10/5/2006 - Rush of Blood (gebasseerd op gelijknamig nr Coldplay)
I am gonna buy this place and burn it down
I am gonna put it six feet underground
I am gonna buy this place and watch it fall
Stand here beside me baby in the crumbling walls
I’m gonna buy a gun and start a war
If you can tell me something worth fighting for
And I am gonna buy this place is what I said
Blame it all upon a rush of blood to the head
Als de takken ruisen en de zon weer schijnt… als hij al zo lang geleden is vertrokken zegt zij, eens onze huisbazin, met melancholie in haar stem: "Altijd als ik langs de stallen rijd die hij heeft geschilderd dan zwaai ik even. Naar hem, alsof hij er nog altijd is…"
Het is een bungalowachtig huis in het bos dat me met het ruizen van de takken nieuwe hoop influisterde vervlogen dromen weer terug te brengen. In vergelijking met de buurtvila’s wekt het even teleurstelling. Een trieste, bladerloze treurwilg overschaduwt de troosteloze oprit van vuil wit grind. Je moet het huisje erachter hebben. Vooraan woont onze huisbazin, een oude grijze vrouw met intrigerend wijze ogen. Een terrasje van scheef liggende tegels, omhoog geduwd door boomwortels en aangeslagen met verschillende mos- en algensoorten, leidt tussen oude bielzen naar de voordeur.
De voordeur brengt je in de hal waar zich de kamerdeur van de Franse Frederic bevindt -waardoor het er altijd naar een mengeling van marihuana en wierook geurt-, een tiolet, een deur naar de eetkeuken en de trap naar boven. Naast de deur hangt een brandblusser en de hal ruikt, naast naar frederics kamer, ook naar muffe boslucht die met geen geurverfrisser is te verjagen. De keuken ruikt naar ui en knoflook alsof de Spaanse Juanjo net nog heeft staan koken. Een afwas siert het aanzicht en de tafel ligt nog bezaaid met broodkruimels. Er staat een grote servieskast, donkerbruin koloniaal, beschilderd met klimoptakjes aan de zijkant. Het servies binnenin rammelt mee met het trillende geluid van de koelkast die ernaast staat. Er is een ronde tafel die voor het raam staat dat uitkijkt op het terrasje met scheefliggende tegels. De muren zijn mooi wit, die zijn door Juanjo nog geschilderd. Een poster met verschillende groenten waarvan de latijnse namen en behoeften voor een goede groei zijn genoemd getuigt van agrariërs in huis.
De trap is heel eng, de treden zijn heel smal en alleen aan de muurkant bevindt zich een leuning. De andere kant is open en daar kan je zo naar beneden vallen. Boven, waar de muffe lucht door het vocht in de houten schotten tegen de wanden nog muffer is, kom je aan in een smal gangetje met aan beide zijden een deur. De rechter is van Jean Francois’ kamer, de linker is het washok met daarin de douche waarin wij eens met zijn drieën hebben gestaan in een dronken bui. Je kan er de rode spetters van mijn haarverf nog zien zitten en ons wellicht nog horen lachen als je goed luistert naar de stemmen die de muren nog altijd weerkaatsen.
Het gangetje leidt tot een t-splitsing. Links woont Juanjo, rechts woon ik in gespiegelde, maar voor de rest identieke kamers. Ik heb een schuin dakraam waaronder mijn bed staat, van waaruit je de sterren kan zien door de takken van de bomen. Daar kan ik jullie nog altijd zien stralen al wordt het zicht me met de naderende zomerbladeren langzaam maar zeker ontnomen, maar elke winter zullen jullie daar terugkomen. Ik kan jullie stemmen nog altijd horen gonzen, verweven met het zacht kraken en zuchten van de takken wanneer de schuine ramen bedekt zijn met sneeuw terwijl mijn verwarming het niet doet, de helft van de tijd dat ik er woon.
De met mos begroeide bilzen waren inmiddels verwijderd en het terras van schots en scheef liggende tegels recht gelegd. Er groeide niet langer meer onkruid tussen. De immens grote treurwilg had weer bladeren die hij had gedrapeerd over de helder witte grindkiezels van de eens vuilwitte oprijlaan. Jouw auto stond niet langer meer onder zijn takken verborgen. Een klein vrijstaand boshuisje met een weilandje van zo’n een hectare groot eromheen, omzoomd door bomen.
Na Deventer heb ik alles gedaan om mezelf te overtuigen dat nu alles anders was. Ik sta voor de spiegel met een gemengd gevoel van trots en verlorenheid. Paars geverfd haar, ringen door mijn huid gepierced en tatoeages sieren mijn lichaam. Uiterlijk herken ik mijzelf allang niet meer. Wie is dat spiegelbeeld? Ik had gehoopt dat het iemand was die ik zou bewonderen. Maar tot nu toe doen alleen de stemmen op straat dat. "Knap hoor dat je dat durft. Paars haar, dan sta je tenminste ergens voor." Dan glunder ik, maar ik ben nog niet uit het zicht of ik denk dat ik moet overgeven of krijg de behoefte eindeloos te huilen. Ja, ik sta “ergens voor" maar dat "ergens" moet ik zelf alleen nog vinden. "Ik sta voor paars haar." Maar waarvoor staat paars haar? Dus ik zoek de betekenis op van de kleur paars die me zo trekt in de wanhoop mezelf te leren begrijpen. De kleur van mystiek, mensen die vechten met keuzes moeten deze kleur vermijden om impulsiviteit te voorkomen. Laat ik nou ook nog net een paarse trui aan hebben...
Niemand kan onze handtekening die we aan het huis hebben gegeven ontkennen. Onze huisbazin vertelt het verhaal nog graag. En voor altijd, met waterbestendige inkt staan daar onze namen. Want dat huis in het bos is van ons, voor altijd. Juanjo wijst, sprakeloos. Daar op een plek op de muur die eens tot zijn kamer behoorde staat nog: “Love For You Forever, El Rube”
2000 Kilometer van huis en zo dichtbij... Een oude vrouw belt het alarmnummer. De nacht van 2 op 3 oktober, 1.23 uur de la madrugada, Spanje, Valencia, de provinciale weg richting Torrent. Een frontale botsing. Het is dringend, hij leeft nog....
Zijn hoofd door de ruit, zijn nek gebroken en het stuur van de zwarte volkswagen polo vrijwel dwars door hem heen. De tuter laat zijn klaagzang onophoudelijk door de doodstille straat schallen. De palmboom lijkt niet geroerd door de frontale botsing en wuift zacht in de zinderende nachtelijke wind die zijn droge bladeren zacht doet ritselen. Een billboard op de achtergrond fluistert: Conspirar con la noche; zweer samen met de nacht. “Weet je waar je bent, weet je wie je bent? Kun je me horen?” Een bebloede hand knijpt zacht in de zijne. “Het komt allemaal goed.” zegt hij met een brok in de keel. ‘In een volgend leven’ denkt hij erbij.
De zon schijnt, optimistisch stappen we zonder jassen naar buiten maar jij houdt halt en luistert. Dan loop je vastbesloten terug om je jas te halen. Verbaasd vragen we je wat je van plan bent. Een regendans te gaan maken? Dat is niet nodig volgens jou want je bent ervan overtuigd dat het gaat regenen binnen een uur al is aan de lucht geen wolkje te bekennen. “Luister.”zeg je maar we horen niets. Dat is nu juist het punt, je hoort geen enkele vogel fluiten. We verklaren je voor gek maar je schudt je hoofd: jullie stelletje sukkels. Mochten het ooit plotseling je laatste minuten zijn dan heb jij in ieder geval de vogels horen fluiten zeg je. Ik hoop voor je dat ze floten om 1.23 uur ’s nachts.
“Ik wil met iemand kunnen zoenen die hetzelfde smaakt,” lispel je in mijn oor terwijl je met je stoppelige kin mijn hals streelt. “Ik wil dronken kunnen worden met degene die van me houdt zodat we ons samen kunnen verliezen…” dan schakel je over naar naar een liedje van Moby: “One of these mornings, you’ll be here all alone. You will look for me, and I’ll be gone...”
Je treft ze in overvolle cafés’s waar ze nog in staat zijn diepe gesprekken te voeren met een glas bier in de ene hand, de peuk in de andere. Ze behoorden altijd tot een wereld waar ik geen deel van uitmaakte en geen deel van uit wilde maken. Ik nam de verantwoording voor hun onverantwoordelijkheden altijd op me. Hoewel niet christelijk, doch moreel opgevoed heb ik me altijd gehoed voor de heidense platvloersheid van deze simpele, doch filosofische mensen. Altijd boven ze gestaan als iemand met een meer inhoudelijk leven, ruimdenkender, volwassener; rationeler. Later leerde ik dat kwantiteit van het leven niet gelijk staat met kwaliteit, want wat voor een kwaliteit schuilde er immers in longkanker aan jezelf te danken?
Als ideale schoondochter die nooit eens uit de band sprong zag ik in jou iemand die veel intenser genoot van het leven. Je sigaret was je beste vriend, je biertje de tweede. Niemand kwam ooit tussenbeide. Voor je grootste liefde leek je je passie nooit te zullen opgeven. Zelfs voor mij niet en misschien is dat de reden dat ik ook aan het bier en sigaretten ben begonnen, om dat te kunnen vergeten.
Waarom ben ik terug gekomen na al die tijd? Het is de verslaving die lokt. Jij verslaafd aan je sigaretten, ik verslaafd aan jou. Het is die verslaving die ik in mijn sigaretten zoek misschien, de hang naar jouw passies kunnen vatten die me zo fascineerden. Vandaag wil ik mijn nooit geleefde losbandige jeugd inhalen en zo hoop ik op een punt te komen waarin jij en ik gelijk zijn, hoewel te laat maar beter laat dan nooit. Maar hoe ik ook probeer ik word nooit jij en ik zal nooit begrijpen welke passionele wanhoop jou tegen een boom heeft gereden met 120 kilometer per uur in een nacht zoals deze, 2000 kilometer van mij verwijderd… maar toch zo dichtbij… , Misschien wel omdat je net je peuk uitdrukte, en even de blik op de weg vergat….
Donderdagnacht, 2 op 3 oktober, 1.15 neem ik de laatste slok van mijn biertje en druk mijn sigaret uit in die nietsbetekenende Nederlandse stad waar ik je eens heb ontmoet, precies 3 jaar terug. Je stem fluisterend in mijn oor met de gure wind, je adem in mijn nek in de bar waar we voor het eerst zoenden. Ik heb je nooit gezegd hoeveel ik van je hield, we vochten alleen maar. Angst voor het onbekende. “Laten we naar huis gaan.” 1.23 stappen we het warme café uit, de kou in. Een klap in het gezicht....
Ze zeggen dat je het hebt gedaan omdat je nooit hebt kunnen accepteren. Omdat je ervan overtuigd was dat jij in die auto had moeten zitten. Zo was je, impulsief. Dat is iets wat ik nu moet accepteren. Blame it all upon a rush of blood to the head, was what you always said. Ik zit daar, met die sigaret in mijn mond en inhaleer diep. Grijze haren hebben zich in de afgelopen 2 jaar al gevormd en 10 kilo heeft zich van me meester gemaakt. Maar ik ben nog steeds dezelfde hoor, diep van binnen. Nog altijd op zoek naar jou die ik al ben kwijt geraakt voor ik je kon vinden.
De nicotine baant zich een weg door mijn brein en verdooft al het leed dat is geleden, versmolten in een roes. Gelukzaligheid overmant me. Zonder innig verdriet kan je innig geluk niet vinden. Zonder jou had ik hier nu nooit gezeten. Had ik misschien geen rimpels gehad, was ik nog slank geweest en hadden de grijze haren tot mijn 40ste op zich laten wachten. Het is alsof ik mijn leven 2 keer zo snel heb geleefd. Ergens ben ik al te moe om nog verder te gaan en aan de andere kant bruis ik van binnen want er is nog zoveel meer te beleven. Normaal krijgen mensen dit pas met hun veertigste, zo sprak mijn moeder. Alsof ik een gift van god had gekregen. Bij mij zal het bij die leeftijd dus wel ophouden. Nee ik ben niet fatalistisch geworden, nee ik ben niet voor jou terug gekomen...
Kijk mij hier nou zitten, verloren op dezelfde plek waar je me 2 jaar geleden gedag kuste. 2000 kilometer van huis en zo dichtbij... Verloren in een stad die me eens eigen was als mijn geboortegrond. Waar iedereen die me ooit bekend was nu een onbekende is. Daar waar ik eerst de woorden niet verstond en ze nu zelf spreek. Ik heb je taal leren spreken om je ongrijpbaarheid hanteerbaar te maken maar je komt nooit meer terug en ik ben immers niet speciaal voor jou gekomen. Ik wacht tot jouw auto om de hoek verschijnt. Nee, ik had niet gehoopt dat je zomaar ineens voorbij zou komen, 2000 kilometer van huis en zo dichtbij. Ik ben immers niet voor jou gekomen...
I am gonna buy this place and start a fire
Stand here untill I feel all your heart’s desire
And I am gonna buy this place and see it burn
Do back the things it did to you in return
Als de takken ruisen en de zon weer schijnt… als hij al zo lang geleden is vertrokken zegt zij, ooit onze huisbazin, met melancholie in haar stem: "Altijd als ik langs de stallen rijd die hij heeft geschilderd dan zwaai ik even. Naar hem, alsof hij er nog altijd is…"
Het staat er nog altijd op de muur geschreven. De met mos begroeide bilzen waren inmiddels verwijderd en het terras van schots en scheef liggende tegels recht gelegd. Er groeide niet langer meer onkruid tussen. De immens grote treurwilg had weer bladeren die hij had gedrapeerd over de helder witte grindkiezels van de eens vuilwitte oprijlaan. Jouw auto stond niet langer meer onder zijn takken verborgen. Een klein vrijstaand boshuisje met een weilandje van zo’n een hectare groot eromheen, omzoomd door bomen; staat nu in lichterlaaie...
De warme, oranje gloed als die van de opkomende zon waaronder we vreeën verlicht mijn gezicht en vervult mijn hart met verlangen. Met een blik, verloren in de vlammen, laat ik mijn sigaret vallen.
I am gonna buy this place is what I said
Blame it all upon a rush of blood to the head
I am gonna buy this place is what I said
Blame it all upon a rush of blood to the head
Blame it all upon a rush of blood to the head
Blame it all upon…
|