe gingen – ze wilden de witte wieven niet nog eens ontmoeten die avond – achtervolgd door de stevig uitziende mannen van de luitenant. Ruben en Gerrit, ook niet gek, hadden dit al rap in de gaten en namen een zijweggetje. Inderdaad waren de achtervolgers snel het spoor bijster. Waarop Ruben en Gerrit al bekvechtend op weg naar huis gingen. Hoe moesten ze ma nu vertellen dat ze geen cadeau hadden voor haar verjaardag morgen?

Bij dat wassen in de beek werd naast puur bleekwater een geteklomp gebruikt om telkens een guts water over de kleren te gieten. Een geteklomp is een oude klomp zonder kap voorzien van een lange stok. Greta moest die morgen weer eens kleren wassen in de beek. Kleren van de dominee, daar werkte ze als wasvrouwtje. Nu was de dominee niet bepaald een nette heer, gezien de bruine remsporen in zijn lange wollen onderbroek. Dus extra schrobben en veel bleekwater was geen overbodige luxe.

Met de geteklomp op de ene schouder en de was op de andere liep ze het dorpspad af richting Zedendam en dus naar de beek die tussen Odorp en Zedendam lag. Greta had twee zoons, Ruben en Gerrit, maar daar hoefde ze niet meer financieel voor te zorgen. Die twee redden zich zelf wel, die liepen meestal niet in twee sloten tegelijk, zoals dat heette. Zolang ze maar uit het brulbos bleven, weg van de witte wieven.

Ze ketste de kleren van de dominee op de stenen van de beek. Daarbij schepte ze er met de meegebrachte geteklomp een plens water overheen. De zon kwam net op boven het groene landschap. De wind blies zo vroeg in de morgen nog niet, en de witte wieven waren alweer naar huis gegaan. Dit laatste hield in dat de mistflarden opgetrokken waren.

Het water kabbelde rustig door de beek, je kon de vissen zien zwemmen en de eerste kikkervisjes zien poedelen. Het was een hele stapel kleren dit keer, en Greta was dan ook erg druk in de weer. Na zo’n tien onderbroeken, twintig sokken en wel dertig doeken, was ze toe aan een laatste vergeten onderbroek. Een met wel erg veel remsporen. Ze moest hier maar veel bleekwater gebruiken. Greta schepte een klompje water op en meende een dikkopje, zoals ze een kikkervisje ook wel noemde, mee opgeschept te hebben. Dus stopte ze en trok de lange steel van de geteklomp naar zich toe om te kijken. Kon ze er gelijk een scheut bleekwater in doen.

Terwijl ze keek, schoten haar ogen bijna uit haar hoofd. Zenuwachtig trillend stak ze haar vrije arm uit naar hetgeen ze zag liggen in de geteklomp. Daar had ze warempel een blinkende ketting opgevist. Snel en achterdochtig keek ze om zich heen of er ook iemand in de buurt was. Oh, als ze die eens kon houden, van het geld wat dat ding waard was kon ze rijk leven.

Ze beschouwde het ding alsof het van haar was. Zij had het immers eerlijk gevonden. De beide zoons hadden het dievenbloed niet van een vreemde. Want hoewel Greta zelf niet stal, wist ze alles van het helersvak. Zo had ze al menigmaal een ding helpen verkopen, waarvan de afkomst op zijn minst gezegd twijfelachtig was. Nogmaals keek ze naar de gevonden ketting, het was er een zoals ze nog niet eerder had gezien.

Vlug stak ze het kleinood in de extra binnenzak van haar rok. Vrolijk ging ze door de bruine remsporen van de dominee te bleken, alsof er niets gebeurd was. Niets kon haar verjaardagsgevoel verpesten, of het moest al zijn dat haar beide zoons geen cadeau hadden voor haar. De snotapen, riep ze in zich zelf.

Terwijl de mannen van de luitenant langs kwamen marcheren, gedroeg ze zich zo kalm als maar mogelijk was. Hoewel Greta op haar benen stond te trillen. Onmogelijk dat die mannen wisten wat zij zojuist gevonden had, dacht ze nog. Maar ja, iemand die zo stond te trillen, moest wel iets te verbergen hebben. Dat was doorgaans niet veel goeds. De mannen waren zo arrogant te denken dat die vreemde vrouw trilde bij de stoere aanblik van hun postuur. Maar de luitenant, die zelf achteraan liep, wist wel beter of liever gezegd: was argwanender. ‘Goeie morgen wasvrouwtje,’ zei de luitenant met een Spaans accent. ‘Wat doet u hier?’

‘Wat een vreemde vraag luitenant,’ antwoordde ze. ‘Ik was de kleren van de dominee natuurlijk.’ Terwijl ze dat zei, kreeg ze een blos op haar wang. ‘Maar wat doet u hier, iemand uit het schavot ontsnapt misschien?’ vroeg ze de luitenant terug. Dat schoot de luitenant in het verkeerde keelgat. ‘U denkt toch niet dat onder mijn commando ook maar iemand ontsnapt uit mijn schavot,’ schreeuwde hij met een rood hoofd. Het was waar, sinds de luitenant bij de drost was komen werken, was er nooit meer iemand aan zijn wakende oog en strenge regime ontsnapt. Tenminste dat was zo als je al gesnapt werd door de luitenant. Ruben en Gerrit wisten tot nu toe uit de handen van de luitenant te blijven.

Nadat de luitenant uitgeraasd was tegen Greta, die hem diep beledigd had, liepen hij en zijn mannen snel door in rappe pas, Greta opgelucht achterlatend. Ze voelde nog eens aan de binnenzak waar ze de zojuist gevonden ketting had ingestopt. Hij zat er nog.

Die avond kwam er bij Greta thuis een onguur type over de vloer om eens te babbelen over, laten we zeggen, gevonden voorwerpen. Ruben en Gerrit hadden het hart niet om hun ma te vertellen dat ze haar cadeau verloren waren en gezien het humeur van hun moeder zaten ze sowieso liever in plaggenhut De stinkende Brei. Ma daarentegen had haar zoons niets verteld over het gevonden voorwerp, en was blij dat de twee pottenkijkers naar de kroeg gingen.

Toen Gerrit de deur van De stinkende Brei open duwde, op de voet gevolgd door Ruben, keken ze recht in het gezicht van een kwaad uitziende luitenant. ‘Waar waren jullie,’ riep hij luid. ‘Gisteravond had ik nog een paar brandende vragen voor de beide heren,’ vervolgde hij. Heel de kroeg was stil. Zelfs de waard hield zijn mond, en dat wilde wat zeggen. Daarna volgde enkele Spaans klinkende mededelingen van de luitenant. Het werd wederom zo stil, dat je een naald kon horen vallen.

‘Euh… buiten,’ stotterde Gerrit. Hij porde zijn broer in de rug, hem aansporend ook iets te zeggen. Maar die hield wijselijk zijn mond. Omringd door de mannen van de luitenant konden de twee geen kant meer op. Er waren zelfs bajonetten op hen gericht. Klaarblijkelijk was de luitenant niet tevreden met het antwoord. Onder dwang van een zestal Mausergeweren model 1765, elk voorzien van een bajonet, werd het oogwit van Gerrit nog witter en zijn gezicht bleker.

Er hing een gespannen sfeer in de kroeg. Iedereen was muisstil, en keek wat er ging gebeuren. Met de punt van een bajonet op de neus, vertelde Gerrit rap een heel verhaal over gestolen goederen, zelfs over een verloren ketting. Na de bekentenis werden er kettingen aan de polsen van Gerrit en Ruben geklonken en werden ze onder luid gejuich van de kroeggasten afgevoerd naar het schavot.

Omdat de broers die avond niet thuiskwamen, werd hun moeder een beetje ongerust. Verdorie waar hingen die twee nu weer uit, zeker weer dronken in de kroeg.

Greta had die avond goede zaken kunnen doen met de gevonden ketting. Wel tien florijnen had ze bedongen. Zo te zien was ze daar blij mee, een heerlijk verjaardagscadeau.

In het schavot tussen lotgenoten probeerde Harold de heler een deal te sluiten met Gerrit en Ruben. Hij had een prachtige mysterieuze ketting gekocht vanavond en wilde die wel kwijt aan de twee voor een zacht prijsje. Hij had de pech gehad gelijk opgepakt te zijn. Slechts twintig florijnen en de beide broers waren de eigenaar. Gerrit die het ding herkende als zijn verloren ketting, sprong zowat uit zijn vel. Met woede in zijn ogen drukte hij zijn beide vuisten in de keel van de heler. De bewakers grepen niet in, dat zagen ze graag: gevangenen die elkaar te lijf gingen.

‘Jij schoft, vertel op, hoe kom jij aan mijn ketting,’ raaskalde Gerrit. Het wit in zijn ogen werd dit keer vuurrood. Zijn hele lichaam verschoot van kleur. Woedend was hij op die nietsnut van een heler.

‘Ik…ik heb het gekocht van een wasvrouwtje hier in de buurt,’ stotterde de heler doodsbenauwd.

Gerrit, zich realiserend dat de heler het over zijn bloedeigen moeder had, liet de man terstond los. Ma, zo redeneerde hij tegen zichzelf, mijn bloedeigen moeder? Hoe kwam die nu weer aan dat kostbare kleinood?

Ruben, die dit tafereel verbaasd had gadegeslagen, piekerde net zo hard als zijn stom geslagen broer. In rap tempo, en bedekt door de mede-celgenoten, trok Gerrit de ketting uit de handen van de heler, die geïmponeerd door het postuur van Gerrit niets terug durfde te doen.

Nu hadden de broers nog een probleem: ze konden nu natuurlijk de ketting niet meer cadeau geven aan hun moeder. Tegen de tijd dat de wachters de kluit gevangenen zagen, grepen ze in. De heler werd in de hoek gesmeten, en Gerrit en Ruben in de boeien geslagen. De gewraakte ketting werd in beslag genomen.

 

Dagen gingen stilletjes voorbij, toen na een week de luitenant besloot de beide broers eens aan de tand te voelen over een ketting, die duidelijk toebehoorde aan de familie Koehorst. Na enige zachte dwang, niet ongebruikelijk in 1768, was het verhaal van de inbraak snel bekend. Onbekend bleef echter de vraag hoe het ding in handen van Greta was geraakt. Zonder bewijs had de luitenant geen reden de vrouw aan te houden. Dat had ook geen zin, ze zou in alle toonaarden ontkennen dat zij dat ding gevonden en doorverkocht had. Nee, Greta bleef wijselijk buiten schot. Haar zoons zaten al in het schavot, daar hoefde zij niet ook naar toe. Dat deed niemand enig goed.

 

 


·         Een vreemde fluit uit 1676.

 

Nadat in 1676 baas Verwoerdt en zijn zoon in Terneuzen van de bootsman van de Amstelredam een vreemd Portugees scheepsfluitje hadden gekregen, had Verwoerdt zijn boeltje bij elkaar gepakt en was hij naar een andere regio vertrokken.

Er was die avond enige ruzie geweest in zijn taveerne, en toen de Amstelredam de volgende ochtend wederom naar Kaap de Goede Hoop moest vertrekken, was van het schip nooit meer iets vernomen. Er gingen geruchten dat het spookschip, de Vliegende Hollander, er iets mee te maken had. Maar dat was waarschijnlijk bangmakerij.

Na jaren van armoede en ongeluk ging baas Verwoerdt dood, en nam zijn zoon de zaak over. Die was inmiddels zelf ook een oude man geworden. Bij de begrafenis waren slechts de dominee en de zoon zelf aanwezig. Er was een vreemd kistje waarvan pa had gezegd dat die pas open mocht na zijn dood. In de kist zaten een rol perkament, een paar florijnen en een vreemde fluit.

Nu kon zoon Koen niet lezen, dus moest de dominee dat doen. Helemaal te vertrouwen was die nou ook weer niet. Het waren donkere jaren en een ieder pakte wat hij of zij pakken kon. Dus de dominee deed dat ook. Die dacht dat er heel wat te halen viel, maar toen hij de inhoud van het kistje zag, viel dat zwaar tegen. Dus loog de pastoor over de inhoud van de brief tegen Koen.

‘Beste zoon,’ zo begon hij haast hijgend. ‘Beste zoon, als je deze brief leest of laat voorlezen, ben ik er niet meer.’ Een troosteloos, maar waarheidsgetrouw begin. ‘De inhoud van deze kist is waardeloos en je zult er niet veel aan hebben.’ De dominee kuchte een paar keer. ‘Je zult de weinige florijnen die er zijn, moeten afstaan aan de dominee ten behoeve van de armen.’ Daarbij keek de dominee wenkbrauw ophalend naar Koen, die hem ongeloofwaardig aankeek. ‘Maar er blijft nog een fluit over voor jou, mijn zoon,’ vervolgde de dominee, in het geheel niet van zijn stuk gebracht door zijn gelogen woorden. ‘Amen,’ zei de dominee en beëindigde daarmee de korte plechtigheid en het voorlezen van de brief.

Hoewel Koen er geen biet van geloofde, gaf hij volgens de laatste wens van zijn vader, de paar florijnen aan de dominee. ‘De armen zullen er gelukkig mee worden,’ zei de dominee. Ja de linker en de rechterarm zul je bedoelen, dacht Koen. Nadat de dominee was weggerend – zijn zegeningen, of liever gezegd: zijn florijnen tellend – sloot Koen eenzaam het graf van zijn vader. Een pracht mens. Koen dacht nog even, toen hij de dominee zag wegrennen, aan de woorden van zijn vader: ‘Heb vertrouwen maar vertrouw geen mens.’ Koen keerde met een kist, een stomme fluit en een rol perkament dat hij niet kon lezen, terug naar zijn kroeg, plaggenhut De stinkende Brei.

Aangezien Koen geen flauw benul had wat te doen met het vreemde tweeënnegentig jaar oude fluitje, stopte hij het terug in de kist en verborg hij het.

Enkele weken na de begrafenis van zijn vader dommelde Koen in slaap in zijn favoriete stoel. Half in slaap voelde de kamer ijskoud aan, een vreemde kille mist dwarrelde voor zijn ogen, en blies zijn toch al ongekamde haar nog verder in de war. Koen voelde een intense kou in zijn beenderen dringen. Er kwam iemand door de mist op hem af. Een lange gestalte die leek te zweven. Het spookverschijnsel fluisterde. Koen probeerde, met de rillingen over zijn rug, te verstaan wat er gezegd werd.

‘Waar is de ocarina…, zeg het en u zult gespaard blijven.’ De verschijning die veel weg had van een VOC-kapitein, sprak in donkere bewoordingen. Koen, inmiddels verstijfd van de schrik, had geen flauw idee waar de geest het over had. Wat in godsnaam was nu weer een ocarina? ‘Zeg het…,’ vervolgde de verschijning op doordringende toon. Koen voelde zich steeds kouder worden, hij kon zich nog nauwelijks bewegen. Met veel moeite vroeg Koen de verschijning zijn naam. ‘Van der Decken is de naam en mijn schip is mijn faam.’

‘En wat mag uw schip dan wel niet zijn?’ vroeg Koen met enige moed. ‘Jij landrot,’ riep Van der Decken, ‘ik ben de kapitein van de Vliegende Hollander. Zeg me waar de ocarina is,’ bulderde hij. Maar Koen was te bang en te koud om te antwoorden. Voordat Koen kon navragen wat in hemelsnaam een ocarina was, verdwenen de verschijning en de ijzig koude mist, Koen verbijsterd achterlatend.

Dagen later, toen Koen nog steeds nadacht over de geestesverschijning, kwam hij tot de conclusie dat de ocarina waarover de geest het had, een scheepsfluit moest zijn. De verschijning was immers een scheepskapitein. De enige fluit die hij bezat, was die in het kistje van zijn vader lag. Vlug ging Koen kijken waar hij het kistje had verstopt. Het duurde enige tijd eer hij zich herinnerde waar het lag.

Weldra had Koen de vreemde fluit in zijn hand. Uren staarde hij er naar. Die dominee had het bij het verkeerde eind, niet de florijnen maar de fluit is de werkelijke schat, dacht Koen bij zichzelf. Waarom kwam de geest er anders om vragen? Maar wat was er dan zo bijzonder aan dat ding? Zou het veel geld waard zijn? Wat zou de geest ervan zeggen als Koen het ding verkocht?

Er spookten allerlei vragen door zijn hoofd, zoveel dat hij er hoofdpijn van kreeg. Dus ging Koen weer in zijn lievelingsstoel zitten. Hij dommelde weg en het werd avond. Een uil kraste vanuit een boomtak, vlak naast het enige raam in de kamer. Er leken sneeuwvlokken in de kamer uit het plafond neer te dalen. Wederom verscheen de geest. Ten tweede male schrok Koen zich rot. Hij stelde zich opnieuw voor. ‘Van der Decken is de naam en mijn schip is mijn faam


niet helemaal

Posted on 20/11/2013 at 10:33 - 0 Comments - Post Comment - Link

beste toevallige of omgekochte lezers,

terwijl ik dit type bedenk ik de woorden. Op die manier heb ik een tijdje terug 2 boeken geschreven en ook uitgegeven bij www.boekscout.nl nl. een jeugdboek met de titel 'een fluitje van een cent' en een thriller met de titel 'de rontgenbril'. waarvan de engelse versie hier op mijn blog staat.

aangezien mijn gezin niet het risico kan en mag lopen dat het geld kost, wordt mijn volgende twee boeken (verhalen) hier geplaatst. 1 staat er al en is een vervolg op de thriller de ander ben ik nog aan het schrijven cq bedenken.

graag zou ik horen wat jullie er van vinden.

 

mvrgr. henk luiken

54jr en sinds 2005 parkinsonpatient


x-ray glasses (engelse versie de rontgenbril)

Posted on 5/11/2013 at 10:11 - 0 Comments - Post Comment - Link

First edition © 2009 Henk Luiken

 

ISBN: 978-90-8834-981-2

 

Published by Boekscout.nl Soest

www.boekscout.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

No part of this publication may be reproduced or published by print, photocopy, microfilm, internet or in any manner whatsoever without written permission of the publisher or author.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

appeared by the same author:

 

 

A Penny-whistle. (Juvenile book 10 – 15yrs)

Dutch language

ISBN: 978-90-8834-494-7

www.boekscout.nl

 

 

 

 

 

 

 

This tale has been translated by the author.

Original language      : Dutch

Translated in              : English                    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

This tale has been relied entirely fictitious, each agreement with existing persons and/or organisations are entirely on chance.

 

With thanks to everyone who brought me on ideas, Special thanks to my family for their patience.


The X-Ray spectacle

 

Leon MacGregor, a 28 year old bachelor from Semple Street 17a Edinburgh finds indications for x-ray glasses. And when he really does find it, at first it looks like heaven on earth. But soon normal life seems further away then ever. What was it for and who would be interested in such glasses. Why was the police letting him go when he caused an accident? Who was Nana from MI-6 for real and why did she take the glasses away to Russia?

 

 

Detective-inspector Daniël Rowland is about to start a dangerous job affecting the Russian mafia and also gets a beautiful new colleague. The lovely Shauna Davidson.

 

Russian mafia versus MI-6, beautiful women, secret locations, dead....... and all this with an incinerating end.


Contents

 

  1. Indications                                         7

 

  1. Shauna                                                           15

 

  1. FWB                                                   25

 

  1. Escape                                                36

 

  1. X-factor                                             46

 

  1. Lorgnet                                               53

 

  1. Vit                                                      61

 

  1. Trade of mother                                 69

 

  1. Road accident                                    80

 

  1. Operation                                           85

 

  1. FWB versus MI-6                               95

 

  1. Nana Aavamatch                                105

 

  1. Return of the x-ray                             118

 

  1. Alexander’s Plan                                125

 

  1. A Hitch                                              129

 

  1. The burial                                           134                 
  2. The Consulate                                                139                 
  3. Hello and good-bye                            145

 


  1. Indications

 

October. The sweat poured Leon MacGregor that night along his whiskers. His complete body bathed in the stinking body damp. He wildly pounded all over and his legs trembled as leaves in the autumn. The dream was realistic and intense. Everywhere he looked there were raging woman and flashing lights of newspaper reporters. They were shouting bad names at him, as if they were angry. Aldo he did not understand why, he proverbially ran his socks of his feet. He jumped in his car his car, a Vauxhall viva. He did not look at where he drove and with terrible drone he banged thereby against an old man on. At this time the lights went out in Leon, as a matter of speech.

 

Leon woke up the next morning after his mother shouted him for the third time.

‘Coming, mum,’ was his bit slow reaction. His pyjama was dripping with sweat and ready for the washing basket. Every morning started with the same ritual. Whilst his mother made the breakfast, Leon took a shower. She always made a couple of sandwiches extra for work, poured a cup of tea and hung his coat ready to take away. Routinely he put on his clean underwear and dragged himself into the shower.

‘You know I’m going to the pub after work, don’t you mum?’ he shouted down the stairs.

‘Again? Yesterday you were also out,’ she reacted.

‘When are you and me going out for dinner, it’s been months since the last time.

‘But I’ve planned this weeks ago,’ he said in a cool way.

He seemed to have forgotten all about his nasty dreams. Leon was a forklift-driver at the printer from the local newspaper. Not that he couldn’t find a better job, with his IQ he could easily have done a course at the university, he just wasn’t interested. He was happier going out with his pals, which was more fun anyway. During the week with his free pals, at the weekend with his “attached” friends like Helen and Peter.

‘What were you dreaming about?’ his mother asked Leon.

‘You were restless’.

Leon looked up and answered quickly.

‘I don’t know what you’re talking about’. And with that, his mother knew, the discussion was over. Leon took his lunch put it in his bag, put on his coat and went on his bike. The wind blew very hard and Leon had to peddle very hard to keep on the bike. An old man fell of his bike and cars were swung from left to right. Leaves beat in his face, his calves were sore from the power he had to give on the pedals. Odd, this kind of weather was not forecasted. Or had he not paid attention this morning. His mother hadn’t said anything and she always paid attention. Odd.

He peddled as fast as he could trough East Fountainbridge via West Port and Grassmarket in to Cow Street.

On the corner of Cow Street and Blair Street, where the printers were, he put his bike next to that of his pal James Logan. The fact that the printers had a bike shed was very strange; no one in this other than Leon and James went to work on their bikes in this metro pole.

The wind seemed to increase. With the wind coming from behind Leon banged the gate to shut. For a moment he panicked, but he shook his head and went on, the boss was waiting. 

During lunch he walked via Cockburn Street in the direction of Waverly Bridge. Meanwhile he threw his lunch package his mother had made fore him away. Once he got there he walked in to Princess Mall. He went to one of the many coffeehouses. This one had a nice view on the castle at the end of the Royal Mile. He saw a man working cleaning the streets because of the Edinburgh Tattoo which would be held the following weekend. He ordered a tea and some scones.

It was 12.30 h and time to go back, meanwhile the sea wind was still blowing hard. Firmly walking he got a fright when an exceptionally weird looking man, wearing a trench coat full of holes, pulled him in to a porch. The man looked dirty, he had a black face and blood covered hands wearing gloves with cut of finger tops. He talked to Leon with a deep voice.

‘Hey mister, take this piece of paper and monitor it as if your live depended on it,’ he gave Leon an equally grubby piece of paper in his hand. All this while nervously looking round as if he could be killed any moment. Yet the man had something awesome about him, a sort of air that James Bond would not go amiss. Or something of a modern scientist, with some glasses on his nose. Moreover, although the finger-less gloves were otherwise suspected, the man was no bum with such an expensive coat on. Before the shaking Leon could ask him about the paper, he disappeared.

Leon was left with a dirty stinking piece of paper full of strange characters. Without thinking, he put the piece of paper in the right pocket of his jeans. It crossed his mind that he would tell no one about what just had happened.

During lunch he looked at the paper. It was full of strange characters and the only word he could read was the word “X-ray”. The little piece of paper contained lots of characters. Strange that all of this had just happened to him. The best, he concluded, was to settle the incident. Work signal sounded.           

 

At the end of the day Leon crossed the bike key in the lock of his bike. Then he paddled to his local pub 'Seahorse' where, according to him, the best stew and Haggis were serving. The wind was now quite dim.

Andrew Sheep, one of his free friends, now joints him. Leon concluded not to tell his bosom friend about the paper or the man who gave it to him.

‘Anything happening today,’ Andrew asked him on automatic pilot. That was his standard question whenever they came together.

‘No nothing special,’ was the also standard answer. Andrew ordered two pints of beer.

After a few hours Leon went to the pharmacist to hand in a prescription for his mother. Her eye drops were finished again and he had promised to get new ones. Upon entering he walked straight into a queue. Damn, he hated waiting. The doorbell rang again, indicating that someone else was crazy enough to enter. Maybe that person just as himself had no choice and someone at home was waiting for his or her medication. Leon looked behind him. A beautiful bright red lady entered the busy pharmacy. The rush was so great that she, subsequent to the queue, stood close to Leon.

‘Excuse me, perhaps I could go before you, I only have this small prescription to hand in,’ she asked Leon politely but nervously. Also because of her beautiful smile and her blue eyes, Leon agreed. She made a smooth move back to Leon, while accidentally touching his bottom. A chill went trough his spine. Even before Leon resumed his senses, the beautiful lady had disappeared. Must be in a hurry, Leon thought. When it was his turn, he took the prescription out of his jeans pocket.

‘Sir you dropped something,’ the man behind him said kindly.

‘I did?’ Leon reacted surprisingly. He picked up the paper.

‘I came out of your pocked,’ the man confirmed.

Partly because of the crowd, he did not examine the paper but put it back in his back pocked. Moments later reasoning how he got the paper, he finally concluded that the beautiful girl in the pharmacy must have given it to him. He could come to no other conclusion. It had to be, at work he only had his mothers prescription in his back pocked. He now put this second piece of paper in the same pocked as where the almost forgotten first piece of paper was. Strange he, in a few hours time from two complete strangers, he had gotten two similar pieces of paper. When there was more time he would study them both, to check for similarity. At least on the second paper there was an address.  

 

That evening, round ten o’clock Leon shut the front door going into the house.

‘It’s me mum, I’m home’. No answering.

‘Mum, are you there?’ When still no one answered Leon started to worry. He checked every room but found no trace of his mother. Now he really started to worry. There was no note on which she had written where she had gone to. Nervously he ran through the house looking for clews. Some indication of burglary or kidnapping. Or even suicide. The shivers made him shake just by the thought if it. What was he suppose to do? Where was she? He got in a great state of panic; his mother hadn’t been out for weeks without him. Leon rang his aunt Magda. But she didn’t know where her sister was either. She wanted to come over, but Leon didn’t think that was necessary. Not yet anyhow. Even his uncle Harold, who for some reason always knew everything about everybody, didn’t know where she was. Leon told him what had happened, that he had spoken to her that very morning, before going to work. About the hard wind and how he finally got home not finding her. Uncle Harold told Leon that his mother had called him around four o’clock and everything had seemed oke. He shouldn’t be worried. Harold was convinced all was well. But Leon wasn’t so sure. Should he just wait?

Restless from waiting, feeling insecure, he finally called the police.

‘Police station Earl Grey Street, officer McIntosh speaking, how can I help you?’ a friendly female voice spoke. Immediately Leon had a déjà feeling. As if he had heard that voice earlier that day.

‘I’d like to report my mother as missing,’ said Leon. In surprising calm words Leon told her the whole story.

‘We will send someone over,’ the officer replied. Before Leon could thank her, the connection was gone.

At precisely that moment the door bell rang. Who could that be at this time of night? His mother? Leon made his way to the door. Imagine that it was someone with bad news about his mother. Someone who came to say that she was in the hospital, or worse in the morgue. Various scenarios haunted in his head and gave him a headache. With beating heart he walked toward the door. His knees buckled as if they wanted to beat each other and his breath caught in his throat. He shocked when the doorbell went again. The last meter seemed endless and almost impregnable. His heart was working overtime. Good or bad, there was only one way to find out and that was to open that door. What had he to loose? He would be reassured in any form whatsoever.

Leon opened the door ajar and looked straight in the eye of officer McIntosh.

‘Good evening sir, my name is officer McIntosh, you reported someone missing?’ Leon was stunned to hear that name, wasn’t that the same surname he just had on the phone?

‘Yes my mother is missing,’ said a stuttering Leon.

‘Excuse us for disturbing you at this time of night, but I assume it is important to such a message and so we act seriously and with appropriate urgency,’ said another friendly voice. Leon looked round the first officer to notice another man in a tree-piece suite.

‘Can we come in sir?’ the man said who introduced himself as DI Rowland. When the badges were displayed Leon noticed that the DI was a member of MI-6. Once inside Leon paid no further notice and poured a cup of tea.

‘So, your mother was still in the house before you taken of to work?’ officer McIntosh asked.

‘Yes, that must have been around 7.30 h,’ Leon replied. From there on the rest of the story was noted in all detail.

‘Anything unusual happened today?’ asked the till that moment kept aloof, inspector.

‘Was there a note fore instance?’ The DI looked at Leon as if he knew something. Leon suddenly thought about the two pieces of paper he gotten from two different people. Somehow it seemed wise not to mention this. Something kept him from telling.

‘No, nothing special happened,’ Leon lied. As nervous and insecure as he was before when he opened the door, so firm and sure, he was the incident with the tramp and the lady not to mention.

After everything seemingly had been written down, both policemen looked around in the house. With a ‘we’ll put someone on the case, we’ll let you know,’ Leon shut the door.

 

Leon was reminded to the two papers he had. Quietly he took both papers from his back pocket. He read the first paper, on what seemed to be a riddle, that he almost forgot the tramp who had given it to him. Who was he, or just as important were had he gone to? Questions, unanswered because of the disinterest of Leon. He had eye for only one thing and that was to solve the riddle. Leon had a feeling that he was missing something. As if this grimy piece of paper was not enough to complete the puzzle. Maybe the second paper had something to do with it. It had to be. He was so involved that he completely forgotten his mothers disappearance and forgot the time. He must have puzzled for hours and shook awake by the sound of his alarm clock. He apparently must have read trough the night. Meanwhile it was morning and time to go to work.

For a moment he thought back on what the tramp had told him ‘Hey mister, take this piece of paper and monitor it as if you’re live depended on it.’

Somehow it seemed wise not to tell anyone.

 

  1. Shauna

 

August. Shauna Davidson was 26 years old, had bright red hair, blue eyes and a voluptuous bosom. She was just a street cop in Edinburgh. Rose in a harmonious family, a father and a brother as policemen. Her mother had died while giving birth to Shauna, leaving the father and brother to raise her. Nobody looked strange when she decided to become a police officer as well. Aldo ambitious she wanted to be a street cop, no more no less.

She was surprised therefore when a few weeks ago, MI-6 in the person of detective inspector Rowland approached her for a special mission. All of course for the nation. Possibly she had to go abroad. She was thinking that it could be Cairo or Moscow or even Paris. Or even better Venice or Rome. And as a true Scottish citizen and thinking England was abroad too, even London would be oke.

‘But why did you pick me,’ she asked looking the DI straight in the eye.

‘Because of your background with your family being one of the few non corrupt policemen,’ was the simple answer.

‘How do you know I am not corrupt?’

‘We would have fired you ages ago if you were. Besides you wouldn’t have been so keen on this mission.’

‘So a woman can’t corrupt and ambitious at the same time? Did you not know a woman can do two things at the same time?’ She laughed at her own joke.

‘So you won’t accept this mission?’ he asked on a serious tone of voice. The opportunity was to good realised Shauna. A few days later all formalities were a fact and in agreement with her station.

 

The following basic training was thorough and hard. She learned to distinguish weapons, could run much faster and was taught combat techniques she did not know the existent of. She learned how to dress formally yet sexy and learned besides French also Italian, German and Russian. Shauna had learned more here in three weeks than in all the time she spent on the police academy. Most remarkable was the fact that she learned to pick-pocked. 

After a night at the Gainsborough hotel in Kensington, finally came the day she would be told what her mission would be. DI Roland took her on a double-decker bus and led her to MI-6 headquarters aka the box. It was located in Thames House at Millbank London. The building was grey and pale from the outside. The bus stopped directly in front of the main entrance. Shauna expected a lot of security. Instead they walked through a simple rotating door. No security. Once inside she saw the marble floor which was blinking so much that the British flag reflected in it. A life size bust of the queen looked at her with on it a plaque with the text: for queen and country.

Blasé to all this, DI Rowland took firm steps to the escalator heading for the third floor. Shauna could not get over the glitter and glamour, so unlike the outside of the building. They trudged through hallways and corridors. Men in dark grey suites sitting from up-to-date offices on one end to stuffy half glassed corners at the other end. James Bond look-a-like, busy with their state of the art mobiles walking around. DI Rowland and Shauna walked for minutes to finally end up in a small square office. 

‘Welcome, welcome, Officer Davidson, welcome to the Secret Service Division terrorism.’ The cracking voice belonged to a small man with measly eyeglasses on his nose. He would fit perfectly in a Harry Potter movie. So would this office or better yet this whole building. He didn’t mention his name and when Shaun asked for it he simply didn’t respond.

DI Rowland saw the confusion and smiled for the first time since she met him. Now she thought about it, in the free seconds she was given, he hadn’t mentioned his first name yet either. So far he had presented himself only as Rowland or DI Rowland. Before given a change to think about it the boss, the puny little man, put an important looking briefcase on the desk. Opened it with great care and show, as if it would explode at any moment now.

‘Have you, Officer Davidson, heard of a man called Victor Balakov? Or perhaps the FWB group? Or, probably not, about their secret formula?’

She denied by shaking her head. The little man looked backwards and forwards to her and the DI. How could it be that a freshly trained MI-6 agent had never heard of the most wanted man in the world, which is after Osama Bin Laden.

After a short briefing on the "life-threatening, capitalistic and dramatically rich, persona non grata Victor Balakov, the story went quickly on about the FWB group and everything that group on his slate had about arms smuggling.

They had spies and informants all over the world and that was precisely the reason they had chosen her for this mission. The FWB didn’t know her, so she could easily infiltrate in the organisation. For a moment she was quiet and shocked over her mission. She, in her mind, had thought of it with some more romance and less danger. But she had taken the first step, so she should take the next one too. The next few hours she was told in detail what the mission was and what to do.

‘And so it is vital and in national interest that we get our hands on that formula,’ concluded the boss.

‘Are there any questions?’

‘Actually, a few questions,’ Shauna replied.

When the boss said ‘shoot away’, Shauna was tempted.

‘Firstly, how do I get home safely? Secondly, in what form does the formula exist? Thirdly, how is my safety guaranteed against any anticipated revenge of the FWB? Finally, what do I do with it, just hand it over to you?’

Shauna looked at him as if he were a criminal who had to be interrogated.

‘Told you she was good,’ DI Rowland said for the first time caught up in the conversation. The little man laughed without moving his lips.

‘For starters we don’t know anything about the formula except it’s existence,’ the boss went on.

‘It could be on paper, could be hardware or even a fluid.’

‘Fluid,’ Shauna reacted surprisingly.

‘We suspect that it is some sort of coating for sun glasses, so we would like to have one of them for research. But we don’t really know, that’s what makes it difficult.’ Shauna looked confused and so he went on.

‘Once in possession of the formula, you travel via the British Embassy on a false passport, you then report back here. I personally would like to receive the formula. Then we make sure that you get a different identity, so as to avoid any revenge attacks.’

Shauna looked confused again, another identity ……….that usually meant that you could kiss your old live goodbye. She knew the ‘witness protection program’.

And with that all her questions were answered.

 

A week later, Shauna had turned into a real anti western revolutionary with some weapon knowledge. Ready to infiltrate in the FWB. That Friday afternoon she went on the 13.18 h train at Hamburg Central. It was going to be a long journey on three different trains, to arrive at Moscow Berlorusskja after twenty-nine hours. First to Berlin Central via the Intercity Express. Next on the Euro City to Warchau. Finally to arrive by night train in Moscow.

Shauna started to put away the single suitcase she was given. She slumped in the spacious seat of the extremely comfortable ICE. Her mouth full of chewing gum and dressed in patent leather pants with a plaid top over it. All in all, a striking appearance. But this was just a part of the preconceived plan, she had to be noticed. While the night train left at exactly 23.35 h heading for Moscow Berlorusskja, the tensed Shauna noticed that she was watched. As if someone was following her. Was it t he former KGB? The FWB? MI-6? She could go to the man and ask if he was British Secret Service, but that would relinquish her cover. It would be better if she looked indifferent and lost. The remaining journey the man kept an eye on her. Shauna went for a sleep. When she awoke from the whistle, indicating the end of the journey, the station clock told her it was 20.30 h. Instead of looking for a hotel, she strolled around like a tourist without money. Aware of the fact the man from the train still kept an eye on her. Suddenly he accelerated his pace, while she was holding back.

‘Fraulein, warten sie ein moment bitte,’ he spoke to her in German.

‘Why do you presume I speak German,’ she answered. Shauna decided to upset the man with a direct reaction. The man, slightly taken, recovered immediately.

‘It looks to me you are lost and since you stepped on the train in Hamburg.’

‘How do you know I went on the train in Hamburg? Did you follow me the whole time?’

‘Let’s just say we look out for stranded tourist, a kind of charity group.’

‘We?’ Shauna asked.

‘Are there more of you? Who says I can’t look after my self?’

The man looked agitated.

‘Now listen here, you stupid girl do you want my help or not?’ Shauna was startled by the vehemence with which the man responded.

‘Calm down Alex, she doesn’t know who we are, as I presume. Another man appeared from behind the man who was called Alex. A gangly-looking man with brown eyes and protruding ears, dressed in army pants and combat boots on his feet, stepped forward in the dim street light.

‘May I introduce my self, the name is Victor. Victor Balakov.’ He looked at Shauna with a friendly smile.

‘Shauna Davidson, pleasure.’ Shit, there goes my cover she suddenly realised. From here on she maid just as well use her real name, but she couldn’t allow her self to make more mistakes. They shook hands meanwhile looking into each other’s eyes. This had to be the FWB group. Strangely enough this Victor didn’t look like a rich criminal. She couldn’t let them know she knew who they were. If they became suspicious, the whole mission would be in danger.

‘My apologies for Alex’s behaviour. But what brings you to Moscow,’ he asked her.

‘I’m sick of the capitalistic west,’ she answered.

‘And I heard there was plenty going on in your capitol.’ Both men looked at each other with a big smile.

‘You’ve come to the wright address. Can I assume you have not yet found a place to sleep? It is almost dark and down town Moscow is not a safe place to spend the night.’

‘No, not yet. I just got of the train and then chased into the streets by your mister Axel, or whatever he’s called,’ she answered bitchy. Alex turns around and gave her a dirty look.

 ‘Maybe we should just leave her here on the street in one of the famous areas.’ Victor reacted jokingly.

‘We know nothing about her.’

‘And you are a kind peaceful organisation who picks up stranded lost tourist who have no were to go?’ Shauna asked.

Victor laughed over so much irony.

‘You treasure your situation completely wrong Miss Davidson. You are a stranger, you are not sleeping and not very unimportant, and you’re alone. Look, if we would have been rolling malicious than you were now no longer alive. So in your own interest I would if I were you, follow us.’

She could not argue to so much logic and followed the two men through streets and ally’s, along shopping malls and big buildings. Till they came at a taxi stand.

‘For your own protection as well as ours, we must blindfold you. For all we know you could be KGB.’ Shauna smiled, if only he knew how close he was at the truth. 

The journey went smoothly. Aldo Shauna didn’t see anything, by the indications from the outside sounds she estimated were they were going. Sounds from the Pushkin State Fine Arts Museum via the red square she estimated they were going north heading for Dolgoprudnyy. Directly in to the lions cage. From here on she had to play the role of her life, it depended on it.

Thee dark five-door Mercedes 200 C-estate slowly lost speed. The blindfold was taken away and Shauna could not believe her eyes on what she saw. An ocean of lights and hundreds of people. But what really frightened was a Russian tank, she recognized as an Iosef Stalin tank. Before she knew it she popped a model name.

‘The IS-2 Model 1945, 4 people, with a length of over 9.9 meter and a width of approximately 3 meters very good manoeuvrability. Which is a surprise looking at the total weight of 46 tons.’

Alex and Victor looked at each other with great shock.

‘You better watch out for those super canons on board.’ Alex tried.

‘What? That poor D25-T 122mm? Now if that was a Mauser canon that would be a whole other story.’

Alex looked shocked but Victor just smiled. It made them realise what goldmine they had picked up.

‘Can I ask were you got all that wisdom?’ Victor asked her after a few minutes of complete silence.

‘Pure hobby,’ was her only answer.

‘Strange hobby for a woman,’ Alex shouted suspicious. He’d better keep an eye on her, you never know for all he knew she could be a spy. Victor however looked at her in a whole other perception. On of possibilities.

‘Learned it from my grandfather, he loved armoury.’

‘Special man that grandfather of yours,’ said Victor. For all he knew she would be part of his team. Shauna had to hide a big smile………….she was in.

 

The following days went quickly and smooth. Shauna let herself overheard about her knowledge in arms. Sometime deliberately with a mistake, so Alexander Petrov wouldn’t be suspicious. He still didn’t trust her completely. Whenever she made a mistake, she saw his face flourish.

On the marketplace of Dolgoprudnyy, the trade went on for 7 days a week and 24 h a day. Shauna had never seen so much going on, she had no idea.

‘You know what all this trade is for?’ Victor asked her the fourth day.

‘No, but I think I have an idea by now.’

‘We are a charity organisation for people like yourself who are stranded in Russia, a group that gets is finances from arms sales. The money has to come from somewhere. We can’t all be holding out our hands to the government like Greenpeace. Does that bother you?’ Victor asked. She answered by shaking her filthy hair, her unwashed face and her stinking clothes.

‘I realise you haven’t had a change to clean yourself, let me offer you a bath,’ Victor went on. She looked around seeing guns and rough men, but nowhere had she seen a bath. Let alone the privacy to get in naked and Victor read her mind.

‘Walk this way miss,’ he said in a deep tone of voice. The whole marketplace was covered with damp; you couldn’t see more than 20 meters ahead. Victor led her through booths filled with hand grenades, roadside bombs and handguns. Left, right and left again, she lost all track of direction. To her surprise she suddenly saw a huge stunning farm shaped house with a straw roof. She wondered how the sparks and flames didn’t hit the roof. Viewed from the inside, so fell from one surprise in the next in the art-deco décor. He couldn’t be that anti-western after all. Up and till now she had seen tents.

‘Your bad lady,’ Victor laughed and made an invitation gesture. Her with her mouth open she is guided to a large bedroom with en-suite bathroom which had a steaming bath waiting for her.

‘How did you…………,’ stammered Shauna looking at the waiting hot steamy bath.

‘You don’t think you’re the only woman around here do you?’ Victor reacted in his turn. Now that he mentioned it, she hadn’t seen another woman since she was there. Before she could ask him about that, he had disappeared closing the door behind him. For the first time since she was there she was alone, but she felt as if someone was keeping an eye on her. A feeling that became stronger now she saw the CCTV camera in the corner. For a moment she shook her head. It didn’t bother her at this point; the damping bath was waiting for her.

 

 

  1. FWB

 

Under the disguise of free market-trade, arms were sold and bought every single day. Perfect place of action was the marketplace of Dolgoprudnyy, located on the A-104 north of Moscow. Of course all in great surcease, because officially this trade didn’t exist. All of this was no secret to Victor Balakov. He was the known weapons trader in the northern hemisphere. And the most wanted man of most western secret services.

‘Move your asses meatheads, the boss’s money isn’t growing on threes. Watch you bungler, that Kalashnikov is loaded.’ Stupid Afghans, you couldn’t live with them or live without them. Lucky for them they were hard workers. Victor looked angry at such foolishness.

‘Alex, you deal with this, at least you can talk their language.’

The executive power of Victor was not so much he fact he managed to do everything himself, as he knew how to delegate. Alexander Petrov, Alex for short, therefore no time to hesitate just got his command. He was the powerhouse of the group and former KGB agent. You couldn’t refuse him anything, unless you were ready to die. With a huge chest size and a length of more than two meter, his figure would look good in a Sylvester Stallone movie.

Sole drawback was his carelessness. That could sometimes break up the group had repeatedly called Victor. Victor was regularly grumpy on Alex. The tension between the two men was intense at some points.

But that was not as crazy as it seemed, considering the secrecy that was at stake. Only weeks before that Victor has been ecstatic about the discovery of the century. In his laboratory on the Volga in a slum of Saratov scholars had discovered the formula for an X-ray spectacle. The euphoria was indescribable. Victor’s group, known as the ‘Free Wolves Balakov’ was days drunk on the vodka.

Those capitalistic pigs, with all their laboratories and knowledge, could not have done what he, leader of the FWB, with simple means had achieved. Spectacle which made you sees through anything. It would make work for the in the western world infiltrated agent a lot easier. To be safe, they had written the whole story on three pieces of paper, because you never knew in this line of business. The cryptic rhymes, which were on the papers, were each put away in a different locker. 

The first paper included a nonsense rhyme, the second had the actual thing written on and finally the third told how simple it all was. Brilliant and childishly simple. SO simple that only one man had figured it out and that man, after a little pressure with an Uzi machinegun under his nose, worked for Victor Balakov.

The leadership of the group consisted of Victor apart from himself and Alex Petrov also from Anouska Dynaski. A lady from the Russian nobility. She rebelled against her aristocratic western set parents. In protest, she had wandered into the catacombs of Moscow. It was here also she had met Victor. A common goal had been supporting the war against the West. Anywhere on every continent. Between the Israelis and Palestinians, between Russia and Georgia, between the Hutus and Tootsies, the FARC in South America, former Yugoslavia, China and Tibet, you name it and there was, to say the least, a conflict. Even the Mosad, IRA, Hamas and ETA had already done business with the FWB. The business of FWB in arms had made his start in breach of the Mujahidin fighters in Afghanistan and fairly recently by Al Qaeda against the infidel West. The FWB group had been willing to mediate in exchange for money and a market share of eighty percent. It had made Victor a rich man. He seldom staid more than one day in the same place. This made him impossible to trace, besides with all that money you could by silence. The Russian authority, probably as a result of bribes, simply denied the existence of the FWB. No matter how persisting Europe and the US insisted. And so Victor, Alex and Anouska freely played the trades. For a while Victor and Anouska were lovers, but that didn’t work out so well with the group. Alexander Petrov was one of Anouska’s study friends. She had than studied capitalism, while he had spent his days in the gym. The FWB had infiltrated completely in the city council of Dolgoprudnyy. The mayor was on their pay role and so was most of the town for all that mattered. Victor appreciated loyalty and so the people around him shared in his wealth. 

 

Shauna day dreamed in her hot bath when a woman looked behind the door. She did not expect this, so it gave her a fright.

‘I’m sorry, it was not my intention to scare you,’ she said.

Shauna reached for the outstretched hand.

‘Anouska Dynaski, pleasant.’

‘Shauna Davidson, mutual.’

‘Can I help you with anything yet, soap or shampoo? That barbarian Victor does not think these ladies things.’ Anouska smiled and looked endearing to Shauna who desperately tried to cover her huge breasts.

‘If it is not too much trouble, both please,’ she said with a blush on the cheeks.

The following days she saw less of Victor but even so more of Anouska. Shauna had been initiated into the great secret laboratory, Anouska talked about it all the time. She made no secret and even asked the opinion of Shauna on where and how the commitment to the glasses. While fully considering the fact that the formula only existed on paper. She saw the unprecedented opportunities certainly in mind. Alexander still behaved cautiously toward her. He continued to watch her while she met a growing number of FWB members. She used her arms knowledge useful as a cover.

 

The next day Victor called her.

‘Listen Shauna, you now profit a week and a half of me and that's fine, I volunteered. But I am not leading philanthropic organization, I expect you know that your weapon knowledge can be of use on the market. Do you speak any other languages than English?’ Shauna had hoped for this but played little innocence itself.

‘Me trade in weapons?’ she asked as innocently as possible.

‘You are going with Alex to the marketplace and simply tell him if the merchandise we buy is for real. There is so many rubbish and counterfeiting on the market, that we can hardly keep track of things. Especially from the Asian market.’ While Shauna almost smiled, the face Alex made spoke for it self.

‘Alex deals with great knowledge on the bigger parts for me. I assume your grandfather’s hobby didn’t extend to that degree and I take it he hadn’t learned you all. So watch and learn from Alex.’ In an instant Alex’s face turned into a big smile.

It was still early in the morning but still hung a gunpowder haze over the market Dolgoprudnyy. Shauna again had lost all sense of direction. She had no idea how big the market was, but the constant noise emitted and the size of some vehicles, it must surely be several hundred square meters. Alex, who express had been taken great strides, stopped at a gigantic machine.

‘You know this thing wright?’ he said in an arrogant tone. It seemed Shauna, regarding the relationship between the two, better to shake no. The thing looked like a kind of radar.
‘This is now a Goalkeeper, a fire control system with a Gatling gun. Seemingly from Dutch origin.’ Alex pulled a proud face.

‘I personally bought it for just fewer than three million, a pure profit cracker. Current street value is somewhere between 30 and 35 million.’ Shauna looked at it as if it was junk. While he looked at the weaponry with great love, she concluded that he must have a soft site. She decided there at that moment she would obtain the formula via him. Anouska already had told it existed purely on paper. She was proud of herself, in a short time she had made herself familiar at the top of the FWB and managed to find out what form the secret formula was.

Only question was where it was and how to take it from Alex. She had to get him so crazy to get the formula. She was taking out all the stops to persuade him to deliver.

Alexander Petrov would collect money that afternoon from FWB sellers, which generally happened about once or twice a week. He decided to take her on this is not entirely risk-free job. He wanted to test if she was stress-resistant. The collection of money went often not without a struggle.

Around ten o’clock am Shauna, Alex and Anouska headed for the market. While Shauna wondered who was selling and who the customer was, she noticed Anouska went on a different direction. Alex stuck two fingers in a tight formation and third finger of the other hand across it and began to whistle. It sounded loud and shrill. The moment she wondered what its purpose was, there came an echo back. Then another and another. Multiple echoes’ came back to Alex, who looked at Shauna and laughed.

‘El Silbo Gomero,’ he explained to her. Shauna most have looked sheepish at him as he continued to explain.

‘El Silbo Gomero is a whistle language that was used 2500 years ago by shepherds on La Gomera, Canary Islands. Silbadors are the ones that are masters in the language.’

‘So you're a Silbador?’ Shauna asked.

‘Clever girl,’ Alex responded faintly.

‘But does she know the ‘why’ about the language?’ he went on in an arrogant way. 

When she shook no, he explained that this flute lingo alone, properly taught, could produce enough decibels to outreach the noise of the market. As visibility was zero, on a square where 24/7 guns were shooting and traded, this must be the only way to trace their own people.

Each vendor had its own echo and if one didn’t respond Alex knew that person had cleared out with the money. Usually that person was found back dead two days later somewhere in Siberia. Shauna wiped away a fake tear, with much wisdom. Left and right came unsavoury types from behind their stalls full of Kalashnikov's, landmines, grenades and machetes.

Alex said something in Afghanistan against any man who came in to bring money. One man was exceptionally hard and rough addressed and put into a run. Alex paused, thought for a moment and shot, before the astonished eyes of Shauna, the man straight through the head and then took the money.

‘Shocked?’ he asked. Shauna nodded gently.

‘Well you should just think it's an Afghan, there is more left for us that way.’ Shauna saw the rough side of Alex Petrov bubble. A side that did nothing for human life, it made her shiver. Silently they continued their occupation.

 

The next morning, Victor had travelled abroad to negotiate with Somali pirates. Anouska also was away for business to Bolivia. That just left her and Alex, this would be her moment. This was the opportunity she was waiting for. She knew Alex couldn’t keep his eyes of her body, mostly from her breasts. She was polite to him that morning. This way her make-up course came in handy. She pulled one of Anouska got dress with deep cut out neckline. Her voluptuous bosom reinforced the purpose she chose this dress. Furthermore, she pulled high boots with stiletto heels over her shaven legs. A matching thong and bra made her a horny-looking, roughly speaking and that was exactly the intention. To seduce Alex so that he would reveal where the formula was. She acted like a queen of the ball. Alex's eyes really pops out of their orbit. Shauna went to the breakfast table.

‘Good morning Alexander,’ thereby express his full name naming to get his attention.

‘Alone in control today?’ She asked already knowing the answer.

‘That means it’s finally just the two of us,’ she went on giving him no change to react.

‘You look beautiful today,’ he stammered.

‘Thank you,’ was her short response.

‘What’s on today’s programme?’ she asked looking him straight in the eyes.

‘I don’t know what you’re going to do, but I’m flying to Saratov,’ he said in gruff tone.

‘What’s out there?’ Shauna asked curiously.

‘None of your business.’

Alexander Petrov took an almost indifferent attitude.

‘Secret?’ she tried. She had to keep him talking.

‘Laboratory check,’ came out short and gruff. Laboratory, Anouska did mention something………..

It sounded like the ideal spot for a secret formula. That she had to check out.

‘You know, I think I’ll join you, she said straightening her back and showing more of her bosom. The effect was overwhelming, looking at the red head of the more than two meter big Alex. Men ere so predictable, a bit of bosom and a short dress and they were like wax in your hand.

Alex drowned in the bosom of Shauna and honest, it caressed her femininity. She was even slightly excited at the thought of him and she in a sexual embrace, their tongues danced the twist with each other. She looked in her mind how the two shared bed. He wasn’t unhandsome; she was a sucker for tall men. She felt a slight tingling in her breast and…………startled out of her brief daydream. She had to stay focused.

About ten o'clock am a sexual aroused Russian man of two meters and half excited renegade western lady who knows weapons went away from an arms-trading centre towards a place called Saratov on the Volga. There were five kilometres outside Moscow nothing but plains and the trip went silently. Alex regretted that he had taken her, she was sorry about the dress too cold. The hot looks of the dining tent were thoroughly cooled when she saw the dilapidated vehicle.

It was cold in the two-seater Tupolev, suspension and steering were totally worn-out, like the runway they left from just outside Dolgoprudnyy. Shauna wondered why the various villages were so similar. So grey and colourless. They obviously hadn’t heard of neon signs. The Cola and Mercedes signs you only saw down-town Moscow.  

They flew low and there was enough light to every place to look. The over a thousand kilometre long flight took them a good few hours. Enough to come up with a plan to get the formula. More importantly, a plan to escape to this god-abandoned land without Alex breaking every bone in her body.

Alex put the old rickety aircraft on the ground without a problem. There stood a BMW 725i ready to take them to a building, even more decrepit than the ones she’d seen so far. It looked that way anyhow on the outside.

‘Get out and shut up,’ Alex growled. He slammed the car door shut and walked with long strides towards the building.
‘Do you understand Italian?’ he asked. Although she had learned this language somewhat in MI-6 training, she shyly shook no. The building was cool. Was this the place for the military invention of the century? Was this all that MI-6 dwarf had been worried about? More importantly was this all she risked her life for?

 

Alex turned away from her. He opened the nearest door and went in, alone.

Blurred behind a window saw the 26 year old Shauna how Alex in Italian was an intimidating superiority against a timid-looking man. This was probably the inventor of the X-ray glasses formula. No one else was in the room.

Shauna caught a few words, just enough to make her smile. Just in time she turned around when Alex came through the door again.

‘Enough time wasted,’ he said in Italian to her. She was well aware of the fact that he was testing her. When she supposedly uncomprehending no shaking, he was reassured. He repeated the words in Russian.

‘Took care of business?’ she asked pointing her head in the direction of the room he just came out.

‘Yes,’ came the short answer.

‘It seemed pretty intense going in there,’ she insisted.

‘These Italians make a lot of fuss over everything.’

‘It was more like a lot of fuss that you made in there.’

Alex blushed unintentionally.

‘Doing business the Italian way that’s called. Nothing to worry your pretty little head about.’

How about a tour, then I'll get the pieces of paper on the way out.’ Alex realized that he had given a little too much information.

‘Papers?’ Shauna asked casually.

‘Yes, uh a couple of recipes from the sulphur in the air of Dolgoprudnyy,’ he responded quickly. Yeah wright toughed Shauna. She thought she had heard the words "formula" and "paper" in the laboratory. Now she knew for sure, here she had make her attempt. Here was her goal and despite the cold, she pulled the neckline of her already tight dress tighter.

After a short uninteresting tour, with Alex constantly looking at her piercing breast, they went back to the exit.

‘Wait here, I’m going to get those recipes,’ said Alex. This was her moment, now was the time to act. This was her only change. While Alex headed for thee door, she just stood there with an armed guard. Without hesitating she hit the man on his face and took a handgranate from his belt. The misfortunate guard fell unconscious. A split second she waited to see if anyone came to his rescue. When nobody came in, she wanted to throw the grenade, but to her surprise saw that it was a smoke grenade. Even better, she thought. She pulled the pin and threw the thing near the door where Alex had gone inside. At the sane time the smoke is dispersed in the corridors, the guards with guns drawn from outside came running in to see what was happening, Shauna ran towards the lab door. Opened it in a hurry, by which she knew the smoke would spread in the room. With a face that looked shocked Alex looked at Shauna.

‘What’s wrong, what’s happening?’ Alex shouted. He clearly panicked. She could hardly believe a big tall guy like him would panic that easy. The effect increased by her nervous behaviour.

‘Guard…….the guard is hit on the head….fire, smoke everywhere,’ stumbled Shauna as if she’d practised it before. Alexander saw the gravity of the situation. In one arm he grabbed the man in the white coat and tried to take Shauna with the other.  This very moment Shauna saw three envelopes.

‘Go on,’ she called to him, freeing her from his arm.
‘I'm fine, I walk wright behind you.’ The smoke bomb had done a good job, anywhere in the room and the corridor hung a thick invisible haze. In a flash she grabbed as she had hoped, forgotten by Alex envelopes and put them under the broad belt of her dress. Now it came to real stage play if she wanted to come out of here alive. It was only minutes before the rest of the guards would come storming in and Alex learned he was betrayed. He would soon find out about the single smoke bomb and that there was no fire involved.

 

  1. Escape

 

Meanwhile she kept her eyes sharp at Alex. Her only opportunity was the BMW outside the building. She had to disarm Alex and steel that car. With few long strides, Alex, the man in the white coat on the arm, got to where the guard was unconscious. He kicked the man to see if he would react. When this was not the case he looked through the thick smoke output. He turned back around to see where Shauna was. At that point he felt a pop in his jaw and fell down unconscious with the man in the white coat beneath. After she had thrown away the machine gun, which she had knocked Alex down with, she had a little time to check the contents of the envelopes. Imagine that the content was wrong, that would be shame. She looked at a grubby note a Russian formula was written on.

Shauna recognized the same formula as that of a lens. It was not much, but this was where she put her life on the line for. At exactly the same time they closed the envelope, rushed out three guards with drawn guns inside. Blinded by the smoke they didn’t see the unconscious men lie down. Shauna saw her chance.

‘In the back of the lab,’ she called in her best Russian.

‘There they sit back there; they're in there too, hurry.’ And while the men did not doubt her words, she ran screaming towards the lab. Shauna looked at the surprised-looking and silent Italian in the white coat. They smiled at him and spoke to him in Italian with a Scottish accent.

‘Siete libero di andare, in modo da funzionato per il vostro in tensione.’ The man looked at her, again to the unconscious Alex and then put it on a run. He got the message, even if it where Italian with a Scottish accent. It was time that Shauna put on a run too.

Once outside again she stayed a moment, her eyes had to get used to the bright daylight. She looked where the BMW was and ran towards it. Only when she jumped in it, she realized that she had no car keys, shit. While she was inside of the car the door was locked, she pulled on the wires under the steering column. Had she seen this once in a movie, but she had no clue what to do. So she tried in random order to keep wires together and at the same time pressed the throttle. If only it wanted to start.

 

Alex woke up, but the blow was a big blow, literally and figuratively. Just as he began to like her, to trust her. The bitch. A false bitch she was, he almost muttered aloud. A bitch with some nice breasts though, but a beast nonetheless. He staggered when he wanted to stand, and then just to feel his bleeding jaw.

‘Shit, again one less tooth,’ and he spat out the white thing out of his mouth. This made him even more savage. He looked at the confused guards.

‘Outside, after her and shoot to kill,’ he yells. Full of anger he ran after them himself with his gun drawn. At the same time, after trying twenty combinations with two wires, out of pure luck she hit the wright combination to start the car. A bullet flew past her ear, foot on the throttle………and she was gone. Leaving a, if possible, even more angry Alex behind. Now, twenty kilometres further, she took a good look at the car and found a navigation system. That came in handy, as she typed London as final destination in which the device within seconds gave a route through the Channel Tunnel. It occurred to her mind that the FWB would have spies everywhere, including in France. As Alex knew what car she had with her, he would identify her, a piece of cake for such a powerful organization. She had to think of an alternative, a small airport or something.

Thinking of an alternative, it came to her mind that she had friend in Holland. A certain Anita Schuitemaker. Had met her in the summer of 1998 somewhere in Glasgow. She occasionally still wrote the inevitable Christmas card. But where did this girl live, she remembered it had a local airport. Well, time enough to think about, given the length of the trip.

Soon she was on her way to Wolgograd. Followed by a very friendly digital voice that planned the route to Ukraine, the main place Odessa. In Warsaw in Poland, she remembered the residence of Anita, it was Hengelo. Just then she saw a set of hitchhikers with a sign for Amsterdam. The timing could not be better, she had no euro’s in her pockets, and it would also speed the time along with some company. Also not unimportant .......... she was with four men in the car less noticeable. She stopped and took the three hitchhikers aboard an expensive BMW with bullet holes through front and rear. Hopefully they could make a contribution to the fuel cost questions. Fortunately the three Polish women spoke German

‘Wie kommen jene Brüche in ihre Autoquadrate?’ asked one the women in German. She was asking about the bullet holes.

‘Durch ein falschen gebiet gekommen,’ said Shauna explaining that she had drove through a bad area. The women looked confused but never spoke about it again. As Shauna expected the other passengers paid their share of petrol. The journey was long. Around Berlin, the f


de rontgenbril

Posted on 5/11/2013 at 10:08 - 0 Comments - Post Comment - Link

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eerder verschenen van dezelfde auteur:

 

 

 

Een Fluitje van een cent. (Jeugdboek 10 – 15jr)

ISBN: 978-90-8834-494-7


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit verhaal is geheel fictief, elke overeenkomst met bestaande personen en/of organisaties berust geheel op toeval.

 

Met dank aan iedereen die mij op ideeën bracht,

Speciale dank aan mijn gezin voor hun geduld.


De Röntgenbril

 

Leon MacGregor, een 28-jarige vrijgezel uit Semple Street 17a Edinburgh vindt aanwijzingen voor een röntgenbril. Als hij dan ook daadwerkelijk de bril vindt, lijkt dat in eerste instantie hemel op aarde. Al gauw lijkt de weg terug naar zijn normale leven verder weg dan ooit. Waar was de bril voor bedoeld, wie had er belang bij zo’n bril. Waarom werd hem een hand boven het hoofd gehouden bij dat verkeersongeval door de politie? Wie was die Nana van MI-6 werkelijk, en waarom nam zij de bril mee naar Rusland?

 

 

 

Detective-inspector Daniël Rowland krijgt een gevaarlijke opdracht aangaande de Russische maffia, en een nieuwe collega. De mooie Shauna Davidson.

 

Russische maffia versus MI-6, mooie dames, geheime locaties, dood....... en dit alles met een verassend einde.


Inhoudsopgave

 

  1. Aanwijzingen                                     6

 

  1. Shauna                                                           15

 

  1. VWB                                                  25

 

  1. Ontsnapping                                       37

 

  1. X-factor                                             48

 

  1. Lorgnet                                               55

 

  1. Vit                                                      63

 

  1. Moederruil                                         72

 

  1. Verkeersongeluk                                84

 

  1. Operatie                                             89

 

  1. VWB versus MI-6                              100

 

  1. Nana Aavamatch                                110

 

  1. De terugkeer van de Bril                    124

 

  1. Alexander’s Plan                                132

 

  1. Kink in de kabel                                 137

 

  1. De begrafenis                                     143                 
  2. het Consulaat                                     149                 
  3. Hallo en vaarwel                                156

 



  1. Aanwijzingen

 

Oktober. Het zweet gutste Leon MacGregor die nacht langs zijn bakkebaarden naar beneden. Zijn hele lichaam baadde in het stinkende lichaamsvocht. Hij sloeg wild om zich heen en zijn benen trilden als bladeren aan een boom in de herfst. De droom was realistisch en heftig. Overal waar hij keek zag hij woedende vrouwen en flitsende lampen van de camera’s van reporters. Ze riepen iets tegen hem, scheldwoorden. Al begreep hij niet waarom, in gedachten rende hij voor de meute uit, zich spreekwoordelijk uit de voeten makend. Hij stapte in zijn auto, een Vauxhal viva. Hij keek niet waar hij reed en met een geweldige dreun knalde hij daarbij tegen een oude man op. Het licht ging bij Leon figuurlijk gesproken uit.

 

Leon werd de volgende morgen wakker, nadat zijn moeder hem voor de derde keer geroepen had.

‘Kom al mam’, was zijn ietwat late reactie. Zijn pyjama bleek zeiknat van het zweet, die was rijp voor de wasmand. Elke morgen begon met hetzelfde ritueel. Terwijl hij stond te douchen, smeerde zijn moeder lunch broodjes, smeerde twee extra voor ontbijt, schonk zijn kopje thee in en hing zijn jas alvast gereed voor werk. Routinegetrouw pakte hij een schone onderbroek en sleepte zichzelf naar de badkamer.

‘Je weet dat ik na werktijd nog even naar de pub ga, mam?’, schreeuwde hij naar beneden.

‘Alweer, je was gisteravond ook al weg’, reageerde ze. ‘Wanneer gaan wij weer eens met ons tweeën het huis uit, het is al weer maanden geleden dat we uit eten zijn geweest.’

‘Maar ik heb weken geleden al afgesproken’, zei hij koel. Hij scheen de droom geheel te zijn vergeten. Leon was heftruckchauffeur bij de plaatselijke drukkerij van de regionale krant. Niet dat hij geen betere baan zou kunnen vinden, met zijn IQ kon hij met gemak een hbo opleiding volgen, hij maalde er eenvoudigweg niet om. Hij ging liever stappen met zijn vrienden, dat vond hij belangrijker. Dat wil zeggen door de weeks met zijn nog vrijgezellige vrienden, zoals hij dat noemde. In de weekends ging hij met de ‘gebonden’ vrienden om, de stelletjes zoals Helen en Peter.

‘Wat was je vannacht aan het dromen?’ vroeg zijn moeder.

‘Je was zo onrustig’.

‘Ik weet niet waar je het over hebt’, was zijn korte antwoord. Daarmee, zo wist zijn moeder, was de discussie afgerond. Hij deed het lunchpakketje in zijn tas, trok vervolgens zijn jas aan en pakte zijn fiets. Het waaide hard, of beter gezegd het stormde en Leon trapte op volle macht de pedalen rond om überhaupt nog vooruit te komen. Oudere mensen stapten af, auto’s slingerden van rechts naar links. Bladeren sloegen hem in het gezicht, zijn kuiten deden pijn van de krachtige pedaalslagen die hij moest doen om op de fiets te blijven. Vreemd, dat was toch niet voorspelt? Of had hij niet goed opgelet? Zijn moeder had ook niks gezegd en die lette normaal gesproken toch op dit soort dingen. Vreemd.

Hij trapte zich een ongeluk om via East Fountainbridge, West Port en Grassmarket in Cowstreet te belanden. Eenmaal bij de fietsenstalling van de drukkerij, die zich op de hoek van Cowstreet en Blair Street bevond, plaatste hij zijn fiets naast die van James Logan. Dat de drukkerij een fietsenstalling had was opmerkelijk, fietsen naar je werk deed je immers niet in het centrum van deze drukke metropool. Het leek wel of de wind in kracht toenam. Leon sloeg ongewild, met de wind in de rug, het toegangshek met een knal dicht. Even schrok hij er zelf van, maar hij kon er niet te lang bij stilstaan, de prikklok wachtte.

Tijdens de lunchpauze liep hij via Cockburn Street richting Waverley Bridge om vervolgens zijn twee broodjes weg te gooien. Eenmaal aangekomen liep hij Princes Mall binnen en nam plaats in een van de vele eetgelegenheden die het winkelcentrum rijk was, deze had een fraai uitzicht op het kasteel aan het einde van de Royal Mile. Hij zag werklieden bezig de omgeving schoon te maken voor het te houden Edinburgh Tattoo evenement komend weekend. Hij bestelde een paar chocolade scones en een pot thee.

Het was ruim 12.30 uur en tijd om terug te gaan, de zeewind was nog steeds ruig en hard. Stug doorlopend door Cockburn Street schrok hij zich het apezuur toen een uitzonderlijk uitziende zwerver, voorzien van een smoezelige trenchcoat vol gaten, hem een portiek binnen trok. De man zag er niet uit, had een vies zwart gezicht en bloed overgoten handen, weggestopt in groezelige handschoenen waar de vingertoppen van afgeknipt waren. Hij sprak Leon op donkere toon aan,

‘Hey mister, neem dit papier en bewaak het alsof uw leven er van af kon hangen’ en overhandigde Leon een even groezelig stukje papier in de hand. Dit alles terwijl hij schichtig om zich heen keek, alsof hij elk moment vermoord zou kunnen worden. Toch had de man iets stoers over zich, een soort air die James Bond niet zou misstaan. Of iets van een moderne wetenschapper, met zo’n lorgnet op zijn neus. Bovendien kon, hoewel de vingertoploze handschoenen anders deden vermoeden, de man geen zwerver zijn met zo’n dure merkjas aan. Nog voor de geschrokken Leon hem ook maar een vraag kon stellen, was de man verdwenen. Leon bleef verbaasd achter met een vies stinkend stuk papier vol vreemde tekens. Zonder nadenken stak hij het stuk papier in de rechter broekzak van zijn spijkerbroek. Hij bedacht bij zichzelf dat hij er met niemand over zou spreken.

In de koffiepauze bekeek hij het stukje papier. Het stond vol met vreemde krabbels en het enige woord dat hij kon lezen was röntgen. Het kleine stukje papier bevatte veel tekens. Vreemd dat hém dat juist moest overkomen. Het beste, zo besloot hij, was het voorval even te laten bezinken. Het werksignaal klonk.

 

Aan het einde van de werkdag stak Leon de fietsensleutel in het slot van zijn fiets. Vervolgens peddelde hij naar zijn stamkroeg ‘Seahorse’ waar ze, volgens hem, de beste stew en Haggis serveerden. De wind was ondertussen aardig gedimd. Andrew Sheep, een van zijn vrijgezelle vrienden, kwam erbij zitten. Leon besloot zijn boezemvriend, tegen de gewoonte in, niets te vertellen over het briefje en de zwerver.

‘Nog iets gebeurt vandaag?’ vroeg Andrew hem op automatische piloot. Dat was zijn standaard vraag telkens als ze samen kwamen.

‘Nee, niets bijzonders’, was het even standaard antwoord. Andrew bestelde twee pinten donker bier. Leon ging na enkele uren nog even langs de avondapotheek een recept voor zijn moeder inleveren. De oogdruppels waren weer eens op en hij had beloofd nieuwe te halen. Bij binnenkomst liep hij gelijk tegen een rij wachtenden op. Verdorie, hij had al zo´n hekel aan wachten. De deurbel klingelde ten teken dat nog iemand zo gek was hier naar binnen te gaan. Misschien had die persoon net als hij ook geen keuze en wachtte er ook iemand thuis op medicijnen. Leon keek om. Een bloedmooie felrode dame, trad de drukke apotheek binnen. De drukte was zo groot dat ze, aansluitend bij de rij wachtenden, dicht tegen Leon aan ging staan.

‘Excuseert u mij even, mag ik misschien snel voor u, ik hoef alleen maar dit recept af te geven’, vroeg ze Leon beleefd doch zenuwachtig. Mede dankzij de mooie glimlach en de blauwe ogen, stemde Leon in. Ze maakte een vloeiend beweging om Leon heen, daarbij per ongelijk zijn achterwerk aanrakend. Er liep een rilling over zijn rug. Nog voor Leon zijn positieven hervat had, was de mooie dame alweer verdwenen. Zeker haast, dacht Leon. Toen Leon aan de beurt was pakte hij het recept uit zijn broekzak.

´Meneer, u laat iets vallen´, zei de man achter hem beleefd.

´Van mij? ´ reageerde Leon verbaasd het stukje papier oprapend.

‘Het viel uit uw broekzak’, zei de man bevestigend. Mede door de drukte bekeek hij het papier niet maar stopte het terug in zijn achterzak. Even later redenerend hoe hij hier aan kwam, kwam hij tenslotte tot de conclusie dat die mooie meid in de apotheek het hem toegestoken had, hij kon niks anders bedenken. Dat moest haast wel, hij had op werk nog gekeken en wist toen zeker dat alleen dat recept in zijn achterzak zat. Hij stak het tweede stukje papier in dezelfde broekzak waar het bijna vergeten eerste stukje papier ook in zat. Vreemd hij had in een paar uur tijd van schijnbaar twee totaal verschillende personen een zelfde soort papier gekregen. Hij zou later nog wel eens kijken of er een overeenkomst in beide briefjes zat. In elk geval stond er een adres op de tweede brief.

 

De volgende avond rond tien uur sloeg Leon de voordeur van zijn ouderlijk huis achter zich dicht.

‘Ik ben het ma, ik ben thuis’. Geen antwoord volgde. ‘Ma, ben je der wel?’ Toen vervolgens nog geen antwoord volgde maakte Leon zich een beetje ongerust. Hij keek in alle kamers en slaapkamers. Geen spoor van zijn moeder was te bekennen. Nu werd de ongerustheid een tikje erger. Nergens was er een brief te bekennen waarop ze had kunnen schrijven waar ze heen was gegaan. Zenuwachtig rende hij door het huis op zoek naar aanwijzingen. Aanwijzingen van inbraak, ontvoering of zelfs moord. De rillingen liepen over zijn rug bij de gedachte alleen al. Wat moest hij doen, waar was ze? Hij raakte in staat van grote paniek, zijn moeder was al in geen maanden meer buiten geweest zonder hem. Leon pakte de telefoon en belde zijn tante Magda. Maar ook die wist niet waar haar zuster was, ze wilde wel langskomen maar dat hoefde van Leon niet. Nog niet in elk geval. Dan maar oom Harold, die wist om de een of andere redden altijd alles van iedereen, en dat terwijl hij zelf niet verder kwam dan de voordeur van zijn seniorenwoning. Bovendien belden zijn moeder en haar broer elkaar regelmatig. Wederom vertelde Leon wat er aan de hand was. Dat hij haar vanmorgen nog had gezien voor hij naar zijn werk was gegaan. Van de harde wind tot tenslotte hij in een leeg huis binnen was gekomen. Harold vertelde Leon dat zijn moeder hem nog rond vier uur ’s middags had gebeld en alles normaal geleken had. Met andere woorden, tegen de gewoonte in, wist oom Harold nu ook even niet waar zijn zus uit hing. Leon moest zich maar geen zorgen maken alles kwam vanzelf weer goed, Harold wist het zeker. Maar Leon was daar niet zo zeker van, hij maakte zich weldegelijk zorgen. Afwachten maar?

Hij wist het ook niet meer. Moedeloos van het wachten en vol onzekerheid belde hij de politie.

‘Politiebureau Earl Grey Street, met agente McIntosh, waar mee kan ik u van dienst zijn’, sprak een vriendelijke vrouwenstem. Gelijk had Leon een dejavu gevoel bij het horen van de stem. Die leek hij die dag eerder te hebben gehoord.

‘Ik zou graag mijn moeder als vermist opgeven’, reageerde Leon. Waarna hij de agente het verhaal in korte bondige woorden uit de doeken deed.

‘We sturen een agent bij u langs’, was de even korte reactie. Nog voor Leon kon reageren werd de lijn verbroken. ‘Ding dong’, daar ging de voordeurbel. Wie kon dat nu zijn op dit tijdstip van de dag? Zijn moeder? Leon deed een stap in de richting van de deur. Stel je voor dat het iemand met slecht nieuws over zijn moeder was. Iemand die kwam vertellen dat ze in het ziekenhuis lag, of erger in het mortuarium. Allerlei scenario’s spookten door zijn hoofd, hij kreeg er hoofdpijn van. Met kloppend hart liep hij richting de deur. Zijn knieën knikten alsof ze elkaar wilden slaan en zijn adem stokte in zijn keel. Hij schrok zich wild toen de deurbel opnieuw ging. De laatste meter leek eindeloos lang en haast onneembaar. Leon’s hart maakte overuren. Goed of slecht nieuws, er was maar een manier om er achter te komen en dat was het opendoen van de voordeur. Wat had hij te vrezen? Hij zou zekerheid krijgen in welke vorm dan ook.

Toen Leon de deur op een kier deed keek hij recht in de ogen van agent McIntosh.

‘Goedenavond agent McIntosh, u had iemand vermist opgegeven?’ Leon was verbijsterd zijn naam te horen, was dat niet dezelfde achternaam als die hij zojuist aan de telefoon had gehad?

‘Ja, mijn moeder wordt vermist,’ zei de stotterende Leon. ‘Neemt u ons niet kwalijk dat we u op dit tijdstip storen, maar naar ik aanneem is het belangrijk een dergelijk bericht serieus en met de nodige spoed af te handelen,’ zei een andere vriendelijke stem. Leon keek om de deurpost heen en constateerde een tweede, in driedelig pak gestoken, agent.

‘Mogen we binnen komen?’ vroeg de man die zich voorstelde als inspecteur Rowland. Toen de badges getoond werden viel het Leon op dat de inspecteur van MI-6 was. Eenmaal binnen sloeg Leon er geen acht meer op en schonk een kop thee in.

‘Uw moeder was dus nog thuis toen u vanmorgen naar uw werk ging?’ vroeg agent McIntosh.

‘Ja, dat was rond halfacht,’ reageerde Leon. Het hele relaas werd tot in detail genoteerd.

‘Was er verder nog iets bijzonders gebeurd vandaag?’ vroeg de, zich tot dat moment afzijdig gehouden, inspecteur. ‘Een briefje gekregen of zoiets?’ De inspecteur keek Leon daarbij aan alsof hij wist wat er gebeurd was. Plots schoot Leon te binnen dat hij twee groezelige briefjes van twee wildvreemde mensen had gekregen. Het leek hem, om een of andere reden, verstandig dit niet te melden. Iets weerhield hem hiervan.

‘Nee, niets gekregen of gevonden,’ loog Leon. Zo zenuwachtig en onzeker als hij was voor hij de deur open deed, zo vastberaden en zeker was hij het voorval met de zwerver en de dame niet te noemen.

Nadat ogenschijnlijk alles genoteerd was, keken beide agenten nog even rond in het huis. Met een ‘we zetten gelijk iemand op de zaak, u hoort nog van ons,’ deed Leon de deur achter hen dicht.

 

Leon werd door dit bezoek herinnerd aan de twee briefjes. Stilzwijgend pakte hij de beide briefjes uit zijn broekzak. Leon las het eerste briefje en ging zo op in het briefje, wat leek op een rijmpje, dat hij de zwerver bijna vergat. Wie was de man, was hij een zwerver, waar was hij nu? Allemaal vragen die, dankzij de desinteresse van Leon onbeantwoord bleven. Leon had maar oog voor een ding en dat was het decoderen van het smoezelige briefje. Maar hij had een soort voorgevoel, een gevoel dat hij iets miste. Alsof dit groezelige papiertje niet genoeg was om het verhaal kompleet te maken. Misschien had het tweede briefje er mee te maken. Dat moest haast wel. Hij ging zo op in het verhaal dat hij de verdwijning van zijn moeder en de tijd vergat. Hij moest uren hebben gepuzzeld toen hij schrok van de wekker. Hij had klaarblijkelijk de hele nacht door gekeken en gelezen. Het was inmiddels ochtend en tijd om naar werk te gaan.

Even dacht hij aan de woorden van de zwerver ‘Hey mister, neem dit papier en bewaak het alsof uw leven er van af kon hangen.’ Het leek hem verstandig dit geheim voorlopig met niemand te delen.

 

  1. Shauna

 

Augustus. Shauna Davidson was 26 jaar oud, had felrood haar, blauwe ogen en een voluptueuze boezem. Ze was gewoon agente in Edinburgh. Opgegroeid in een harmonisch gezin, met een vader en een broer als politieagent. Moeder was bij de geboorte van Shauna gestorven. Vader en broer hadden haar dan ook alleen opgevoed. Niemand keek op dat Shauna eveneens agente wilde worden. Hoewel ambitieus wilde ze gewoon straatagent worden, niet meer niet minder. Verbaasd was ze dan ook toen enige weken geleden, MI-6 bij monde van detective-inspector Rowland haar benaderde voor een speciale opdracht. Dit alles natuurlijk in landsbelang. Mogelijk moest ze daarvoor naar een nader te bepalen buitenland. Shauna, vol idealistische denkbeelden, dacht gelijk aan Caïro of misschien wel Moskou of Parijs. Nog beter Venetië of Rome. Als rechtgeaard Schotse inwoner beschouwde ze zelfs Engeland als buitenland en derhalve werd Londen ook goed bevonden.

‘Maar waarom kiest u mij?’ vroeg ze detective-inspector Rowland, terwijl ze hem recht in de ogen keek.

‘Vanwege uw achtergrond, met uw vader en broer als een van de weinige niet corrupte politieagenten,’ was het eenvoudige antwoord.

‘Hoe weet u dat ik niet omkoopbaar ben?’

‘Anders hadden we u allang laten ontslaan. Bovendien was u niet zo happig geweest op deze gratis kans.’

‘Dus een vrouw kan niet en omkoopbaar en ambitieus zijn? Wist u dan niet, DI Rowland, dat vrouwen twee dingen tegelijk kunnen doen?’ Ze lachte om haar eigen grap.

‘U wilt de kans voorbij laten gaan?’ vroeg hij haar op een serieuze toon. Nee, daarvoor was het aanbod te mooi, besefte ook Shauna. Enkele dagen later waren de formaliteiten met het districtskantoor geregeld.

De basistraining was grondig en hard. Ze leerde wapens te onderscheiden, kon veel harder rennen en leerde gevechtstechnieken waar ze het bestaan niet van wist. Ze leerde hoe ze zich formeel doch sexy moest opmaken en kleden en leerde behalve Frans, ook Italiaans, Duits en Russisch. Shauna had in de afgelopen drie weken meer geleerd dan in twee jaar op de politieschool. Het meest opvallend was wel het feit dat ze leerde zakkenrollen.

Na een nacht in het Gainsborough hotel in Kensington, kwam eindelijk de dag waarop ze te horen kreeg wat haar missie was. DI Rowland nam haar, per dubbeldekker, mee naar het hoofdkwartier van de Box, zoals MI-6 ook wel werd genoemd. Deze was gezeteld in het Thames House in Millbank te Londen en was een grijs en grauw gebouw aan de buitenkant. De bus stopte pal voor de hoofdingang. Shauna had veel bewaking en controle verwacht. Maar in plaats daarvan liepen ze een eenvoudige draaideur door. Eenmaal binnen zag Shauna de marmeren vloeren die zodanig blonken dat de Britse vlag erin weerkaatste. Een levensgrote buste van koningin Elisabeth keek haar recht aan. Daarop bevond zich een plaquette met het opschrift: “voor koningin en vaderland”.

Blasé voor dit alles, nam DI Rowland met ferme passen de roltrap naar de derde verdieping. Shauna keek zich de ogen uit over zoveel pracht en praal. Ze sjokten gang in, gang uit. Mannen in donkergrijze pakken liepen van kantoren open en ruim en ultramodern ingericht, tot andere kantoren muffig en voorzien van halfglazen deuren erin. James Bondachtige knappe agenten, in volornaat, waren druk met hun ‘state of the art’ mobiele telefoons. DI Rowland en Shauna liepen er langs om uiteindelijk in een klein hoekig kantoortje te belanden. ‘Welkom, welkom, agent Davidson, welkom bij de Secret Service afdeling terrorismebestrijding.’ De kraakstem behoorde bij een klein miezerig mannetje met een knijpbril op zijn neus. Hij leek zo uit een Harrie Potter film weggelopen. Trouwens dit kantoor, dit gebouw zou ook niet in zo’n film misstaan. Hij noemde zijn naam niet, toen Shauna er naar vroeg kreeg ze eenvoudigweg geen antwoord.

DI Rowland bemerkte de verwarring en lachte voor de eerste keer sinds ze hem ontmoet had. Nu ze er over nadacht, in de vrije seconden die haar gegeven werden, hij had zijn voornaam ook nog niet genoemd. Hij had zich tot dusver alleen voorgesteld als Rowland of als DI Rowland. Lang tijd kreeg ze niet om erover na te denken, de “baas”, het kleine miezerige mannetje, pakte een belangrijk uitziende aktenkoffer. Deed die demonstratief en omslachtig open, alsof het ding elk moment ontploffen kon.

‘Heeft u, agent Davidson, wel eens gehoord van ene Victor Balakov? Of misschien van de VWB groep? Zeker ook niets van hun geheime formule?’ Ze schudde ontkenend met haar hoofd. De kleine man keek verbaasd van DI Rowland naar haar en weer terug. Hoe kon het zijn dat een vers opgeleide MI-6 agent nog nooit gehoord had van de meest gezochte man ter wereld, op Osama Bin Laden na?

Na een korte briefing over de, levensgevaarlijke en kapitalistisch rijke, persona non grata Victor Balakov ging het al snel over de VWB groep en alles wat die groep op zijn kerfstok had, aangaande wapensmokkel. Dat ze overal ter wereld spionnen en informanten hadden, en dat was precies de reden dat ze Shauna hadden gekozen voor dit project. De informanten kenden haar niet, en dus kon ze makkelijk infiltreren in de VWB. Even was het stil in het kleine kantoor. Shauna was in eerste instantie geschokt over haar opdacht. Dat had ze zich iets romantischer voorgesteld. Maar ze ‘a’ gezegd, nu moest ze ook ‘b’ zeggen. De uren hier op volgend werd tot in detail uitgelegd wat ze moest doen.

‘Dus het is van levensbelang en landsbelang dat we de formule in handen krijgen,’ besloot de baas.

‘Zijn er nog vragen op dit moment?’

‘Eigenlijk een paar vragen,’ reageerde Shauna. ‘Brand maar los,’ was de tegen reactie.

‘Om te beginnen, hoe kom ik weer veilig thuis? Ten tweede in welke vorm bestaat de formule? Ten derde hoe wordt mijn veiligheid gegarandeerd tegen een eventueel te verwachten wraakactie van de VWB? Als laatste wat doe ik ermee, gewoon hier bij u brengen?’ Shauna keek de man daarbij aan als ware hij een misdadiger die een bekentenis ontfutseld moest worden.

‘Ze is goed hé?’ DI Rowland had zich voor het eerst gemengd in het gesprek. De kleine man lachte zonder zijn lippen van elkaar te doen.

‘Om te beginnen weten we niets van de formule,’ antwoordde de man.

‘Behalve van het bestaan ervan, zou het op papier, in vaste uitvoering kunnen bestaan of zelfs in vloeibare vorm.’

‘In vloeibare uitvoering?’ vroeg Shauna verbaasd.

‘We vermoeden dat het om een coating op een bestaande bril gaat, indien dit zo is willen wij hier graag zo’n bril hebben voor onderzoek. Maar we weten het niet, dat maakt het lastig.’ Shauna keek de man warrig aan. Hij ging verder.

‘Eenmaal in bezit van de formule, reis je via de Britse ambassade op een vals paspoort terug, om je daarna hier weer te melden. Ik persoonlijk zou graag de formule in ontvangst nemen. Daarna zorgen we ervoor dat je een andere identiteit krijgt, om zo eventuele wraakacties te ontlopen.’ Shauna keek wederom warrig, een andere identiteit……dat betekende doorgaans dat je het ouwe leven, vrienden en familie nooit meer zag. Ze kende het systeem van het getuigen bescherming programma. Daarbij werden getuigen tegen gevaarlijke misdadigers hetzelfde aangeboden tijdens en na een strafproces. Daarmee waren de vier vragen van Shauna beantwoord.

 

Een week later was Shauna omgetoverd tot een echte antiwesterse revolutionair met enige wapenkennis. Klaar om te infiltreren in de VWB. Die vrijdagmiddag stapte ze in Hamburg Hbf op de trein van 13.18 uur. Het zou een reis worden van drie keer overstappen om vervolgens na ruim negenentwintig uur aan te komen in Moskou Berlorusskja. Eerst naar Berlijn Hbf per InterCityExpess. Dan per EuroCity naar Warschau om per nachttrein aan te komen in Moskou. Shauna begon met het wegpakken van de enkele koffer die ze meegekregen had. Ze plofte onverschillig in de riante stoel van de uiterst comfortabele ICE. Haar mond vol met kauwgum, en gekleed in lakleren broek met een schotsgeruite top eroverheen. Al met al een opvallend verschijning. Maar dit was deel van het vooropgezette plan. Ze moest juist opvallen. Terwijl de nachttrein om exact 23.35 uur vertrok richting Moskou Berlorusskja, merkte de gespannen Shauna dat er op haar gelet werd. Ze voelde dat ze in de gaten werd gehouden. De voormalige KGB? De VWB? MI-6? Ze kon slechts op de man afstappen en vragen of hij van de Britse geheime dienst was, daarmee haar dekmantel prijsgeven als ze het fout had. Nee, ze moest onverschillig en verdwaalt over komen. De gehele restant van de reis bleef de man in kwestie haar in de gaten houden. Shauna trok zich terug in haar slaapcabine. Toen ze wakker werd door het fluitsignaal, ten teken dat het eindpunt van de reis bereikt was, sloeg de stationsklok 20.30 uur.

In plaats van een hotel te zoeken, slenterde ze rond als een toerist zonder geld. Bewust van het feit dat de man van de trein haar nog steeds in de gaten hield. Plots versnelde hij zijn pas, terwijl Shauna inhield.

‘Fraulein, warten sie ein moment bitte,’ sprak hij haar in het Duits aan.

‘Waarom neemt u aan dat ik Duits spreek?’

Shauna besloot de man van zijn stuk te brengen met een direct tegen woord. De man, even van zijn apropos gebracht, herstelde snel.

‘Het lijkt me dat u de weg kwijt bent en aangezien u in Hamburg bent opgestapt.’

‘Hoe weet u dat ik in Hamburg ben opgestapt? Volgt u mij al die tijd al?’

‘Laten we zeggen dat we zeggen dat wij gestrande westerlingen opvangen, een soort liefdadigheidsgroep.’

‘We?’ vroeg Shauna.

‘Er zijn meerdere mensen? Wie zegt dat ik mezelf niet kan redden?’

De man leek enigszins geïrriteerd. ‘Luister dom wicht, wil je hulp of niet?’ Shauna schrok van de felheid waarmee de man reageerde.

‘Rustig Alex, ze weet immers nog niets van ons naar ik aanneem.’ Een andere man dook uit het niets op achter de man die men Alex had genoemd. Een slungelig uitziende man met bruine ogen en uitstekende oren, gekleed in een legerbroek en legerkistjes aan zijn voeten, trad naar voren in het schaarse straatlicht.

‘Mag ik mij even voorstellen, de naam is Victor. Victor Balakov.’ Hij keek Shauna daarbij met een vriendelijke glimlach aan.

‘Shauna Davidson, aangenaam.’ Shit, daar gaat mijn schuilnaam bedacht ze zich. Nu kon ze net zo goed haar echte naam gebruiken verder. Maar ze moest oppassen niet nog meer stomme fouten te maken. Ze schudden elkaar de hand. Ze keken elkaar een poosje recht in de ogen. Dit moest dus wel de VWB zijn, vreemd deze Victor zag er helemaal niet uit als een misdadiger en miljonair. Ze mocht niet laten blijken dat ze wist wie hij was. Als ze wantrouwig werd zou de hele operatie kunnen mislukken. ‘Mijn excuses voor het gedrag van Alex. Maar wat voert u naar Moskou?’ ging Victor verder.

‘Ik ben het drukke westen zat,’ reageerde Shauna.

‘Ik hoorde dat er genoeg te doen was in het centrum van jullie hoofdstad.’ De beide heren keken elkaar met een geheimzinnige blik.

‘Dan bent u bij ons aan het juiste adres. Maar mag ik u vragen, heeft u al en slaapplaats voor de nacht. Het is bijna donker en Moskou is zeker geen leuke plek om de nacht op straat door te brengen,’ zei Victor.

‘Nee nog niet, ik ben net uit de trein gestapt en daarna de straten van Moskou doorgejaagd door uw Axel of hoe hij heten mag,’ reageerde ze bits. Alex draaide zich chagrijnig om en wierp een kwaaie blik naar Shauna.

‘Misschien moeten we haar juist laten slapen op een van onze beroemde pleinen,’ grapte Alex.

‘We weten immers niets van haar.’

‘Jullie zijn een vredelievende humanitaire groep op zoek naar vreemde verdwaalde westerlingen zonder slaapplaats?’ vroeg Shauna.

Victor lachte hartelijk om zoveel ironie.

‘U schat uw situatie geheel foutief in juffrouw Davidson. U bent hier vreemd, u heeft geen slaapplaats en niet geheel onbelangrijk, u bent alleen. Kijk, als wij kwaadwillend geweest zouden zijn dan was u nu al niet meer in leven. Dus in uw eigen belang zou ik, als ik u was, ons maar volgen.’

Tegen zoveel logica kon ze niets inbrengen en dus met en gespeelde tegenzin volgde ze de beide mannen door steegjes en paden, langs winkelcentra en andere gebouwen. Tot ze bij een taxicentrale aan kwamen.

‘Voor uw eigen bestwil moeten we u bij dit deel van de reis, blinddoeken. In geval u een spion bent van de KGB,’ grapte Victor. Shauna, niet in een positie om nee te zeggen, liet het zich gelaten welgevallen. Hij moest eens weten hoe dicht hij bij de waarheid zat.

De reis verliep verder gladjes. Shauna zag niets, maar hoorde des te meer. Geluiden die kwamen van Pushkin State Fine Arts Museum en van het Rode Plein en dat lag noordelijk. Tevens, zo bedacht Shauna zich, de weg naar Dolgoprudnyy. Rechtstreeks in het hol van de leeuw. Nu moest ze de rol van haar leven spelen, haar leven hing er letterlijk van af.

De gitzwarte 5-deurs Mercedes C-estate 200 remde langzaam af. De blinddoek ging weg en Shauna keek zich de ogen uit. Een zee van licht, honderden mensen. Maar waar ze nog het meest van schrok was een Russische tank die ze herkende als een Iosef Stalin tank. Voor ze er erg in had floepte ze er een modelnaam uit.

‘De IS-2 model 1945, 4 mensen, en met een lengte van ruim 9.9 meter en een breedte van ongeveer 3 meter erg goed wendbaar. Wat verbazend goed is gezien de 46 ton.’

Alex keek naar Victor en omgekeerd.

‘Pas maar op voor die superkanonnen aanboord,’ probeerde Alex.

‘Met die armzalige D25-T 122mm zeker, als er nu een Mauser kanon op zat maar ja……...’ Alex was verbaasd en Victor glimlachte alleen maar. Beide waren muisstil. Verbaasd over zulks een wetenschap deed hen beseffen welk een goudmijntje ze hadden opgepikt.

‘Mag ik vragen waar u die wijsheid vandaan heeft?’ vroeg Victor na enkele minuten stilte.

‘Pure hobby,’ was het eenvoudige antwoord.

‘Vreemde hobby, voor een dame,’ riep Alex argwanend. Hij zou en moest haar in de gaten houden, voor hetzelfde geld was ze een spion. Victor daarentegen had een ander beeld voor ogen. Een van uitgebreide mogelijkheden. ‘Van mijn opa overgenomen, die was gek op wapens,’ ging Shauna in als antwoord op de reactie van Alex.

‘Bijzondere man die opa van u,’ zei Victor. Voor wat Victor betrof was ze deel van de groep. Shauna glimlachte onopvallend…………..ze was binnen.

 

De dagen opvolgend schoten als sneeuw voor de zon voorbij. Shauna liet zich langzaam maar zeker uithoren over haar wapenkennis. Soms met expres een foutje om Alexander Petrov niet te argwanend te laten worden, hij vertrouwde haar nog niet helemaal. Als ze weer eens een foutje maakte, zag ze het gezicht van Alexander opbloeien.

Op de markt van Dolgoprudnyy was 24 uur handel in wapens te beleven. Shauna keek de ogen uit, ze had hier geen weet van gehad.

‘U weet waar deze wapens voor zijn?’ vroeg Victor haar op de vierde dag.

‘Nee, maar ik kan me er wel iets bij voorstellen,’ was de reactie.

‘Kijk we zijn een liefdadigheidsinstelling voor mensen die net als jij iets zoeken in Rusland, een groep die zijn financiën haalt uit de wapenhandel. Een mens moet toch ergens zijn geld mee verdienen, we kunnen niet allemaal Greenpeace met overheidssubsidie spelen, nietwaar. Stoort het u?’ vroeg Victor doelbewust niet tutoyerend. Ze schudde nee met haar vette haren, haar ongewassen gezicht en haar onverzorgde nagels.

‘Ik realiseer me dat u zich al dagen niet meer heeft gewassen, kan ik u een bad aanbieden?’ ging Victor verder. Ze keek om zich heen en zag wapens en ruwe mannen die ze verhandelden, maar in geen velden of wegen had ze een bad gezien. Laat staan de privacy om er naakt in te gaan zitten. Victor zag de verwarring in haar ogen.

‘Loopt u maar mee mevrouw,’ zei hij enigszins overdreven. Het hele marktplein was vergeven van de kruiddampen en ze zagen dan ook niet meer dan twintig meter vooruit. Victor leidde haar langs kraampjes vol handgranaten, bermbommen en handpistolen. Links af, rechtsaf, ze verloor alle gevoel voor richting. Tot haar verbazing zag ze een gigantisch mooi huis staan. Een boerderijvorm met bijpassend rieten dak. Terwijl ze de automatische glazen voordeur passeerde vroeg ze zich af of het dak niet in brand zou vliegen met al dat wapentuig er rond om heen. Van binnen bekeken viel ze van de ene verbazing in de andere over de art-deco inrichting. Zo antiwesters kon hij toch niet zijn. Ze had tot op dat moment in een tent geslapen.

‘Uw bad mevrouw,’ lachte Victor en maakt een uitnodigend gebaar. Met open mond liet ze zich leiden naar een grote slaapkamer met ingebouwde badkamer waar reeds een dampend bad op haar wachtte.

‘Hoe wist u……,’ stotterde Shauna verbaasd over het gereed staande bad.

‘U denkt toch niet dat u de enigste dame hier bent,’ reageerde Victor op zijn beurt. Nou hij het zei, ze had nog geen andere vrouw gezien sinds haar aankomst. Maar voor ze hem daarover kon vragen, was hij reeds verdwenen de deur achter zich dichtslaand. Voor het eerst sinds haar komst in Rusland was ze even alleen, hoewel ze het gevoel had dat ze constant in de gaten werd gehouden. Een gevoel dat versterkt werd door de cctv camera’s. Even schudde ze haar hoofd. Het maakte haar niets meer uit, het dampende bad lonkt te zeer.

 

  1. VWB

 

Onder het mom van de vrije markthandel, werden dagelijks wapens gekocht en verkocht. Perfecte marktplaats daarvoor was de markt van Dolgoprudnyy gelegen aan de A-104 ten noorden van Moskou. Dit alles natuurlijk in het grootste geheim, want officieel bestaat die markt niet. Maar het is geen geheim voor Victor Balakov. Victor is de bekendste wapensmokkelaar op het noordelijk halfrond. Tevens is hij de meest gezochte man van de westerse geheime diensten.

‘Schiet op klungels, de centen van de baas zijn niet van blik. Pas op met die Kalashnikov die is geladen, idioot.’ Stomme buitenlanders ook. Afghanen, je kon niet zonder hun domme krachten als sjouwers maar je kon ook zeer zeker niet met ze werken. Victor maakte zich kwaad over zoveel onnozelheid.

‘Alex regel jij dat maar even jij spreekt tenminste Afghaans.’

De leidinggevende kracht van Victor lag niet zozeer in het feit dat hij alles zelf wist te doen, maar hij wist geweldig te delegeren. Alexander Petrov, kortweg Alex, aarzelde dan ook geen moment om zijn zojuist gekregen opdracht uit te voeren. Hij was de krachtpatser van de groep en voormalig KGB agent. Hem weigerde je niets, of je moest levensmoe zijn. Met een gigantische borstomvang en een lengte van meer dan twee meter, zou zijn figuur niet misstaan in een Silvester Stallone film. Enigste minpunt was zijn slordigheid. Dat kon de groep nog wel eens opbreken had Victor meermalen geroepen. Victor was dan ook regelmatig chagrijnig op Alex. De spanning tussen de beide mannen was te snijden. Maar dat was ook niet zo gek als je bedacht welk geheim er op het spel stond.

Enige weken daarvoor was Victor nog in extase geweest over de ontdekking van de eeuw. In zijn laboratorium aan de Wolga in een achterbuurt van Saratov hadden zijn geleerden de formule ontdekt voor een röntgenbril. De euforie was niet te beschrijven. De groep van Victor, bijgenaamd ‘de Vrije Wolven van Balakov’, was dagen lang dronken van de ruim geschonken wodka.

Die kapitalistische zwijnen hadden, met al hun laboratoria en kennis, niet voor elkaar gekregen wat hem, leider van de VWB, met relatief eenvoudige middelen wel was gelukt. Een bril waarmee je dwars door dingen heen kon kijken. Dat zou het werk van zijn in het westen geïnfiltreerde agenten een stuk makkelijker maken. Voor de zekerheid had men het hele verhaal op drie briefjes geschreven, je wist immers maar nooit in deze business. De cryptisch omschreven rijmpjes waren elk in een separate kluis gelegd. De eerste omvatte een flauwekul rijm, de tweede omschreef waar het in feite om ging. Tenslotte gaf de derde aan wat het briljante er aan was, en briljant en kinderlijk eenvoudig was het. Zo kinderlijk eenvoudig dat maar één geleerde er op gekomen was en die werkte, na enige zachte drang van een uzi machinegeweer onder zijn neus, gelukkig voor hem Victor Balakov.

De leiding van de groep van Victor bestond behalve uit hemzelf en Alex Petrov ook nog uit Anouska Dynaski. Een dame uit de Russische adel. Ze was gerebelleerd tegen haar aristocratische westers ingestelde ouders. Uit protest had ze gezworven in de catacomben van Moskou. Het was hier dan ook dat ze Victor had ontmoet. Gelijk was er een gemeenschappelijk doel geweest, het steunen van de oorlogen tegen het westen. Waar dan op elk continent. Tussen de Israëliërs en de Palestijnen; tussen Rusland en Georgië; tussen de Hutu’s en de Toetsies; de Farc in Zuid-Amerika, voormalig Joegoslavië; China en Tibet, noem maar op of er was wel, op zijn zachts gezegd, een conflict. Zelfs de Mosad, IRA, Hamas en de ETA hadden al eens zaken gedaan met de VWB. De business van de VWB in wapensmokkel had zijn start gemaakt in strijd van de Mujihadin-strijders in Afghanistan en vrij recentelijk van Al-Qaida tegen het ongelovige westen. De VWB was niet te beroerd geweest te bemiddelen in ruil voor geld en had een marktaandeel van tachtig procent. Victor was dan inmiddels ook een rijk man. Hij verbleef zelden langer dan een dag op dezelfde plek. Dit maakte hem onmogelijk te traceren. Bovendien kon je met al dat geld vriendendiensten kopen. De Russische overheid, vermoedelijk als gevolg van smeergeld, ontkende eenvoudig het bestaan van de VWB groep. Hoe hard Europa en de Verenigde Staten ook aandrongen. Dus konden Victor, Alex en Anouska vrijelijk hun gang gaan. Even waren Victor en Anouska geliefden geweest, maar dat werkte in de groep tegen ze. Alexander Petrov kwam uit de vriendenkring van Anouska. Ze hadden dezelfde opleiding genoten. Zij had daarna het kapitalisme bestudeerd, hij had zijn tijd gespendeerd in de sportschool. De VWB was geheel geïnfiltreerd in het dagelijkse leven en het stadsbestuur van Dolgoprudnyy. Ze hadden de burgemeester op de loonlijst staan, net als het gehele stadsbestuur trouwens. Maar Victor wist zijn omgeving te waarderen, de directe omgeving profiteerde flink mee in de rijkdom.

 

Shauna lag heerlijk te dromen in haar bad, toen een vrouw haar hoofd om de rand van de deur stak. Shauna had dit niet verwacht en schrok zich een ongeluk.

‘Oh, neem me niet kwalijk,’ zei de hoogblonde vrouw. ‘Het was niet mijn bedoeling u te laten schrikken.’ Shauna reageerde op de uitgestoken hand.

‘Anouska Dynaski, aangenaam.’

‘Shauna Davidson, wederzijds.’

‘Kan ik je nog ergens mee helpen, zeep of shampoo? Die barbaar van een Victor denk niet aan zulke dameszaken.’ Anouska glimlachte en keek vertederend naar Shauna die krampachtig haar enorme boezem probeerde te bedekken. ‘Als het niet te veel moeite is, beide graag,’ zei ze met een blos op de wangen. De daarop volgende dagen zag Shauna Victor nauwelijks maar Anouska des te meer. Shauna was inmiddels ingewijd in het grote laboratorium geheim, Anouska praatte er honderd uit over. Ze maakte er geen geheim van en vroeg zelfs de mening van Shauna over het waar en hoe van de inzet voor de bril. Daarbij volledig voorbijgaand aan het feit dat de formule alleen nog maar op papier bestond. Ze zag de ongekende mogelijkheden al helemaal voor ogen. Alexander gedroeg zich nog steeds voorzichtig tegenover haar. Hij bleef haar in de gaten houden, terwijl steeds meer VWB leden leerde kennen. Ze gebruikte daarbij handig haar wapenkennis als dekmantel.

 

De volgende dag sprak Victor haar aan.

‘Luister Shauna, je teert nu al anderhalve week op mijn kosten en dat is prima, ik heb het zelf aangeboden. Maar ook ik leidt geen filantropische instelling, ik verwacht van je dat je wapenkennis gaat gebruiken op de markt. Spreek je nog andere talen dan Engels?’ Shauna had hierop gehoopt maar speelde enigszins de onschuld zelve. ‘Ik wapens verhandelen?’ vroeg ze zo onschuldig mogelijk.

‘Je gaat met Alex de mark op en hoeft alleen maar te kijken of de koopwaar die we opkopen ook echt zijn. Er is veel Aziatische namaak in de handel.’ Terwijl Shauna haast glunderde, sprak het gezicht van Alex boekdelen.

‘Alex regelt voor mij de ietwat grotere onderdelenhandel. Ik neem aan dat je opa’s en jouw wapenkennis niet zover reiken dat je daar ook in thuis bent. Kijk dus vooral en leer van Alex.’ Het hele gezicht van Alex was opslag één grote glimlach.

Het was nog vroeg in de morgen maar toch hing er nog steeds een kruitdampwaas over de markt van Dolgoprudnyy. Weer was Shauna alle gevoel voor richting kwijt. Ze had geen flauw idee hoe groot het marktplein was, maar aan het constante kabaal te horen en aan de afmetingen van sommige voertuigen, moet het zeker enkele honderden vierkante meters groot zijn. Alex, die expres grote passen had genomen, hield stil bij een gigantisch groot apparaat. ‘Je kent dit ding zeker?’ zei hij op arrogante toon. Het leek Shauna, in verband met de verstandhouding tussen beide, beter om nee te schudden. Het ding leek op een soort radar.

‘Dit is nou een Goalkeeper, een vuurgeleidingssysteem in combinatie met een Gatling gun. Van naar verluid Nederlandse makelij.’ Alex trok een trots gezicht.

‘Heb ik persoonlijk gekocht voor slechts enkele miljoenen, een pure winstkraker. De verkoopmarktwaarde ligt tussen de dertig tot vijfendertig miljoen.’ Shauna keek het metershoge ding aan alsof het een stuk oud roest was. Terwijl ze hem verliefd naar het wapentuig zag kijken, kwam ze tot de slotsom dat ook Alex een zachte kant moest hebben. Ze besloot daar op dat moment dat ze de formule via hem te pakken moest zien te krijgen. Van Anouska had ze reeds gehoord dat het om een stel papieren ging. Ze was trots op haar zelf, in korte tijd had ze zich én vertrouwd gemaakt bij de top van de VWB én weten te achterhalen in welke vorm de geheime formule zich bevond. Vraag was alleen waar het zich bevond en hoe het te ontfutselen van en via Alex. Ze moest hem zo ver zien te krijgen dat hij de formule ging halen. Ze zou daarbij alles uit de kast moeten halen om hem om de tuin te leiden.

Alexander Petrov zou die middag geld innen van de VWB verkopers, dat gebeurde doorgaans zo’n een à twee keer per week. Hij besloot Shauna mee te nemen op dit niet geheel risicoloze gebeuren. Eens testen of ze stressbestendig was. Het te innen geld werd meestal niet zonder slag of stoot afgegeven.

Rond tien uur die morgen stapten Shauna, Anouska en Shauna richting de markt. Terwijl Shauna zich afvroeg wie bij de VWB hoorde en wie er een klant was, zag ze dat Anouska een andere kant op liep. Alex stak twee vingers in een gesloten formatie en een derde vinger, van de andere hand, er dwars over heen en begon te fluiten. Het klonk hard en schel. Op het moment dat ze zich afvroeg wat hiervan de bedoeling was, kwam er een echo terug. Toen nog een en nog een. Meerdere echo’s kaatsten terug richting Alex. Die keek Shauna lacherig aan.

‘El Silbo Gomero,’ legde hij uit. Shauna moest hem schaapachtig aangekeken hebben want hij ging verder met zijn uitleg.

‘El Silbo Gomero is een fluittaal waarmee 2500 jaar geleden al herders op La Gomera Canarische eilanden. Silbadors beheersen de taal.’

‘Dus jij bent een Silbador?’ vroeg Shauna. ‘Scherpzinnig,’ reageerde Alex flauwtjes.

‘Maar snapt mevrouw ook het waarom van de taal?’ ging hij arrogant verder.

Toen ze nee schudde, legde hij uit dat dit fluittaaltje als enige, mits juist aangeleerd, voldoende decibels kon produceren om boven het kabaal van de markt uit te komen. Aangezien het zicht nihil was, op een plein waar 24/7 gehandeld en geschoten werd, was dit de enige manier om hun eigen mensen terug te vinden. Elke verkoper had zijn eigen echo, als er een niet reageerde wisten ze gelijk dat de persoon in kwestie er van door was met het geld. Die persoon werd meestal twee dagen later dood in Siberië teruggevonden. Shauna pinkte een valse traan weg, bij zoveel wijsheid. Links en rechts kwamen ongure types vanachter hun kraampjes vol Kalashnikov’s, landmijnen, handgranaten en machetes.

Alex zei iets in het Afghaans tegen elke man die geld kwam brengen. Een man werd uitzonderlijk hard en ruw toegesproken en zette het op een lopen. Alex wachtte even, bedacht zich geen moment en schoot, voor de verbijsterde ogen van Shauna, de man recht door het hoofd om vervolgens het geld te pakken.

‘Geschokt?’ vroeg hij. Shauna knikte voorzichtig. ‘Ach je moet maar denken dat het een Afghaan is, bovendien was het zijn verdiende loon.’ Shauna zag de ruwe kant van Alex Petrov opborrelen. Een kant die niets om mensenlevens gaf, het deed haar huiveren. Stilzwijgend vervolgden ze hun bezigheid.

 

De volgende morgen bleek Victor richting Somalië te zijn gereisd, om met de scheepspiraten te onderhandelen. Anouska was eveneens te zijn vertrokken naar Bolivia voor zaken. Dus bleef Shauna alleen achter met Alex, dit was haar moment. Hier moest ze gebruik van maken, op deze kans had ze gewacht. Ze wist dat Alex al dagen niet zijn ogen van haar af kon houden, met name van haar boezem. Ze deed poeslief tegen hem die morgen. Hiervoor kwam haar make-up cursus haar goed van pas. Ze trok een van Anouska gekregen jurk aan, met diep uit gesneden decolleté. Haar voluptueuze boezem versterkte het doel waarvoor ze deze jurk gekozen had. Verder trok ze hoge laarzen aan met stilletoheels over haar glad geschoren benen. Een bijpassende string en bh maakten haar er grof gezegd geil uitziend en dat was nou precies de bedoeling. Alex dusdanig verleiden dat hij haar zou prijsgeven waar de formule lag. Ze trad als een koningin de eettent binnen. De ogen van Alex popten zowaar uit hun oogkas. Shauna ging aan de ontbijttafel zitten. ‘Goedemorgen Alexander,’ daarbij expres zijn volle naam noemend om zijn aandacht te krijgen. ‘Alleenheerser vandaag?’ zei ze terwijl ze het antwoord al wist.

‘Fijn toch, zijn we eindelijk eens met zijn tweeën.’ Ging ze verder om hem geen kans te geven te reageren.

‘Wat zie je er mooi uit,’ stamelde hij.

‘Dank je,’ was de korte tegen reactie.

‘Wat staat er vandaag op het programma?’ vroeg ze hem daarbij recht in de ogen kijkend.

‘Ik weet niet wat jij gaat doen, maar ik vlieg naar Saratov,’ zei hij op norse toon.

‘Wat valt daar te beleven?’ vroeg Shauna nieuwsgierig.

‘Gaat je niets aan.’ Alexander Petrov nam een quasi onverschillige houding aan.

‘Geheim?’ probeerde ze. Even viel een stil moment. Ze moest hem juist aan de praat houden.

‘Laboratorium checken,’ kwam er kort en nors uit. Laboratorium? Dat klonk alsof het de ideale plek was voor een geheime formule. Dat moest ze van dichtbij bekijken. ‘Weet je wat, ik ga gezellig met je mee,’ daarbij haar rug rechtend en dus haar niet geringe borsten nog verder naar voren drukkend. Het gewenste effect werd bereikt te zien aan het rode hoofd van de meer dan twee meter grote Alex. Mannen waren zo voorspelbaar, een beetje boezem en een korte jurk en ze waren als was in je handen.

Alex verdronk in de boezem van Shauna en eerlijk is eerlijk, het streelde haar vrouwelijkheid. Ze raakte zelfs licht opgewonden bij de gedachte aan hem en haar in een seksuele omhelzing, waarbij hun tongen de twist met elkaar dansten. Ze zag in gedachten hoe de twee het bed deelden. Hij was niet onknap en ze kikte nu eenmaal op grote mannen. Ze voelde een lichte tinteling in haar borsten en………schrok uit haar korte dagdroom. Ze moest helder blijven.

Rond tien uur vertrokken een afgeleide Russische man van twee meter en een half opgewonden afvallige westerse dame met verstand van wapens weg van een wapenhandelcentrum richting een plaats met de naam Saratov aan de Wolga. Er was vijf kilometer buiten Moskou niets dan open vlaktes en de reis verliep stilzwijgend. Alex baalde dat hij haar meegenomen had, zij had spijt van de veel te koude jurk. De verhitte blikken van de eettent waren danig afgekoeld toen ze het aftandse voertuig zag. Het was koud in de oude tweepersoons Tupolev, de vering en de stuurinrichting waren totaal versleten, net als de startbaan waar ze op vertrokken even buiten Dolgoprudnyy.

Shauna vroeg zich af waarom de diverse dorpen zo op elkaar leken, alles was zo kleurloos, zo grijs en grauw. Van neonreclame hadden ze hier vast niet gehoord. De grote westerse merken zag je alleen in down-town Moskou. Ze vlogen laag en er was voldoende licht om alles eens goed te bekijken. De vlucht om de ruim duizend kilometer te overbruggen duurde enkele uren. Shauna had intussen ruim de tijd te bedenken met welke smoes ze de formule in handen kon krijgen. Wat nog belangrijker was, hoe ze hier uit dit door godverlaten land kon ontsnappen, zonder dat Alex al de botten in haar slanke lichaam brak. Alex zette zonder problemen het oude gammele toestel aan de grond. Daar stond een spiksplinternieuwe BMW 725i gereed om naar een gebouw, zo mogelijk nog aftandser dan die ze onderweg gezien hadden, te brengen. Althans aan de buitenkant.

‘Uitstappen en mond houden,’gromde Alex. Hij gooide de deur van de auto dicht en liep met grote passen richting het gebouw.

‘Versta je Italiaans?’ vroeg hij kort. Hoewel ze deze taal enigszins had geleerd in haar MI-6 opleiding, schudde ze bedeesd nee. Het was koel in het gebouw. Was dit nou de plek voor de militaire uitvinding van de eeuw? Maakte die dwerg bij MI-6 zich hier nou druk om? Wat belangrijker was, waagde ze zich hier nu het leven voor?

 

Alex draaide zich weg van haar. Hij deed de dichtstbijzijnde deur open en liep naar binnen. Alleen.

Achter een wazig raam zag de 26 jarige Shauna hoe Alex in het Italiaans een intimiderend overwicht had tegenover een timide uitziende laborant. Waarschijnlijk was dit de uitvinder van de röntgenbril formule. Verder was er niemand te zien in deze kamer. Even ving Shauna een paar woorden op, net genoeg om haar een glimlach op het gezicht te laten verschijnen. Net op tijd draaide ze zich rond op het moment dat Alex de deur weer uit kwam. ‘Genoeg tijd verspild,’ zei hij in het Italiaans tegen haar. Ze was zich wel degelijk bewust van het feit dat hij haar aan het testen was. Toen ze zogenaamd niet-begrijpend nee schudde, was hij gerust gesteld. Hij herhaalde de woorden in het Russisch.

‘Zaken geregeld?’ zei ze met haar hoofd schuddend in de richting van de kamer waar hij zojuist uit kwam.

‘Ja,’ was het korte antwoord.

‘Het leek er nogal heftig aan toe te gaan,’ drong ze aan.

‘Italianen hé, die maken overal een hoop poeha van.’

‘Het leek er meer op dat jij een hoop poeha maakte daarbinnen.’ Alex bloosde ongewild.

‘Zaken doen op zijn Italiaans heet dat. Bovendien niets om je mooie koppie over te breken. Rondleiding dan maar, dan haal ik straks de briefjes wel op.’ Alex realiseerde zich dat hij hiermee iets teveel informatie prijsgegeven had.

‘Briefjes?’ vroeg Shauna nonchalant.

‘Ja euh een paar recepten tegen de zwavel in de lucht in Dolgoprudnyy,’ reageerde hij snel. Ja, ja, dat zal dacht Shauna. Ze dacht al de woorden ‘formule’ en ‘papier’ opgevangen te hebben in dat laboratoriumdeel. Nu wist ze het zeker, hier moest ze haar slag slaan. Hier was haar doel en ondanks de kou trok ze het decolleté van haar toch al strak zittende jurk nog strakker.

Na een korte oninteressante rondleiding met een, door haar naar voren priemende borsten afgeleide Alex, sjokten ze terug naar de uitgang.

‘Wacht hier even op mij, ik ga even die recepten ophalen,’ zei Alex. Dit was haar enigste kans, nu moest ze iets doen. Terwijl Alex richting de deur liep stond zij alleen met een gewapende wacht op de gang. Ze bedacht zich geen moment, gaf de man een dreun en griste de handgranaat van zijn gordel. De wacht viel bewusteloos neer. Even wachtte ze om te zien of iemand te hulp kwam. Toen na een minuut niemand zich meldde, wilde ze de handgranaat gooien maar zag tot haar verbazing dat het een rookgranaat was. Des te beter, dacht ze. Ze trok aan de pin en gooide het ding vlak bij de deur waar Alex zojuist door naar binnen was gegaan. Op het moment dat de rook zich verspreide in de gangen de wachters met getrokken geweren van buiten aan kwamen rennen om te kijken wat er binnen loos was, rende Shauna richting het laboratorium deur. Trok deze met een noodgang open waarop ze wist dat de rook zich ook in het lokaal zou verspreiden. Met een duidelijk geschrokken gezicht keek Alex naar Shauna.

‘Wat is er, wat gebeurt er?’ schreeuwde Alex. De paniek sloeg duidelijk toe. Shauna had nooit gedacht dat de twee meter hoge man voor haar zo eenvoudig van zijn apropos gebracht kon worden. Door zenuwachtig te reageren werd het effect versterkt.

‘Wacht………. de……. wacht……. is…is…neergeslagen, vuur…rook,’ spuide Shauna als in een perfect geregisseerd toneelstuk. Alexander bedacht zich geen moment de ernst van de situatie te onderzoeken. Hij trok met een enorme arm de man in de witte laboratoriumjas naar zich toe en met de andere wilde hij Shauna pakken. Net op dat moment zag ze drie enveloppen liggen.

‘Ga maar voor,’ riep ze tegen hem haar arm loswrikkend.

‘Ik red me wel, ik loop vlak achter je.’ De rookbom had zijn werk goed gedaan, overal in het lokaal en in de gang hing een dikke onzichtbare waas. In een flits pakte ze de, zoals ze gehoopt had, door Alex vergeten enveloppen en stak ze onder de brede riem van haar jurk. Nu kwam het aan op echt toneelspel, wilde ze hier levend vandaan komen. Het zou slechts minuten duren eer de rest van de wachters binnen zouden komen stormen en Alex erachter kwam dat hij besodemieterd was. Hij zou er snel achter komen dat het om een enkele rookbom ging en er van vuur helemaal geen sprake was.

 

  1. Ontsnapping

 

Ondertussen hield Shauna Alex goed in de gaten. Haar enigste kans was de BMW buiten het gebouw. Ze moest Alex onschadelijk maken en de auto stelen.

Met een paar grote passen was Alex, met de man in de witte jas aan de arm, bij de plek waar de bewusteloze wacht lag. Hij schopte tegen de man om te kijken of die zou reageren. Toen dit niet het geval was zocht hij door de dikke rook de uitgang. Hij draaide zich nog even rond om te kijken waar Shauna bleef. Op dat moment voelde hij een knal op zijn kaak en viel bewusteloos neer met de man in de witte jas onder zich. Nadat ze de mitrailleur, waarmee ze Alex neer gemept had, weggooide nam ze heel even de tijd om de inhoud van een van de enveloppen te checken. Stel je voor dat het de verkeerde inhoud was, dat zou eeuwig zonde zijn. Ze keek naar een smoezelig briefje waarin in het Russisch een formule op geschreven was.

Shauna herkende gelijk de formule als die van een lens. Het stelde niet veel voor, maar dit was waar ze haar leven voor op het spel zette. Op exact hetzelfde moment dat ze de envelop weer sloot, stormden er drie buitenwachters met getrokken geweren naar binnen. Verblind door de rook zagen ze de bewusteloze mannen niet liggen. Shauna zag haar kans schoon.

‘Achter in het lab,’ riep ze de mannen in haar beste Russisch toe.

‘Daar achterin daar zitten ze, daar zijn ze ook binnen gekomen, schiet op snel.’ En terwijl de mannen niet twijfelden aan haar woorden, renden ze schreeuwend richting het lab. Shauna keek naar de verbaasd kijkende en zwijgende Italiaan in de witte jas. Ze lachte naar hem en sprak hem toe in een miserabel Italiaans met Schots accent.

Siete libero di andare, in modo da funzionato per il vostro in tensione.’ De man keek naar haar, nog een keer naar de bewusteloze Alex en zette het vervolgens op een rennen. Hij had de boodschap begrepen, gebrekkig Italiaans of


het zout water project

Posted on 5/11/2013 at 09:58 - 0 Comments - Post Comment - Link

                                                                       

 

 

 

 

 

 

 

ZOUT WATER PROJECT

 

Volg hier wederom een zenuwslopend avontuur waarin Leon MacGregor en zijn MI-6 vriend Daniël Rowland opnieuw tot het uiterste worden gedreven om alle puzzels op te lossen en hun vrienden te hulp schiet. Al lijkt niet iedereen wie hij is.

 

 

 

 

 

 

 

Eerder verschenen van dezelfde auteur:

 

Een Fluitje van een cent. (Jeugdboek 10 – 15jr)

ISBN: 978-90-8834-494-7

 

De Röntgenbril. (Thriller 12-80jr)

ISBN: 978-90-8834-981-2

 

X-Ray Glasses  (Thriller 12-80 yrs)

(Translated from De Röntgenbril)

E-Mail

Paperback 152 blz.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit verhaal is geheel fictief, elke overeenkomst met bestaande personen en/of organisaties berust geheel op toeval. Plaatsnamen en straatnamen bestaan echt.

 

Met dank aan iedereen die mij op ideeën bracht,

Speciale dank aan mijn gezin voor hun geduld.


ZOUT WATER PROJECT

 

Zo’n anderhalf jaar geleden vond Leon MacGregor aanwijzingen voor een röntgenbril. Na een hachelijk avontuur dat hem door half Europa sleepte, eindigde het hele verhaal in een teleurstelling voor wat betreft de bril. Maar hij had daarbij wel de liefde van zijn leven gevonden en ook nog eens een goed contact bij MI-6 overgehouden in de persoon van DI Daniël Rowland.

 

Nadat hij Lindsey ten huwelijk heeft gevraagd volgt er onherroepelijk een vrijgezellenfeest. De avond verloopt chaotisch en als hij dan ook de volgende ochtend wakker wordt met een barstende koppijn blijkt zijn vriend Peter Logan op het politiebureau vast te zitten op verdenking van moord en is Dennis Campbell spoorloos.

 

Interpol-agent Sunderland onderzoekt de moordzaak op zijn geheel eigen niet onomstreden manier. Het stond voor hem al snel vast dat de verdachte de dader was.

 

Nadat Leon voor de tweede keer lastig gevallen wordt voor een vragenvuur het wordt allemaal nog vreemder als zijn aanstaande bruid Lindsey ook nog eens spoorloos verdwijnt. Tijd om zijn MI-6 contact te gebruiken en zijn vrienden te evalueren na het vinden van bloed in het appartement van een van hen.

 

 

 
Inhoud

 

                                

  • Vrijgezellenavond in Edinburgh         7
  • Leon                                                   15
  • Peter en Helen                                     24
  • Dennis verdwenen                             28
  • Silvester Murphy                                32
  • Inbraak                                                          36
  • Bedrijfsongeluk                                  39
  • Vrijdag de 13de                                               43
  • Zout Water Aandelen                         51
  • Daniël Rowland                                 55
  • Tegenslag                                           62
  • Wraak                                                66
  • Even een vlekje wegwerken               72
  • Zout water project                               83
  • De Alias zaak                                     88
  • Jane Doe                                             93
  • John Doe                                            106
  • Bewijs                                                113
  • Opheldering                                       122
  • Met zijn allen naar Amazonia             129
  • Stuivertje wisselen                              137
  • Verassende wending                          144
  • Rechtzetten                                        150
  • Francisca                                            154
  • Huwelijksperikelen en een staartje     158

 

 

 

 

 


Vrijgezellenavond in Edinburgh.

 

19 Juli 2011. Leon McGregor had zijn moeder nog geen twee maand geleden begraven toen Lindsey hem vroeg of, nu hij alleen op de wereld was, het een slim idee zou zijn te gaan samenwonen. Ze werden er tenslotte niet jonger op en misschien konden ze nog aan kinderen gaan denken. Leon begreep de hint. Lindsey zou, ouderwets als ze was, nooit samen gaan wonen zonder getrouwd te zijn. Daarom had hij haar op ludieke wijze te midden van wild vreemden, tijdens een flashmob afgekeken van de YouTube hit” best wedding proposal ever, mobbed”, voor het blok gezet en ten huwelijk gevraagd. Mede dankzij het feit dat ze niet anders kon en wilde, de hele groep mensen keek haar aan en de ring precies was wat ze ervan had verwacht, was het spontane antwoord “ja”. De weken daarna werd er een locatie gezocht en zocht Lindsey een bruidsjurk en bruidsmeisjes jurken uit, werd er een lijst met welkome cadeaus opgesteld, de muziek uitgezocht en een bakker benadert die de gewenste bruiloftstaart met vier verdiepingen kon maken.

De datum werd vastgesteld op de enige vrijdag in het komende jaar waarop bij het uitgezochte hotel nog een zaal beschikbaar was.

 

12 December 2011. George en Kelly Farnsworth hebben het genoegen U te mogen uitnodigen bij het aanstaande huwelijk van hun dochter Lindsey met Leon MacGregor, stond er te lezen op de smetteloos witte kaart in een even zo smetteloos witte envelop.

    “Wanneer en waar vindt dit evenement van het jaar, plaats?” was de sarcastische vraag van Peter Logan, daarbij zijn vrouw Helen over de bril aankijkend. Helen was net bezig hun zoon Dennis te verschonen om vervolgens de uitnodiging nog eens door te lezen.

    “Op vrijdag de 13e januari in Princes Street Suites, en voor dat je begint met doemdenken dat is geen rampdag”, waarschuwde Helen die haar man langer dan vandaag kende. Peter kneep zijn ogen half dicht tot pretformaat.

    “Geloof mij nou maar daar komt gedonder van,” en trok daarbij een gezicht waarmee hij meer zichzelf dan zijn vrouw probeerde te overtuigen.

    “Ik zal wel mijn draaiboek afstoffen voor de vrijgezellenavond”, zei Peter, met een zelfverzekerde glimlach.

    “Als het maar fatsoenlijk blijft”, reageerde Helen, “ hij heeft al genoeg meegemaakt de laatste tijd.”

Dat was waar, Leon had bijna half Europa doorgereisd vanwege een röntgenbril, die volgens Leon achteraf niet bleek te werken en hem zijn baan bij de plaatselijke drukkerij kostte.[1]

    “Ik zal kijken of ik een snipperdag kan krijgen en al vast een oppas kan regelen”, zei Helen.

    “Denk je dat ik de dag na de vrijgezellenavond ook vrij moet vragen?” vroeg Peter met pretogen alsof hij alvast voorpret had. Peter had een eigen zaak in computers maar mede door de wereldwijde financiële crises was hij nu tevens deeltijd ICT specialist geworden bij de plaatselijke krant. Helen, die dit soort sarcasme wel gewend was, wist dat tussen nu en de bewuste avond hij die pretogen niet weer kwijt zou raken en deed er het zwijgen toe.

 

6 Januari 2012 vrijgezellenavond. Peter Logan was weer ouderwets op dreef. De groep was compleet, James Logan was er, Andrew Sheep, Dennis Campbell, James Steward en natuurlijk feestvarken Leon MacGregor. Daniël Rowland was ook uitgenodigd maar kon niet vanwege dringende MI-6 zaken.

De groep van 6 verzamelde zich op Semple Street 17a het voormalig ouderlijk huis van Leon.

    “Als eerste gaan we een hapje eten bij Imans op Gilmore place, het beste curry restaurant in heel Edinburgh.” nam Peter het initiatief.

    “Dat is toch aan West End?” vroeg Dennis. Peter knikte bevestigend terwijl ze allemaal in het voorgereden taxi busje stapten. De Indische chauffeur herhaalde, in gebrekkig Engels met een overduidelijk hindoe accent en bijbehorend schuddend hoofd, de eindbestemming. Leon wist zeker dat dit niet het door hen gevraagde restaurant was, maar bedacht dat Peter de zaak wel onder controle had en zei er maar niets van. Per slot van rekening was het Peter die alles georganiseerd had. Duidelijk was dat Peter en zijn broer James zich thuis al enigszins weten in te drinken. Dan kwam de whisky, die traditioneel op een vrijgezellenavond rijkelijk vloeide, niet op een lege bodem te vallen. De taxi stopte en de bende van 6 stapte uit. Ze waren in West End dat stond vast, alleen niet bij het gewenste restaurant. Toen Peter de taxichauffeur wilde aanspreken en zich omdraaide, sjeesde het taxi busje rakelings langs hem heen. Peter Logan viel bijna en zwaaide met zijn armen wild in het rond, daarbij Dennis Campbell vol op de neus rakend. Die meteen begon te bloeden als een aangeschoten rund.

    “Dank je wel Peter,” merkte hij sarcastisch op, wetende dat Peter dit ook niet opzettelijk deed. Leon keek eens om zich heen en las de naam op het dichtstbijzijnde straatnaambordje. Chester Street.

    “Dan weet ik waar we zijn,” lispelde Andrew.

    “We lopen naar Palmerstone Place, dan via Torphinchen Street richting Gardener’s Cresent en dan zo naar Gilmore Place, een slordige 17 minuten lopen.” De andere vijf keken hem verbaasd aan om zoveel nutteloze informatie in dat briljante stel hersenen.

    “Denk je dat je dat overleefd Dennis?” bralde Peter. Die lachte als een boer met kiespijn om deze flauwe opmerking. Nou de stemming zit er gelijk goed in, dacht Leon. Dennis pakte een zakdoek uit zijn revers en stelpte daarmee zijn bloedneus zo goed en zo kwaad als dat kon. Het bonte gezelschap liep vervolgens stilzwijgend in het schemerdonker richting een curry restaurant. James en Peter Logan tolden op hun benen als gevolg van in drinken, Andrew keek op de straatnaambordjes, Leon McGregor en James Steward hielpen Dennis Campbell met het stelpen van zijn  bloedneus en  het enigszins wegvegen van de bloedvlekken op zijn colbert en das.

De ober die de deur open deed bij restaurant Imans keek een beetje vreemd toen Peter zei dat ze een tafel voor zes gereserveerd hadden. De man keek deftig in het reserveringenboek, vroeg de opnieuw de naam en keek nogmaals de lijst in. Keek naar het bebloede colbert van Dennis. Schudde zijn hoofd en antwoorde:

    “Sorry meneer, er staat geen reservering op de naam Logan.” Peter die van de wandeling en de schrik weer enigszins nuchter geworden was, reageerde furieus.

    “Hoezo, niet gereserveerd? Wat is dit voor een kloten restaurant? Kunnen jullie niet eens een telefonische reservering opnemen?” Als of door een mierenhoop vol bijtende mieren geraakt keken alle gasten op van hun tafels waar dat kabaal wel niet weg kwam.

    “Rustig maar Peter,” probeerde Andrew hem te kalmeren.

    “Rustig………rustig?  Nee nou wordt ie mooi, ik moet rustig blijven? Ach laat ook maar zitten, wie wil er nu eten in zo’n shit restaurant. Kom we gaan naar een fatsoenlijk restaurant waar ze klanten, betalende klanten, nog op hun waarde weten te schatten.” Hij draaide zich om zonder zich te bekommeren om de rest van het verbaasd kijkende gezelschap dat een vrijgezellenavond had te vieren. Zo hadden ze Peter nog niet vaak gezien. Met uitzondering van zijn broer James, die dan ook adviseerde om hem gewoon te laten uitrazen, het zou vanzelf wel overgaan. Een stilzwijgen volgde.

 

Nadat ze in een fastfood restaurant tenslotte een hapje eten hadden verorberd, liepen ze achter de inmiddels iets gekalmeerde Peter aan richting de vele kroegen die het centrum van Edinburgh rijk was. Ze belanden dan ook in enkele barretjes. Het was druk zoals gewoonlijk in en rond het weekend. Taxi’s kwamen en gingen in rap tempo door het centrum. Overal liepen groepjes dronken jongeren en natuurlijk daar uit voortvloeiend een heel leger politie en ambulancepersoneel. Het viel Leon op dat ondanks het late tijdstip van 02.50 uur, er veel jonge meiden dronken over straat liepen. Het was dan ook niet zo verwonderlijk dat een paar meiden naar de groep vrijgezellen liep en hen aansprak.

   “Wie van jullie lekkertjes wil ff snoggen[2] met mijn vriendin?” zei het hoog blonde grietje daarbij wijzend op een haar zwartharige strak opgemaakte meisje naast haar. Leon keek naar het zwartharige ding die deed alsof de beslissing al genomen was en met toegespitste lippen om hem af kwam. Hij moest toegeven dat het een leuk grietje was om te zien, ze droeg een strak goed gevuld topje, een erg kort rokje en pumps. Ze wachtte zijn reactie niet af en gaf hem een smakkerd op zijn lippen. De rest begon te joelen van de pret. Het hoogblonde meisje volgde het voorbeeld van haar vriendin en kuste, nee tongzoende James Steward. Die haar, hoewel niet vies van zo’n lekker blond ding, wegduwde omdat hij schatte dat ze nog geen zestien was.

    “Wil je me niet?” vroeg ze. De rest van haar groep begon te lachen.

    “Jawel hoor, kom maar terug als je achttien bent dan doen we het gelijk hier op de grond,” bespotte hij haar. De groep meiden liep met veel kabaal door opzoek naar andere slachtoffers.

    “Zag er wel lekker uit maar een beetje te jong voor ons. Kom we gaan hier naar binnen,” zei James daarbij wijzend op een deur met daar op de naam Under the Stairs.

    “Het lijkt wel of we met Harry Potter op Diagon Alley lopen,” merkte James Logan op. Ze moesten daar alle zes hartelijk om lachen en liepen in een opperbeste stemming de trap af naar de kroeg. Het bleek een cocktail bar. Leon bestelde voor iedereen een tweede drankje.

    “Doe maar een Purple Rain, een Electric Banana, een Army John, een Woody Woodpecker, een Gates of Hell en doe mij maar een Devils Kiss,” riep Leon. De barkeeper maakte de bestelling klaar en zette de glazen op de bar. Net toen Leon de drankjes uit wilde delen kreeg hij een duw in de rug van een enorme grote man, type rugbyspeler. De eerste twee glazen vielen op de grond en spatten daarbij op de broek van Leon om een grote vlek achter te laten. Het leek of de man het niet expres deed en Leon was dan ook niet van plan er iets van te zeggen. Maar Peter, nota bene de kleinste uit het gezelschap, kon zijn grote mond niet dicht houden. De rest probeerde hem tevergeefs tegen te houden.

     “Kun je niet uit kijken, eikel.”

De enorme man draaide zich om en keek agressief naar beneden. Het lengte verschil was indrukwekkend genoeg om ieder weldenkend mens tot inkeer te doen komen, zo niet Peter.

     “Bied mijn beste vriend hier onmiddellijk je excuses aan,” sommeerde hij. James stond klaar om de klap op te vangen voor zijn broer. De rest durfde niet te kijken. De man stroopte zijn mouwen op kraakte zijn knokkels \en…………………draaide naar Leon en bood zijn excuses aan. De anderen waren perplex. Ze hadden verwacht Peter in stukjes naar het ziekenhuis te moeten dragen. De man fluisterde bij de deur nog iets in het oor van de barkeeper, keek nog eenmaal naar Leon en verdween richting de uitgang. De barkeeper kwam onmiddellijk met twee nieuwe cocktails.

    “Met de complimenten van de baas.”

    “Wie is die baas dan wel niet?” vroeg Peter op agressieve toon. De barkeeper keek hem aan met een vreemde blik.

    “Hij loopt net de deur uit,” was de korte reactie en wees naar de grote man. Peter bedacht zich geen moment en liep naar de man toe, waarop Leon nog net zag hoe de twee met elkaar spraken. Leon kon zich er niet druk om maken. De cocktails bleven komen. Leon raakte de tel kwijt. Hij raakte in gesprek met Francisca een aardige roodharige Portugese vrouw die op haar vriend wachtte. Hij werkte in het buitenland voor het ministerie van Energie. Hij zou vandaag na vier maanden weer terug komen en ze zouden nog diezelfde maand gaan trouwen in Gretna Green. Leon vertelde dat hij ook trouwplannen had. Terwijl ze elkaar over hun trouwplannen vertelden zocht Leon met een oog naar waar zijn vrienden gebleven waren. Schijnbaar was hij niet de enige want hij zag ook dat James rond keek.

    “Zeg heb jij mijn broer nog ergens gezien?” vroeg James.

    “Nou je het zeg ik heb hem na dat gesprek met de baas van deze tent niet meer gezien. Maak je maar niet ongerust Peter is net een kat die komt ook altijd op zijn pootjes terecht. Misschien is hij alvast naar huis gegaan om zijn roes uit te slapen.”

     “Ja, weet je wat ik zal hem wel even bellen, voor de zekerheid.”

    “Zou ik niet doen als ik jou was, dan bel je Helen of nog erger Dennis uit zijn slaap.” James vond dat een verstandige opmerking en beruste er in. Beiden keken nog maar eens rond in de inmiddels drukke bar. Andrew Sheep stond achter in te kletsen met een oudere dame, James Steward hing schijnbaar continu boven de wc, gezien het aantal keren dat hij in en uit het toilet rende, over te geven en Leon bedacht dat het voor hem ook beter was als hij naar huis ging. Hij deelde een taxi met James Logan en was blij dat hij in bed lag, alles draaide. Het werd een onrustige nacht.

 

Leon.

 

7 januari 13.00 uur Leon hing de hele nacht en ochtend met zijn hoofd boven de wc pot. Hij moest aan gisteravond denken, wat een chaotisch feest was dat geweest. Aan het einde van de avond was hij iedereen met uitzondering van James Logan kwijt geraakt. Hij nam aan dat ze allemaal heelhuids thuis gekomen waren maar gezien de staat waarin hij zelf verkeerde deed het ergste vrezen. Even, heel even had hij de neiging zijn vrienden te controleren. Zijn braakneiging brachten hem op andere gedachten. Hij moest maar weer eens gaan liggen.

De rust werd, na vijf minuten, wreed verstoord door het indringende kabaal van de aanhoudende deurbel en gebonk op de deur.

    “Godverdo…….., wie kan dat nu weer zijn. Waarschijnlijk een van de bende van 5 met wie hij zijn vrijgezellenavond had gevierd en wie nu het klaarblijkelijk een goed idee vond om bij hem de rust te komen verstoren.

    “Ja, ja rustig maar ik kom al,” zei hij meer tegen zichzelf dan tegen die idioot aan de andere kant van de deur wie blijkbaar geen rekening hield met zijn status quo.

    “Peter ben jij dat?” riep hij terwijl hij de deur met tegenzin op een kier open deed.

    "Bestelling voor ene Leon MacGregor. “

Leon keek schaapachtig in het gezicht van de pizza bezorgster van Pizza Hut. Die ging onverstoorbaar door met de taak die haar opgedragen was en stak de welriekende pizza doos bijna in het gezicht van Leon die op zijn beurt weer braakneigingen kreeg.

    “Hey, wacht eens ik ken u,” kirde de vrolijke bezorgster. Leon die op dat moment wel wat anders aan zijn hoofd had dan kijken en nadenken waar hij het meisje van kende, wilde het liefst de deur weer dicht slaan. Hij had geen pizza besteld laat staan dat hij nu in staat was zo’n ding te verorberen. Dit verhinderde het vrolijke kind niet door te gaan en hem per se wilde laten weten waar ze elkaar van kenden.

    “Weet u het niet meer? U was gisterenavond met uw vrienden in het centrum. U had dacht ik iets te vieren of althans zo leek het. Mijn vriendin probeerde mij met u te laten snoggen.”

Leon keek nog eens op en herinnerde het zwartharige meisje. Dit keer zonder make-up en zonder hooggehakte pumps.

    “Oh ja, nu zie ik het. Leuk je weer te zien. Wat ik nog even wilde zeggen is dat ik geen pizza besteld heb" reageerde hij sloom.

    “Ik kan hem niet weer mee terug nemen dan is hij koud en kunnen ze hem in ieder geval weggooien. Weet u wat u krijgt hem cadeau van mij als u mij alsnog dat kusje geeft,” was haar reactie. Leon probeerde vrolijk te kijken, maar het kostte hem te veel moeite en wilde niets liever dan de deur weer dicht slaan. Rust wilde hij, en zoals hij zich nu voelde graag een snelle dood hebben. Het meisje, dat zich voorstelde als Kelly, ging onverstoorbaar door en drong zelfs bij hem naar binnen.“ Weer u wat, ik herken een kater als geen ander. Ik zal eerst eens even een kopje thee voor u zetten.” Voor Leon er erg in had was ze al in de keuken. Hij had de puf niet om er tegen in te gaan en liet de situatie maar zoals hij was.

    “Doe in dat geval maar een kopje sterke koffie, de kopjes staan in het keukenkastje links boven en de oplos koffie en de suiker staan in de schuiflade onder,” kon hij nog net uitbrengen. Er klonk gerinkel van koffie kopjes en het borrelen van de warmwaterketel. Even later kwam het meisje de kamer in met twee dampende kopjes koffie en tot zijn verbazing een bordje met toast en boter. Ze zag zijn verbaasde blik en reageerde snel door te zeggen dat de toaster nog op het aanrechtblad stond.

    “Eet dit maar op,” zei ze op een bemoederende toon.

    “Dan hebt u tenminste iets in de maag,” ging ze onverstoorbaar verder.

    “Moet jij niet weer terug naar je werk?” vroeg hij haar.

Ze schudde nee en vertelde hem dat hij de laatste klant was. Leon keek op de klok en zag dat het inmiddels al weer twee uur ’s middags was. Daar zat hij dan met een kater die niets te wensen overliet tegenover een onbekend grietje dat onmogelijk ouder kon zijn dan een jaar of zestien. Het schoot hem door zijn hoofd dat hij nu een groot risico had genomen door haar binnen te laten. Of ze kon hem iets aandoen of ze kon hem valselijk beschuldigen van aanranding, ze waren alleen en dan was het zijn woord tegenover het hare. Dit alles schoot door zijn gepijnigde hersenen. Hij nam een slok koffie maar kon de toast niet naar binnen krijgen. Hij bekeek haar nog maar eens. Hij kwam tot de conclusie dat ze geen van de opties zou gebruiken tegen hem, ze zag er niet gevaarlijk uit. Onder dat strakke pizza hut pakje zag hij duidelijk haar grote boezem. Als ze iets ouder was geweest en hij nog niet verloofd was, zou het wel weten.

 Verloofd……….....….schoot het door zijn  hoofd. Shit hij had om vier uur met Lindsey af gesproken. Als door een wesp gestoken sprong hij op om vervolgens weer terug te vallen op de bank. Wat zou Lindsey er van vinden als ze wist dat hij in pyjama op de bank zat met een zestien jarige schoonheid die hij eigenlijk totaal niet kende?

Op dat moment ging de deurbel opnieuw. Ze moesten hem wel hebben vandaag. Wie kon dat nu weer zijn? Hij probeerde opnieuw op te staan van de bank om de deur open te doen. Kelly was hem een slag voor en liep parmantig de hal in om te kijken wie dat was.

Leon zag duidelijk haar slanke strakke figuur en zuchtte. Hij mocht dan wel verloofd zijn en een barstende koppijn hebben, hij was in elk geval niet blase voor zo’n mooi ding.

    “Is dit het huis van ene Leon MacGregor?” hoorde hij een man tegen haar praten.

    “Misschien, wie wil dat weten?” was haar brutale antwoord.

    “Sunderland, politie,” was de korte reactie. Hij kwam echter geen stap verder langs haar zonder dat hij zich geïdentificeerd had. Leon hoorde het gesprek eventjes aan zonder zich er mee te bemoeien. Politie? Wat was dat nou weer? Wat moest de politie hier nu weer doen? Was er misschien met een van zijn vrienden iets gebeurd? Of met Lindsey? Met drie stappen was hij ook bij de voordeur.

    “Ik ben Leon MacGregor,” stelde hij zich voor.

    “Sunderland, politie,” herhaalde de man in de deuropening. Even keken ze elkaar aan om vervolgens beide naar Kelly te kijken.

    “Mag ik misschien even binnen komen een paar vragen stellen?” vroeg de agent. Leon knikte. Hij haalde een pen en een notitie blokje tevoorschijn. Bladerde een aantal bladzijden om en deed even alsof hij een aantal regels las om vervolgens met de vragen te beginnen.

    “Klopt het dat u met een stel vrienden gisterenavond in het centrum was?” Leon knikte opnieuw bevestigend.

    “Is er iets ernstigs gebeurd met een van hen?” wilde hij weten. De agent keek hem recht in de ogen.

    “Weet u dan niet wat er gebeurd is zo rond zeven uur vannacht?”

    “Nee, ik ben rond half vijf samen met James Logan in een taxi gestapt en nadat hij als eerste uitstapte ben ik alleen hier heen gegaan. U kunt het de taxichauffeur navragen.”

    “Ja boeie………….dat als u die tenminste kunt vinden,” reageerde Kelly brutaal.

    “En u bent…………?” vroeg Sunderland.

    “Zijn vriendin,” lachte ze en wees daarbij Leon aan. Die keek even in haar richting. Het was wel een brutaaltje. Een pittig ding en voor de duvel en zijn moer niet bang.

    “Uw leeftijd?” vroeg de agent haar.

    “Normaal vraag je dame niet naar haar leeftijd maar voor u zal ik een uitzondering maken. Ik ben zestien jaar.”

    “En u vind dat een gezonde leeftijd voor uw vriendin om mee te scharrelen?” zei Sunderland daarbij Leon argwanend aankijkend.

    “Bovendien is hij geweldig met de seks,” ging ze door. Sunderland liet zich echter niet van zijn stuk afbrengen en bleef kijken naar Leon die met volle teugen begon te genieten van de manier waarop zijn vriendin weerwoord gaf aan de politieagent.

    “U beseft dat u een grove vergissing maakt als uw vriendin en u echt seks hebben, dit is wettelijk niet toegestaan als ze inderdaad zestien is.” Sunderland keek daarbij zo serieus naar Leon dat die zich haastte om te zeggen dat Kelly niet zijn vriendin was maar zijn nichtje die wel van een grapje hield. Sunderland keek nog maar eens naar haar en Leon en begreep dat de boodschap over gekomen was. Leon die nu eindelijk wel eens wilde weten waarom de agent hier was, deed nu verwoede pogingen het meisje de deur uit te krijgen.

    “Ga jij nu maar naar huis, oom en tante zullen wel ongerust zijn, en doe ze thuis de groeten van oom Leon” daarbij een wegwuivend gebaar makend richting Kelly. Na enig weerwoord wist hij er toch in te slagen haar de deur uit te krijgen. Ze wachtten even en Leon bood Sunderland een kopje koffie aan. Die nam een slok en ging verder.

    “Vertel eens,” zei Sunderland.

    “Wie waren er allemaal bij u gisteravond?”

Leon hoefde daar niet lang over na te denken en noemde James Logan, Andrew Sheep, Dennis Campbell, James Steward. Daniël Rowland was ook uitgenodigd maar die had op het laatste moment af moeten zeggen. Oh ja en natuurlijk Peter Logan. Sunderland noteerde alles.

    “Daniël Rowland? Bedoelt u DI Rowland van MI-6?” vroeg Sunderland verbaast.

    “Ja, kent u hem ook?” was de wedervraag van Leon.

    “Ik heb wel eens op het professionele vlak met hem van doen gehad” merkte Sunderland op.

    “Die Peter Logan, hoe was hij? Ik bedoel was hij chagrijnig? Of was hij juist vrolijk? Was hij agressief?”

Sunderland keek daarbij strak naar Leon, terwijl hij de klemtoon nadrukkelijk op de naam van Peter legde. Leon vermoedde dat hij dit expres deed om hem te peilen bij het noemen van de naam. Er was dus iets aan de hand met Peter. Dat was de reden waarom hij hier was.

    “Wat is er met Peter?” vroeg hij de agent recht op de man af.

    “Waarom zou er iets met hem zijn? Ik bedoel waarom denkt u dat van al uw vrienden juist iets met hem aan de hand zijn?”

Leon was niet in de stemming om grapjes te maken en eiste dat Sunderland verteld wat hij wist.

    “Oké, echter nog een vraag. Weet u waar Dennis Campbell zich bevind?” en keek daar heel serieus bij. Dennis? Hoe zo? Was die niet gewoon thuis dan? Of op de campus van St. Andrews universiteit? Hij gaf daar soms colleges over alternatieve energiebronnen. Nou hij er over nadacht toen hij rond had gekeken in de bar waar ze als laatste waren geweest, had hij iedereen gezien behalve Peter en Dennis. Hij had zich er niet druk om gemaakt en had toen geschat dat ze waarschijnlijk al naar huis toe waren. Dennis, zo wist hij, had de volgende dag een cricketwedstrijd. Euh nu dus, misschien was hij daar wel, al had hij geen idee waar die wedstrijd plaats vind. Maar waar Peter was, nee dat wist hij niet dat zou hij zijn vrouw Helen moeten vragen. Sunderland schreef het adres op en deed zijn notitieboekje dicht. Zonder de brandende vragen van Leon te beantwoorden deed hij zijn jas dicht en maakte aanstalten om te vertrekken. Leon was nu pas echt ongerust en bleef tot aan de deur vragen wat er met zijn vrienden aan de hand was. Sunderland draaide zich om en keek Leon nu recht in de ogen.

    “Peter Logan zit op het politiebureau in Earl Grey Street, voor de reden daarvan moet u daar maar zijn.”

Sunderland zei verder niets meer en liet een verbaasd kijkende Leon achter. Leon kende dit bureau maar al te goed van zijn hachelijke avontuur met de röntgenbril. Wat moest Peter op het bureau? Waarom? Wist Helen hiervan? Zijn hersens werkten op volle toeren en zijn maag begon zelfs weer enigszins normaal te reageren. Hij had wel zin in een stukje pizza. Terwijl hij een stuk afsneed en opwarmde in de magnetron, typte hij het nummer van Helen in, daarbij op de klok kijkend en constaterend dat het inmiddels al weer drie uur ’s middags was.

‘Hallo, 0541667889 hier…………….met wie spreek ik?’

    “Helen, Leon hier. Is Peter thuis?” Hij wist het antwoord op die vraag al, maar wilde even peilen in hoeverre Helen op de hoogte was.

    “Leon, jij durft zeg,” en ze hing gelijk op. Wat was dat nou dacht Leon. Waarom gooide ze gelijk de verbinding dicht? Wilde ze niet met hem praten? Wat had hij misdaan? Dit moest een vergissing zijn. Hij typte het nummer nog maar eens.

‘Hallo, 0541667889 hier…………….met wie spreek ik?

    “Helen, met Leon hier. Verbreek alstublieft de verbinding niet en vertel me tenminste wat ik fout heb gedaan.” Even was het stil aan de andere kant van de lijn. Hij hoorde Dennis huilen op de achtergrond.

    “Alsof jij dat niet weet. Jullie waren samen gisteravond.” Weer even was het stil alsof ze tussen het snikken door telkens op adem moest komen. Leon had nog steeds geen idee waar het over ging maar vermoedde dat het te maken had met het feit dat Peter op het bureau zat. Maar dat was toch geen reden om niet met hem te willen praten? Het was toch niet de eerste keer dat er iemand uit de vriendenkring op het bureau zat. Even een dronkenbui uitslapen en hupsakee je was weer vrij man.

    “Je hebt echt geen idee he?” reageerde Helen.

    “Waar heb je het in godsnaam over? Wat is er met Peter?” reageerde de nu paniekerig klinkende Leon. Hij begon nu in de gaten te krijgen dat er iets ergers aan de hand was dan even een dronkenbui uit slapen. Er schoot van alles door zijn hoofd. Hij was opslag weer nuchter.\

    “Peter zit vast op verdenking van moord,” snikte Helen. Van schrik liet Leon de telefoon vallen. Moord? Had hij dat goed verstaan? Hoe en wat volgden elkaar in rap tempo op. Zijn gedachten switchten van ongeloof naar ontkenning. Wat was er gebeurd gisteravond. Hij probeerde de film stap voor stap in zijn hersens af te spelen. Ze waren samen vertrokken vanuit zijn ouderlijk huis. Peter en James waren enigszins aangeschoten van indrinken. Daarna in het taxibusje naar dat curry restaurant op West End, vandaar richting enkele barretjes en tenslotte in dat cocktail barretje onder de trap. Nee, hij kon zich niets voor de geest halen wat er fout was gegaan. Of het moest die ruzie met de bar eigenaar en Peter zijn geweest. Maar dat stelde niks voor. Toch?

    “Helen, even een vraagje. Wie zou Peter vermoord hebben? Ik bedoel wie was er vermoord? Kennen we hem of haar? En zijn er getuigen? Heb je al een advocaat?” Allemaal vragen die hem te binnen schoten.

    “Een hij, het was een hij. Het lijk….” Even was het stil.

    “Het lijk was de vijfendertig jarige bareigenaar met de naam Silvester Murphy. Ze zeggen dat hij dood gevonden is op bed. Hoe moet het nu verder. Wat moet ik nu doen?” vroeg een snikkende Helen.

     En even heel even wist Leon ook niet meer wat te zeggen. Hij schrok van de magnetron die piepte dat de pizza warm was. Hij strooide gewoonte getrouw zout op het vlees van de pizza nam een hap en overdacht de hele ochtend. Moord……………. zo zout had hij het nog nooit gegeten.

 
Peter en Helen.

 

7 januari 11.00 uur. Peter Logan wreef zich nog maar eens over zijn pijnlijke polsen en enkels. Hij zat nu al twee uur vast zonder te weten wat hem ten laste werd gelegd en dan had hij het nog niet eens gehad over die knallende koppijn als gevolg van het vrijgezellenfeest van gisteravond. De celdeur ging open en er stapte een kleine man naar binnen met een snor en ringbaard. De kleding van de man deed Peter denken aan een kleinere versie van Basil Fawlty uit de komische tv-serie Fawlty Towers in de jaren ’70-tig’. Nog zonder dat de man zich had voorgesteld vroeg Peter hoe hij in godsnaam het ene moment een vrijgezellenfeest aan het vieren was en het andere moment opgesloten zat in een cel. Wat was er gebeurd? Waarom zat hij vast? En waarom mocht hij zijn vrouw niet bellen?

Agent Sunderland stelde zich alsnog voor en haalde een stapel papieren tevoorschijn.

    “U bent Peter Logan?” vroeg de agent. Zonder te wachten op een antwoord legde hij een foto voor de neus van Peter.

    “Kent u deze man?” vroeg hij op droge doch doordringende toon. Peter herkende de man als de eigenaar van de bar waar hij enigszins ruzie had gemaakt met de persoon in kwestie en knikte bevestigend.

    “Waarom vraagt u mij dat? Wat is er met hem? Heeft hij aangifte gedaan van onze ruzie gisteravond?”

De agent keek droog naar hem.

    “Deze man is dood.” Peter was perplex en besefte dat het niet zo slim was geweest de ruzie te noemen. Die had niks voorgesteld en was na excuses van de bareigenaar aan het adres van Leon voor het omgooien van twee drankjes en het vervangen daarvan op kosten van de zaak gelijk gestopt.

    “Moord zei u?”

De agent schudde zijn hoofd en ontkende dat hij het woordje moord genoemd had.

    “Waarom denkt u dat hij vermoord is? Ik had het over dood. Interessant dat u het woord moord noemt. Hebt u hem soms vermoord? Wij zouden graag precies weten hoe het slachtoffer in zo’n korte tijd overleden is. Weet u daar meer van? U bent tenslotte de laatste geweest die hem nog in leven heeft gezien. We vonden uw portemonnee bij het slachtoffer en u hebt naar ik aanneem geen verklaring waarom we u in een portiekje vlak bij de bar op de grond slapend aantroffen. U noemde een ruzie tussen u beide? Waar ging dat over?” Een spervuur aan vragen richting Peter volgde de volgende uren. Terwijl Peter voorzichtig keer op keer uitlegde dat hij gisteravond een vrijgezellenfeest had gevierd met enkele vrienden van hem. Een en ander ter ere van Leon MacGregor die over enkele dagen op vrijdag de 13de van plan was te gaan trouwen. Peter gaf het adres van Leon aan de daarom vragende agent.

    “Voor als nog bent u enige verdachte in deze moordzaak. Wat mij betreft hebben we de dader. De zaak lijkt simpel, de heer Murphy deed moeilijk tegenover uw vriend, u had een paar glazen teveel op en werd zo kwaad dat u een beetje te veel GHB in zijn drank heeft gedaan waarop de heer Murphy enkele uren later overleed.”

Hij wachtte even en ging toen verder.

    “Kortom u had motief en tijd genoeg om de moord te plegen. Er komt zo iemand van het openbaar ministerie om u officieel in staat van beschuldiging te stellen. U hebt grondrechtelijk, jammerlijk genoeg, recht op een telefoongesprek. U kunt de telefoon daar op de balie vanmiddag gebruiken.” Hij wachtte weer even, draaide zich om en liep weg.

 

Helen was wel wat gewent van haar man als het om feestvieren ging en was dus helemaal niet verrast dat hij die nacht niet thuis kwam. Ze schrok zich dan ook een ongeluk toen haar belde en het hele verhaal vertelde.

    “Moord? Peter wat heb je nou weer gedaan? Of is dit soms een grap om mij in de maling te nemen? Ik kan je gelijk vertellen dat ik er niet om kan lachen.” Al gauw had ze in de gaten, dat het serieus bedoeld was. Ze was in een shock toen ze de telefoon weglegde. Ze was kwaad op iedereen, natuurlijk op Peter en tenslotte op Leon zonder wie er überhaupt geen feest geweest was. Ze barste in snikken uit. Ze wist zich geen raad met de situatie.

Ze keek op de klok en zag nauwelijks dat het precies tien voor twee in de middag was. Op aanraden van haar zus, die ze gebeld had, ging ze niet gelijk naar het bureau maar ordende ze eerst haar gedachten. Alsof het de meest logische volgende stap was, zocht ze in de online telefoongids de naam van een advocaat.

 

Peter overdacht de hele vrijgezellenavond, hoe een en ander zich had ontwikkeld. Hoe hij gistermiddag nog seks onder de douche had gehad met Helen om zich daarna piekfijn aan te kleden. Hoe hij vervolgens zijn broer James opgehaald had van huis om zich daarna moed in te drinken voor de avond die zou volgen. Hij had zich er veel van voorgesteld. Eerst een hapje eten om daarna het centrum van Edinburgh op stelten te zetten. Hij had een taxibusje geregeld om de groep van zes op te komen halen bij het ouderlijk huis van Leon waar de groep zich verzameld had. Eigenlijk wilde hij naar een stripclub maar dat idee weer laten varen op aanraden van zijn vrouw. Vervolgens dwaalden zijn gedachten weer af naar gisteravond in die bar onder de trap. Als of hij film keek zag hij hoe James Steward om de vijf minuten naar de wc liep, hoe vervolgens een enorm grote vent met veel handgebaren aan het praten was en bij het weglopen twee drankjes uit de handen van Leon stootte. Omdat de man zich niet verontschuldigde liep Peter achter hem aan terwijl de rest hem probeerde tegen te houden.

     “Kun je niet uit kijken, eikel,” hoorde hij zichzelf in gedachten zeggen. De enorme man had zich omgedraaid en agressief naar beneden gekeken. Het lengte verschil tussen de man en zichzelf was indrukwekkend genoeg om ieder weldenkend mens tot inkeer te doen komen. Peter herinnerde zich dat dit verschil totaal geen indruk op hem had gemaakt. Hij herinnerde zich ook hoe hij de man om excuses had gevraagd en ook had gekregen. Hij had daarna de man iets in het oor van de barkeeper zien fluisteren, die na enige minuten met twee nieuwe drankjes was gekomen. Daarna werd de film in zijn hoofd onduidelijk. Het was hem onduidelijk of hij de man nog achterna gelopen was of niet. Hoe hij zijn hersens ook pijnigde hij wist niet meer dan dat hij zijn vrienden was kwijtgeraakt en hij elke bar had onderzocht om tot de conclusie te komen dat ze daar ook niet waren.

 

De celdeur ging open en de reeds aangekondigde persoon van het openbaar ministerie kwam binnen. Peter zou blij zijn als hij straks met Helen zou mogen bellen. Hij vroeg zich af waar de rest van zijn vrienden zouden zijn.

 

Dennis verdwenen.

 

7 januari 03.00 uur. Dennis Campbell baalde dat Peter Logan hem, weliswaar ongewild, een bloedneus had bezorgd. Hij had voor de gelegenheid speciaal een nieuwe stropdas gekocht, die hiermee direct de prullenbak in kon. Die bloedvlekken kreeg hij nooit meer uit de zuiver zijden das. Hij was toch al niet iemand die van uitgaan hield, maar had voor Leon een uitzondering gemaakt. Dit drukte de pret toch wel enigszins. Al helemaal toen ze dat curry restaurant niet inkwamen vanwege de bloedvlekken in zijn das en colbert. Hij liet zich door Leon meeslepen, om hem een plezier te doen, van bar naar bar. Net buiten de bar waren ze nog aan de praat gekomen met een stel jonge grietjes maar daar kon hij niet zoveel mee, ze leken te jong voor zijn smaak. Dennis twijfelde of hij naar huis zou gaan, hij viel erg op met die bloedvlekken. Iedereen keek hem aan alsof hij een moord gepleegd had. Hij keek nog maar eens op zijn dure Rolex horloge om vast te stellen dat het al weer 03.10 uur was. Normaal gesproken lag hij al hoog en breed in bed rond dit tijdstip. Zou hij gaan? Zou hij blijven? En nog steeds twijfelde hij toen een grote man Leon drank uit zijn hand gestoten had en Peter er als een gek mee bemoeide. Peter eiste excuses van de man. Dennis trok zich enigszins terug achter in de bar hij had het niet zo op vechten. Toen hij weer opkeek zag hij nog net hoe Peter achter de man aanliep naar buiten.

 

Vervolgens kreeg hij zijn tweede cocktail van Leon aangereikt. Omdat hij achter in de bar stond trof hij een roodharige fraai uitziende dame aan.

    “Pardon, wacht u soms op iemand?” vroeg Dennis haar.

    “U kijkt steeds op uw horloge en richting de deur.”

Even keek ze hem aan.

    “Ja ik wacht op mijn vriend. Hij werkt op het ministerie van Energie. Hij komt vandaag na vier maanden aan de kust gewerkt te hebben weer terug om onze trouwplannen te bespreken.” Ratelde ze aan een stuk door.

    “Francisca Da Silva,” stelde ze zich voor door haar hand richting Dennis uit te steken.

    “Dennis Campbell,” reageerde hij en gaf haar een hand.

    “Jij hoort bij die ruziemakers daar?” vroeg ze knikkend met haar hoofd richting Peter, daarbij haar ogen gericht houdend op de bloedvlekken in zijn colbert. Hij moest tot zijn schaamte bevestigen dat dat inderdaad zijn vrienden waren. Hij trachtte het gesprek een andere wending te geven.

    “Ministerie van Energie, zei je. Wat een toeval daar werk ik ook. Afdeling financiën van alternatieve energie.” Waarop Francisca enthousiast begon te praten over haar vriend.

Vreemd, Dennis was normaal niet zo’n prater met vrouwen, maar om de een of andere reden ging het met haar als vanzelf. Niet dat ze uren achtereen kletsten, het gesprek in zijn geheel duurde nog geen half uur. Toen hij terug kwam van een toiletbezoek was ze dan ook in gesprek met Leon. Dennis pakte zijn cocktail en dronk het in een teug leeg. Wat een bittere smaak had dat, nou ja het zou wel aan hemzelf liggen. Hij dronk normaal geen vreemde drankjes. Het werd tijd dat hij naar huis ging hij zag alles draaien. Nadat hij James Steward had verteld dat hij weg ging, nam hij een taxi. Hij zou morgen wel bellen met Leon om te vragen hoe het de rest bevallen was.

 

03.30 uur Dennis opende zijn ogen en zag zichzelf in de taxi zitten met naast hem een bestuurder die hij niet kende. Hij voelde dat hij vastgebonden was maar met lichte moeite wel los zou kunnen komen. Er kon logisch redenerend maar een conclusie zijn, hij hallucineerde. Toch voelde het allemaal erg realistisch aan. Zijn polsen deden zeer. Toen de auto op een rotonde kwam en even stilstond wrikte hij zich vrij, sprong uit de auto en rende weg. Terwijl hij zich aan het oriënteren was zag hij die aardige dame uit de bar en liep richting haar auto. Hij herinnerde zich dat ze Francisca heette. Haar achternaam was hij vergeten. Alsof zij wist dat hij op de vlucht was, sprongen ze samen net op tijd in haar auto. De auto waar hij uitgesprongen was, stoof vlak langs hun heen.

    "Wie is die gek?” vroeg ze hem terwijl ze het gaspedaal in trapte. Maar hij had ook geen flauw idee. Hoewel Dennis aardig bekend was in Edinburgh had hij geen flauwe notie waar ze nu waren. Zij daarin tegen scheen precies te weten waar ze heen moest rijden om die andere auto te ontwijken. De ene rotonde na de andere volgde. Tot ze op een langgerekte smalle weg reden, schijnbaar zonder afslagen. Deze weg kwam Dennis totaal onbekend voor. Hij zag allemaal hoge smalle bomen langs de zijkant staan, maar kon geen enkel huis of ander gebouw ontdekken. Francisca keek hem niet aan maar concentreerde zich volledig op het rijden. De taxi met daarin de onbekende chauffeur volgde hen nog steeds en joeg hun snelheid op tot ver boven de 100 mijl per uur. Tot op een gegeven moment Dennis omkeek en de taxi niet meer zag. Desondanks bleef Francisca de hoge snelheid aanhouden. Stilzwijgend stoven ze over dit merkwaardige weggetje. Het leken wel uren, maar waarschijnlijk was het veel korter, reden ze door over deze weg. Dennis bleef het eigenaardig vinden dat hij nergens een zijweg had gezien. Alleen maar die vreemde weg met aan de zijkant dezelfde bomen. En hoe hij zijn hersens ook pijnigde hij kon zich niet voor de geest halen dat er ergens in Schotland een dergelijk soort weg te vinden was.

    “Waarom volgde die taxi jou?” vroeg ze hem na een lang stilzwijgen. Hij kon geen antwoord geven op die vraag.

    “Waar gaan we naar toe?” vroeg hij op zijn beurt.

    “Naar mijn huis, daar ben je veilig.” Was het korte antwoord. Ze had het nog niet gezegd of haar auto draaide door een hek en de verharde weg was veranderd in een zandweg. Na enkele honderden meters zag hij een huis met een rieten dak staan. Ze stopte.

Hij zag geen enkel ander huis en keek wantrouwend rond. Maar haar stem voelde vertrouwd en rustgevend. Eenmaal binnen nam hij dankbaar de dampende kop koffie aan.

    ‘Woon je hier al lang?” wilde hij weten. Ze knikte bevestigend. Hij bleef argwanend door het raam naar buiten kijken of hij die taxi ook ergens zag. De koffie had een bittere smaak net als die laatste cocktail eerder die avond.

    “Stil maar,” zei ze “het komt allemaal wel goed. Wacht maar tot mijn vriend zo komt.” Terwijl hij zich steeds slaperiger voelde, hoorde hij een auto naderen maar was niet in staat om te zien wie of wat het was.

    “Kijk daar zal je mijn vriend hebben,” kirde de vrouw. Terwijl de deur open ging en Dennis de man herkende als de taxi chauffeur, hoorde hij haar spinnen als een poes.

    “Kijk eens wie we op visite hebben schat.” zei ze tegen de man. Nog net kon Dennis de man zien glunderen om vervolgens in een diepe slaap te vallen.

 

 

Silvester Murphy.

 

HH   10 Januari 2012. De Ierse patholoog O’Cluanaigh leidde het onderzoek naar de doodsoorzaak van Silvester Murphy. De Ier stond bekend om zijn grondige werk. Er was geen moordzaak geweest waarbij hij niet ontdekt had hoe de moordenaar te werk was gegaan. Maar dit keer stond ook hij voor een raadsel. Hij constateerde dat het slachtoffer koorts, rillingen en braakneigingen gevolgd door spierverkrampingen en tenslotte verlammingsverschijnselen moet hebben gehad, gezien de staat van de organen. Erg genoeg om dood aan te gaan, maar daarmee nog niet bewezen hoe deze arme man vermoord was.  Niets wees op een moordwapen. Even had hij gedacht aan een nieuw soort partydrug maar bewijs daarvoor was er niet. En toch gaven de bloedwaarden aan dat er gif in zat. Hij kon er de vinger niet op leggen wat voor soort gif dit was. Dus met enige tegenzin stuurde hij een bloedmonster op naar het lab.

 

7 Januari 03.30 uur. Silvester Murphy was twee meter groot en woog 110 kilogram. Een echt rugbytype en als bareigenaar een tevreden man. De zaak liep goed en in het weekend zat het er altijd vol. Hij zag zes rumoerige mannen zijn bar binnen komen en cocktails bestellen. Veel aandacht kon hij er niet aan schenken hij had zijn volledige aandacht nodig bij de investering die hij met zijn business partners op het punt stond te maken. Een deal waarmee hij stinkend rijk kon worden. Hij was een man die praatte met zijn handen, dat wil zeggen hij maakte altijd veel armgebaren als hij een belangrijk gesprek voerde. En belangrijk was het dit keer, er was veel geld mee gemoeid. Maar hij kon nog niet tevreden zijn, hij had de zaak nog niet naar alle tevredenheid afgehandeld. Hij moest wel oppassen er waren veel meer kapers op de kust. De business partners waren niet te spreken over hun winstaandeel. Silvester liet de vrouw weten dat hij geenszins van plan was hun aandeel op te hogen. Hij liep nog even naar het toilet en beëindigde daarmee het gesprek.

Bij het weglopen stootte hij per ongelijk een van de klanten twee glazen uit de hand. Niet dat hij dat in de gaten had, hij merkte het nauwelijks met zijn imposante figuur. Hij liep dan ook gewoon door richting de deur. Toen hij bijna bij de deur was, hoorde hij een van de groep van zes iets tegen hem schreeuwen.

     “Kun je niet uit kijken, eikel.”

Hij draaide zich om en moest naar beneden kijken om te zien wie hem zo durfde aan te spreken in zijn eigen bar.

     “Bied mijn beste vriend hier onmiddellijk je excuses aan,” sommeerde de koppen kleinere man hem. Hij moest er haast om lachen. Aangezien Silvester geen trammelant wilde in de bar, keek hij van de kleine druktemaker voor hem naar de man wiens glas hij had omgestoten en besloot gewoon zijn excuses aan te bieden. Terwijl hij weer richting de uitgang liep gaf hij de barkeeper nog opdracht twee nieuwe cocktails in te schenken op kosten van de zaak. Met de deurkruk in de hand kwam de kleine druktemaker nogmaals naar hem toe en bedankte voor de excuses en de drankjes op kosten van de zaak. De man gaf toe een beetje aangeschoten te zijn, ze waren een vrijgezellenavond aan het vieren. Silvester knikte begrijpend en zei dat hij het snapte en wenste de zes mannen veel plezier verder. Hij zag dat de kleine man braakneigingen had en trok hem mee naar buiten voordat hij stond over te geven midden in de deuropening. Even leek het alsof hij zelf ook moest overgeven hij voelde zich plots niet in orde. Toen hij weer opkeek zag hij dat de kleine man iets verder op een andere bar ingelopen was. Hij voelde zich echt beroerd en besloot dat het beter was thuis in bed te gaan liggen. Bij het weglopen zag hij een portemonnee liggen, raapte die op en kwam tot de conclusie dat deze van de kleine druktemaker moest zijn en stak hem in zijn broekzak om hem later weer terug te geven.

 

11 Januari. Het bloedonderzoek in het lab was afgerond. Het bleek om spinnen gif te gaan. Afkomstig van de uiterst giftige twee-streep Telamonia. (Telamonia dimidita). Aangezien dat deze soort in koude, donkere en vochtige ruimtes leeft kwam patholoog O’Cluanaigh al gauw tot de conclusie dat de spin zich op het toilet moest bevinden. Niet de enige donkere plek in het huis van het slachtoffer, maar wel de enige plek waar het en donker en vochtig en koud was. Vraag bleef hoe de dader dit exemplaar had gevonden, immers het was een verboden soort. Bovendien moest de dader veel verstand hebben van spinnen. We zoeken dus iemand die arachnofiel is. Iemand dus die dol is op spinnen. Hoewel dat op zich niets bewees, technisch gezien kon je met dit gegeven niet bewijzen dat de verdachte ook daadwerkelijk de moord op zijn geweten had. Hij zou doodeenvoudig kunnen zeggen dat de spin per ongelijk ontsnapt was. De politie zou nooit het tegendeel kunnen bewijzen. Maar aan de andere kant was dat niet zijn probleem, dacht patholoog O’Cluanaigh. Ik hoef alleen maar te bewijzen hoe het slachtoffer vermoord is. Theoretisch gezien zit mijn taak er nu op. Hij bracht de politie bij monde van agent Sunderland nog diezelfde dag op de hoogte van zijn bevindingen. Alles behalve glunderend van tevredenheid over het vinden van het moordwapen constateerde agent Sunderland dat hij een probleem had voor wat betreft de reden waarmee hij de verdachte in staat van beschuldiging had gesteld. Daar stond nog steeds in dat het om GHB ging. Maar ach een kniesoor die op dat soort futiliteiten lette. Iedereen wist toch zeker dat de verdachte de dader was. Dat stond voor hem in elk geval vast. Nee, wat hem betreft hoefden ze niet verder te zoeken.

 

Inbraak.

 

12 December 2011. Zijn medewerkers op het ministerie trokken paniekerig aan zijn arm. Ingebroken? Dat bestond toch niet. Al gauw had Dennis de zaak onder controle. Het zou een groot schandaal zijn en uitgebreid in de media behandeld worden als dit publiekelijk zou worden gemaakt. Tenslotte waren er alleen maar een paar personeelsdossiers verdwenen. Maar als de paparazzi dit te weten kwam was ongetwijfeld het hek van de dam. Het leek Dennis Campbell als hoofd van de getroffen afdeling verstandig dit in de doofpot te stoppen. De dief of dieven konden toch niks beginnen met de meegenomen dossiers.

Dennis probeerde later de ochtend zijn gedachten ergens anders op te zetten en nam de dagelijkse post door.

Hij pakte de opvallend witte envelop, die opviel tussen de bruine saaie rest. Een trouwkaart? Gelijk besefte hij van wie die kwam.

George en Kelly Farnsworth hebben het genoegen U te mogen uitnodigen bij het aanstaande huwelijk van hun dochter Lindsey met Leon MacGregor, stond er te lezen op de smetteloos witte kaart. De trouwpartij zou plaats vinden op vrijdag 13 januari 2012 in Princes Street Suites. Dennis glimlachte en was blij dat zijn vrienden Leon en Lindsey eindelijk de laatste stap durfden te nemen. Hij zelf, ondanks zijn leeftijd van 33, was nog vrijgezel. Hij had de ware liefde nog niet gevonden. Hij was niet zo’n versierder en ging bovendien niet vaak stappen. Dennis hield zichzelf voor dat hij te druk was met zijn werk, zijn cricket en zijn hobby’s. Als hij al eens een dame mee nam naar zijn appartement schrok zij vaak van vele terrariums vol slangen en spinnen. Daarmee was de gezellige avond vaak over nog voor hij goed en wel begonnen was.

Een bruiloft. Dat was lang geleden sinds de vorige waar hij uitgenodigd was. Nu moest hij een nieuwe das en colbert kopen, en een cadeau natuurlijk. Ongetwijfeld werd er een vrijgezellenavond georganiseerd. Zou hem niks verbazen als die Peter Logan dat ging regelen. Dennis had het niet zo op Peter, het was een kleine druktemaker, altijd al geweest. Je hoefde dan ook geen helderziende te zijn om te voorspellen dat dit een chaotische avond zou worden.

Toen de vrijgezellenavond aangebroken was strikte Dennis de nieuwe zijden das in een dubbele windsorknoop en stak zijn arm in de mouw van zijn colbert. Gelukkig hoefde hij niet ver, ze zouden zich verzamelen bij het ouderlijk huis van Leon. Met zijn zessen waren ze. Eigenlijk zou er nog iemand komen maar die had op het laatste moment afgezegd. Hoewel het niet zijn vaste groep vrienden was kende hij iedereen vrij goed. James en Peter Logan waren er, Andrew Sheep, James Steward en uiteraard Leon MacGregor. Zoals verwacht mocht worden verliep de avond erg chaotisch. Het begon al toen Peter Logan hem een klap op zijn neus gaf. Weliswaar onbedoeld, maar toch. Terwijl ze naar een door Peter uitgezocht curry restaurant liepen, hielpen James Steward en Leon MacGregor hem met zijn bloedneus.

 

7 Januari 03.30 uur. Francisca Da Silva wist precies waar de groep zich bevond. Ze had ze de hele avond in de gaten gehouden. Speciaal Dennis Campbell. Ze stelde zich zodanig op dat hij haar niet mis kon lopen. Alsof de natuur haar een handje hielp maakte een van zijn vrienden ruzie in de bar, waardoor hij zich afzonderde en achterin bij haar ging staan. Vandaar was het niet moeilijk een gesprek met hem aan te knopen.

    “Pardon, wacht u soms op iemand?” vroeg hij haar. Dit was het moment waar ze op had gewacht. Ze stelde zich voor en gaf hem een hand. Ze kletste en kletste maar had inmiddels wel zijn huisadres losgepeuterd. Dit was cruciaal voor het verdere verloop van de avond. Nu moest ze Dennis nog uitschakelen en toen hij naar het toilet gin


Hosting door HQ ICT Systeembeheer