Weblog maken?


MaakEenWebsite.nl (tip)
Totaal slechts 10 euro per maand incl. domeinnaam en gratis overzetten van uw bestaande weblog bij Bloggers.nl 100 MB ruimte
emailadres
Lees meer..... en bestel
Gratis geld verdienen met e-mails lezen? Meld je aan bij
Zinngeld, Surfrace, Qassa en Euroclix !

Op zoek naar God?
Egyptologie 2

Description

Over cultuur en geschiedenis van de farao's.


My Links

» Home
» My Profile
» Weblog Archives
» Friends
» My Photo Album

Archeologische problemen van de tweede dynastie

Tweede Dynastie Historische en Archeologische Problemen

B.ARCHEOLOGISCHE PROBLEMEN

De archeologische onderzoekingen van de begraafplaatsen van de Tweede Dynastie hebben minder materiaal opgeleverd dan deze van de Eerste en Derde Dynastie. Er werd materiaal gevonden te Aboe Roash, Giza, Zawyiet el Aryan, Sakkara, Tarkhan, Naga ed Deir, Beit Khallaf, Abydos, Gebelein, Hierakonpolis, Elephantine maar alleen de vondsten uit Sakkara en Abydos hebben hebben een "koninklijke " betekenis omdat er genoeg materiaal werd gevonden, dat bovendien genoeg verscheidenhijd vertoonde. Van deze dynastie bestaan er ook stukken ( koninklijke en private beedjes, zegels en stenen vazen ) van onbekende herkomst nu in private handen (Michailidis), en nog andere zijn afkomstig van onvoldoende correct gevoerde of onvolledig gepubliceerde opgravingscampagnes (A.Mariette, E.Amelineau, J.Quibell). Het is namelijk zo dat veel van de graven uit deze werden onderzocht en opgegravenin een periode toen de technieken nog niet voldeden aan de moderne eisen die men nu stelt en dat de handelaars in antiquiteiten meer vrij spel hadden om sites om te woelen en stukken aan buitenlandse musea te verkopen.

Maar als we de meest vruchtbare sites SAkkara en Abydos bekijken is de situatie niet zo dramatisch inzake mogelijke opsporingen. Daarenboven hebben onderzoekingen in het verleden en hedendaags te Hierakonpolis (d.i. de stad Nekhen en het 'Fort'), en de in de laatste decades gestarte opgravingen te Boeto en vooral te Elephantine, nieuwe dat aan het licht gebracht , waarvan er verscheidene betrekking hebben op de namen van koningen uit de Tweede Dynastie (Kasechem en Peribsen) en die bovendien aan de gekende bronnen over de begrafenis monumenten, een nieuw scenario hebben toegevoegd namelijk deze van geestelijke (tempels) en burgerlijke architectuur en mogelijks zelf tvan een koninklijk paleis.

Abydos wordt mometeel onderzocht door Duitse en Amerikaanse archeologen en geeft na 100 jaar van intens onderzoek nog steeds interessante vondsten prijs. Wat de Tweede Dynastie betreft moeten we hier zeker melding maken van de campagnes van David O' Connor aan de noorzijde van de omheiningen van de begraafplaatsen ( en van de begrafenis boten die misschien wel dateren uit de Eerste Dynastie). Ook deze onderzoekingen die op het eind van de zeventiger jaren werden ondernomen door Werner Kaiser en Gunter Dreyer waaronder de heropgraving van de tombe van Chasekhemoei en de hogerop vermeldde vondst van zegels van Hotepsechemoei in het graf van Qa'a . Beide opgravingen gaan trouwens nog verder.

Ook te Sakkara is de situatie verbeterd. Het potentiëel van deze site is groter dan dit van Abydos maar het onderzoek stagneerde er een beetje de laatste jaren. De meeste private tombes uit de Tweede Dynastie werden Tsnel onderzocht in het begin van de decade van 1860 en in het begin van de twintigste eeuw (respectief door Mariette en Quibell),een vrij goede aanvulling daarbij vormde het onderzoek van G.A. Reisner in 1936;. We bezitten genoeg acurate kaarten voor wat betreft het westelijk, centrale en midden-oostelijk gedeelte van de begraafplaats van Noord-Sakkara waarin zich een aantal mastaba's uit de Tweede Dynastie bevinden. We belichtten reeds de vondsten uit de gallerijen van het Djoser/ Neterychet's complex.

Meer bronnen voor wat de studie van de Tweede Dynastie aangaat zijn de private stèles met inscripties ( vooral deze van Helwan) en enkele beeldjes van private personen en koningen (éé van Ninetjer en twee van Chasechemoei). Deze laatste zijn bijna uniek terwijl er meerdere voorbeelden zijn van private personen maar hier duikt dan weer de moeilijkheid op dat omdat we hun oorsprong niet kennen het minder gemakkelijk is om ze aan de Tweede hetzij aan de Derde Dynastie toe te wijzen.Ten laatste vermelden we nog de koninklijke stelae en de voorstellingen op stenen blokken met namen van Nebra, Peribsen en Chasechem en de reeds beschreven en vrij veel voorkomende kleiafdrukken van zegels met de koninklijke serechs van Hotep - Hotepsechemoei, Nebra, Ninetjer, Sechemib, Peribsen and Chasechempoei ( zowel uit Sakara, Abydos als van elders ) Nu blijven er ons nog twee categorieën van archeologische vondsten te beschrijven.

De eerste behelst de omheinde koninklijke pleinen ten westen van de complexen van Djoser en Sechemchet'. Op zeijn minst één van deze monumente was bekend aan De Morgan in zijn "'Carte de la Necropole Memphite' (Gisr el Mudir) maar gedurende vele jaren bleven zij onaangeraakt. W. Kaiser richtte echter de aandacht op deze "'Talbezirke" die dan ook het voorwerp werd van dieper en dieper onderzoek. We nomen slechts B.J. Kemp in JEA 52 (1966), W. Kaiser in MDAIK 25 (1969), R. Stadelmann in B.d.E. 97,2 (1985), David O' Connor in JARCE 26 (1989), Nabil Swelim in MDAIK 47 (1991) en de recente op "remote sensing" en magnetometrie gebaseerde onderzoekingen van de Schotse archeologen onder leiding van Ian Mathieson en Ana Tavares (JEA 79, 1993, JEA 83, 1997). Er is onder de onderzoekers echter nog geen eensgezindheid omtrent de datering van deze structuren.

Het probleem bestaat er namelijk in dat in tegenstelling tot de omheinde pleinen van Abydos, die omringd werden door graven van hofdienaars waarin talrijke zegels werden gevonden die het mogelijk maakten deze aan bepaalde koningen van de eerste dynastie ( met inbegrip van Merneith's zogenaamde Westelijke mastab) of van de tweede dynastie namelijk Peribsen (middelste fort) en Chasechemoei (Shunet ez Zebib) toe te wijzen deze van Sakkara uitblinken in de afwezigheid van potten en vazen (Petrie 'Tombe van de hovelingen ... 1925; O' Connor op.cit.; N. Swelim 'S.P.'1983; Mathieson - Tavares op. cit.).

De structuren te Abudos met paneelfacades alhoewel van modderstenen(mudbricks) gemaakt zijn ook beter bewaard dan de muren te Sakarra nochtans gebouwd in lokale steen. Dat komt waarschijnlijk door e relatieve afzondering van de Abydos site, daar waar de monumenten te Sakarra door een te veel aan graven in deze area te veel hebben geleden

Zoals gezegd staat de datering niet vast. N. Swelim (op. cit.) lijkt meer geneigd deze pleineen te Sakkara toe te schrijven aan de periode na de regering van Chasechemoei (Khaba, Sa and Ba),maar in zijn chronogie van de Derde Dynastie zijn er toch een paar becritiseerbare punten aan te wijzen.

.Rainer Stadelmann (op. cit. p. 304 ff en fig 3) en nog recenter Ian Mathieson, neigen eerder naar een vroegere datering. Stadelmann was bovendien de eerste om nog het mogelijke verloop van twee andere muurstructuren aan te wijzen: de ene tussen deze te Gisr el Mudir's en deze van Sechemchet, en de andere ten westen van het Djoser complex (op. cit; zie ook id. 'Die Aegyptische Pyramiden' 1997 p. 30 fig.9). De recente opgravingen echter zouden Gisr el Mudir aanwijzen als de koninklijke omheining van Chasechemoei. De afmetingen van de muur zijn enorl zowel wat betreft de dikte (meer dan 15 m, gevormd door twee evenwijdige, uit steen gemetste wallen waarvan de tussenruimte met puin en zand gevuld werd) als lengte De omtrek bedraagt 650 x 350 m -vergelijk met deze van Djoser/Netjerychets 544,9 x 277,6 m).

In deze ruimtes zijn slechts gebroken potten van de Tweede en Derde Dynastie gevonden naats graven van latere datum. Meer nog bij de grote 'Wall of the Boss(bult)'"en de omheining van Ptahhotep schijnen op zijn minst stukken van deze muren nooit voltooid te zijn geweest en a fortiori dus ook de structuren zelf.

De Shunet ez Zebib te Abydos en het Middelste Fort (alhoewel niet omringd oor evenveel putten van dienaars als de bouwwerken van de Eerste Dynastie) dragen sporen van een ingestorte centrale verhevenheid . Deze werd door O'Connor , wegens de plaats die deze innam, correct geïnterpreteerd als zijnde de voorloper van Mastaba M1 in het Djoser complex.. Verder dient nog vermeld de mogelijke aanwezigheid van begrafenisboten van de Tweede Dynastie in denabijheid van deze die reeds werden gevonden te dicht bij de Shunet.



Een ander belangrijk onderdeel van de monumenten van de Tweede Dynastie te Sakkara vormen de verzameling ondergrondse gallerijen. Het zijn de enige resten van de reusachtige mastaba graven die gebouwd werden ten zuiden van de zuidelijke temenos ( door een omheining omringd heiligdom) van Djoser's en onder het westelijk massief van hetzelfde complex. De gallerijen kunnen worden in,gedeeld:

  • 1. Deze ten zuiden van Djoser's comples

    1/. Men heeft voorgesteld dat er ten zuiden van Djoser's complex twee koninklijke graven zouden kunnen gebouwd zijn. Sommige kunnen ook nog onontdekt in de begraafplaats van het Nieuwe Koninkrijk ten, oosten van het complex van Sechemkhet liggen. De enige twee bekende graven zijn deze genaamd graf A en B (PM III2 p.613), dewelke twee grote parallel gelegen mastabas zijn met de lange as noord-zuid zoals het Djoser comples trouwens zelf. Ze liggen 120- 150 meters van elkaar verwijderd. De bovenstructuren van deze graven werden vernield tijdens de constructie van het complex van Oenas. De labyrintvormige onderbouw van tombe A werd ontdekt en onderzocht door Barsanti (ASAE 2 and 3) bij het begin van de twintigste eeuw. Deze van tombe B door S. Hassan in 1937-8 (ASAE 38 p. 521). Deze laatste noteerde allen maar kort de aanwezigheid ervan. Een kaart van graf A, waarvan men dacht dat het aan Hotepsechemoei en Nebra had toebehoord omwille van de zegelafdrukken die er in werden gevonden , werd getekend door J. P. Lauer (zie het artikel Hotepsechemoei later te verschijnen) in 1930. Terwijl men van de lay-out van de onderbouw van graf B alsook over interessante suggesties omtrent de bovenbouw pas een idee kreeg door het werk verricht in de twee laatste decades van de twintigste eeuw (Peter Munro in G.M. 63, S.A.K. 10, 1983, D.E. 26, 1993; Kaiser in bibl.1992) .

    Graf A bevatte zegelafdrukken met de naam Hotepsechemoei (Gaston Maspero in ASAE 3, 1902 p. 185-90) maar ook afdrukken met de naam Nebra, zodat sommigen dachten dat deze laatste de tombe van zijn voorganger geusurpeerd had. Maar anderzijds zou Nebra ook een apart, nog onontdekt, graf kunnen gehad hebben zoals een stela met zijn naam erop zou kunnen aanwijzen. Men ontdekte deze stele die herbruikt was als een dorpel voor een modern huis. Deze stele kwam ongetwijfeld van het naijzijnde Sakkara. (Henry G. Fischer in Artibus Asiae 24, 1961 p. 45-56 en Jean Philippe Lauer in Orientalia 35, 1966 p. 21-7).

  • 2.Deze binne het complex zelf.

2./ De gallerijen onder het westelijk massieven van het Djoser complex en in de noord-westelijke sector van het Noordelijk Hof hebben slechts genoten van een kort onderzoek waarbij de plannen ervan werden opgesteld (Lauer, Pyr. Deg. I p. 180-6); de rots waarin ze uitgegraven zijn is uitzonderlijk zacht en verder onderzoek wordt verhinderd door het risico op instortingen. . DE bovenstructuur kan niet met absolute zekerheid aan Djoser worden toegeschreven (Massief I lijkt gebouwd op de laagste westelijke trap van pyramide (PI) ) maar het is bijna zeker dat deze lange gallerijen, die herbenut werden door deze koning van de Derde Dynastie als opslagplaatsen voor zijn complex, ooit hebben toebehoord aan het begrafenis monument van een voorganger, op een gelijkardige manier als de kleine zuidelijke graven (tombe A, B). Zie hieronder.

.

De oprichting van het Westelijk Massief door Djoser kan in vraag gesteld worden (ook als men het vergelijkt met de structuren opgericht in het oosten van het complex). Er is een duidelijke indicatie in de verticale stratigrafie (= studie van de boven elkaar liggende lagen) van de oostelijke muur van het Westelijk Massief I en in het stratum (=opeenvolgende lagen) van de westzijde van Pyramide P2, die aantoont dat het laatste stadium van de verbreding van de pyramide van latere datum is dan het gebouw van het Massief zelf. P2 ligt immers meer dan 4 meter hoger bovenop het terras van het Massief (Lauer P.D. I, 180; Stadelmann op.cit. 301). We kunnen dus stellen In tegenstelling met Kaiser ** dat het gebouw van het Westelijk Massief kan behoren tot een later stadium van de ontwikkeling van het Djoser complex (omdat het op zijn minst in zijn noordelijk deel onafgewerkt is en van een latere datum schijnt dan P1.) Maar hier volgt ook met zekerheid uit dat het van een vroeger datum is dan de laatste transformatie van de pyramide tot zijn uiteindelijk zestrappige vorm.

**(Kaiser, MDAIK 25, dacht dat het Westelijk Massief contemporain was met de beginfase van de ontwikkeling van het Djoser complex) en mogelijks reeds voor Djoser's regering was gestart.

Ovber de datering van de ondergrondse structuren kan niets met zekerheid worden bevestigd. We kunnen allen steunen op vergelijkingen met de ondergrondse structuren van contemporaine graven om tot een zekere opeenvolging te komen. Ook over wie er nu eigenlijk de oprichter van deze gallerijen was zal steeds twijfel blijven hangen (zelfs al is Chasechemwoei momenteel de eerste kandidaat) tot er een vollediger exploratie van deze uiterst uitgestrekte gangen mogelijk wordt. Dergelijk onderzoek zou nieuw licht kunnen werpen (vooral door het vinden van zegelafdrukken en framenten van stenen vazen ) op het initiële doel en datum van constructie. Maar we moeten in gedachten houden, dat alhoewel de uitgestrektheid van de gangen alleen al het zeer aannemelijk maakt om dergelijke vondsten te doen, we ons niet kunnen verwachten aan een aantal en kwaliteit van vondsten zoals deze die gevonden werden in de gallerijen onder de pyramide. Deze laatste gangen waren veel moeilijk bereikbaarder en dus voor rovers minder toegangkelijk dan het Westelijk Massief waar Firth en Lauer beenderen vonden die daar gebracht waren door hyena's (zoals hun uitwerpselen aantoonden) en dus is dit gedeelte van de Trappenpyramide zeker niet helemaal ontoegankelijk.

Een ander graf dat waarschijnlijk ook Djoser is overbouwd is gelegen onder het Noordelijk Massief . De gallerijen hebben, zoals ook deze van het zuidelijk graf dat tot hetzelfde complex behoort, een lengteas die oost-west gericht is in plaats van noord-zuid zoals alle andere. Men zou kunnen aanemend at dit een deel van het graf van Sened of Peribsen kan zijn geweest. Xant het graf (mastaba B3 ) van Shery waarin de begrafenis cultus van Peribsen en Sened wordt vermeld en waarvan men nu de exactie ligging niet meer weet, kan niet ver van de noordelijk muur van het Djoser complex gelegen hebben en dus in de buurt van het Noordelijk Massief (Firth vond kleizegels van Chasekcemoei en van Djoser in dit graf ( cfr. Lauer Pyr.Dg. I, 184 fig.208).

Er zijn nog veel meer schahten en putten in het Trappenpyramide complex van Djoser ( zie fig. van pagina 64 in N. Swelim 'Some Problems' 1983) o.a. een gallerij met noord-zuid richting in de westelijke helft van het Noordelijk Hof, tussen deze onder het Noordelijk Massief en die onder Westelijke Massieven I & II. Het Westelijk Massief III ( meest naar buiten gelegen tegen de westelijk muur van de temenos ) daarentegen schijnt geen gallerijen te herbergen.

De wederzijdse aard en onderlinge confrontatie van deze gallerijen in en rond het Djoser complex zullen we nog uitvoerig behandelen onder Djoser. Enkele opmerkinge kunnen we nu reeds lanceren.

    1. De plannen van de onderbouw van graf A & B ( alhoewel onvolledig) tonen een merkwaardig verschil in de manier van vertakken. De gallerijen van Hotepsechemwoei hebben een rechter en rechthoekiger verloop in de noord-zuid richting,en al zij het dat ze breder zijn (c. 120 x 50 m) dan deze onder Westelijk Massief I & II, tonen zij alle twee een relatief ordelijke opbouw. (maar zie ook nog verder). De gallerijen van de Westelijke Massieven daarentegen zijn uitzonderlijk goed ontwikkeld langs de noord-zuid as ( 400 m tegen slecht 50 in de oost-west richting ) en vertonen dus een belangrijke gelijkenis met de ongewoon uitgerekte vorm van tombe van Chasechemoei ( Tomb V te Oemm el Qa'ab (Abydos). Een analyse echter van de vorm van de fragmenten van de stenen vazzn gevonden in de Westelijk Massief gallerijen schijnen beter te passen bij de Derde Dynastie dan bij de Late Tweede Dynastie.

    .Daarnaast staan de gallerijen van Ninetjer (graf B, het bekende deel is slechts 70 x 50 m ) in scherp contrast met recht toe rechtaan structuur van graf A en de Westelijk Massief gallerijen. De gangen en kamers schijnen in een minder ordelijke vorm af te takken van de centrale gallerij blijkbaar met minder respect voor de loodrechte hoeken die tombe A en de Westelijke Massief galerijen vertonen. In de huidge toewijzing van de graven volgt graf B ( Ninjeter) op graf A (Hotepsechemoei) en het W.Massief, maar het zou misschien ook kunnen gezien deze warrige structuur en gezien het historisch belang en de regering van Ninjeter behoorlijk belangrijker zijn dan deze van Hotepsechemoei, dat het kleinere graf B van een vroegere periode dateert dan graf A.

    Er valt trouwens nog een ander aspect onder de loupe te nemen voor een correcte analyse van dit probleem. Aidan Dodson geeft aan (zie KMT 9:2, 1996 p. 21-2) dat de kaarten Lauer, die de enige zijn die tot nu toe bestaan, nogal schetsmatig en waarschijnlijk snel getekend zijn en dat het waarschijnlijk heel wat meer tijd zou hebben gevraagd om ze nauwkeuriger te tekenen. Munro's recente opgravingen zouden immers suggereren dat ook tombe A en de W.M gangen en kamers een minder regelmatige en rechthoekige structuur zouden vertonen dan in de uniek kaarten van Lauer.

    Het vinden van kleizegl afdrukken in een tombe is een zwak argument om de eigenaar van de tombe te bepalen maar we moeten het in aanmerking nemen tot meer bewijskrachtige vondsten worden gedaan. Verder moeten we ook bedenken dat de totale uitgestrektheid van van de onder- en bovenbouw van Nineter's tombe B bij verdere exploratie wel eens groter zou kunnen uitvallen dan deze van graf A (verondersteld wordt dat gar B kleiner is) . Zoals we reeds noteerden zou de hardere consistentie van de rots in de oostelijke area vergeleken bij deze rond de pyramide van Oenas en graf B de architect van Ninjeter kunnen gedwongen hebben om zich aan de natuur van de rots aan te passen bij de uitgraving van het graf. Bij de exploratie werd trouwens gezien dat men zich niet aan de voorzienen regelmaat had kunnen houden en zich had aangepast waarschijnlijk door de flauwe kwamliteit van de rots. Bovendien was de area ingenomen door deze kamers en gangen veel breder en groter zodat dit verbazingwekkend labyrinth een bijkomende 5000 m2 besloeg. (A. Dodson loc. cit.)

    Als besluit moeten we zeggen dat een nieuwe uittekening op kaart van tombe A ( en mogelijks ook de gallerijen van het Westelijk Massief) nodig zijn naast een verdere exploratie van graf B alvorens we definitieve conclusies kunnen trekken uit hun vergelijkende studie. Verder zou nog en belangrijk aspect moeten onderzocht worden namelijk hoe gedroegen zich de volgende koningen voor wat betreft de grafmonumenten van hun voorgangers. Dan bedoelen wij niet hoe het Oenas complex en de begraafplaatsen uit het late Oude Koninkrijk en de private graven uit de Saïtische periode het aspect van de site veranderd hebben daar deze te ver in tijd vewijderd zijn van deze periode , maar hoe Djoser ze behandelde of aanpaste. Hij zou bijvoorbeeld zijn vaders grafmonument van het Westelijk Massief ( indien dit werkelijk aan Chasechemoei zou hebben toebehoord) in zijn eigen begraafplaats kunnen hebben willen inwerken. DUs ook de orientatie en andere zaken moeten worden bestudeerd.

    Tevens en niet in het minst dient ook de inspanning die Munro's en zijn ploeg leverden om een reconstructie te maken van zowel boven- als onderbouw als omheiningen van deze twee graven uit de vroege periode van de Tweede Dynastie bestudeerd te worden ( zie hierover de artikes over Hotepsechemoei en Ninetjer voor een beschrijving) samen met de betekenis van de zogenaamde "droge vestingsgracht" die tussen de zuidmuur van Djoser en de verhoogde weg van Oenas loopt (N. Swelim in Baines et al. 'Pyramid studies and other essays' 1988 p. 12-22; A. Tavares' 1993 voordracht)


Posted: 22:59, 5/10/2006
Link

De Nijl

Maar het zou nog 2500 jaar duren voor het raadsel opgelost werd. De Ruwenzori 5125 m. hoog en na de Kilimandjaro de hoogste berg van Afrika met zijn doorweekte drassige en rottende bodem, deze enorme hoop slijk vormt met zijn bergbeekjes en watervallen het reservoir waaruit de Nijl in duizende stromen omlaag vloeit naar de keten van de grote meren om ten slotte uit te monden in het Victoria meer. Van daaruit begint de Nijl zijn 6000 km lange tocht door Afrika. De inboorlingen noemen de berg “Berg van de maan” of “Vader van de regen “. Eratosthenes, een Griekse geleerde uit Alexandrië, had dus toch gelijk met zijn bewering dat het in het hart van Afrika sneeuwt. Maar ondertussen bleef men onwetend over de bronnen van de Nijl. Keizer Nero (regeerde 54-68 nChr.), de tiran die Rome in brand stak om er een lied over te kunnen zingen en nadien de Christenen de schuld in schoenen schoof, zond twee van zijn centurio’s (honderdmannen) om vanuit Assoean op zoek te gaan naar de bronnen van de Nijl. Maar na een dagenlange mars door de schroeiende woestijn dienen ze hun tocht te staken wegens onoverkoombare moerassen zo groot als een zee waar alles in wegzinkt. Hier bij dit slijkmeer gelegen voor de “muur die de hemel verspert “eindigt de wereld melden ze.Nu weten we dat het hier gaat om de El Sud moerassen en de Ruwenzori


Posted: 22:58, 31/3/2006
Link

Egypte, geschenk van de Nijl



Het was Herodotos, een Griekse geschiedenis schrijver, die leefde in de vijfde eeuw voor Christus, die Egypte een geschenk van de Nijl noemde. Hij bezocht Egypte en voer de Nijl op tot aan het eiland Elefantine (nabij Assoean) aan de zuidgrens van Egypte. Zijn bevindingen en ook die van zijn andere reizen schreef hij op in zijn negendelig boek  dat hij de titel "Geschiedenissen"meegaf. Hij noemde Egypte ook het vierde werelddeel. De drie andere waren voor hem Europa, Azië en Libië (ca 450 v.Chr.). Hij liet zich echter veel te veel beïnvloeden door de verhalen die zijn gidsen hem opdisten zonder de echtheid ervan te controleren


Maar het is inderdaad zo dat Egypte zijn welvaart ontleent aan de rivier de Nijl, die van zuid naar noord het land doorkruist. Door de jaarlijkse overstromingen van de Nijl werd vruchtbaar slib afgezet waarin na het wegtrekken van het water kon worden gezaaid en soms twee oogsten per seizoen binnengehaald. Op nauwelijks een dagreis afstand van de monding van de rivier laat men op het schip, waarop Herodotos zich bevindt, een peillood uitwerpen. Het water is hier slechts elf vadem diep en Herodotos vraagt zich af hoe het mogelijk is dat een rivier die honderden kilometers lang door de woestijn loopt nog zoveel slib kan afzetten op een dergelijke afstand van de kust.


Maar er wachten hem nog andere verrassingen. Het water van de Nijl stijgt in de zomer en daalt in de winter in tegenstelling met alle andere rivieren die hij kent. Het idee dat deze stijging te wijten zou zijn aan het smelten van ijs en sneeuw lijkt hem belachelijk want de rivier komt uit een streek waar het nooit regent, laat staan sneeuwt. Toch vergist hij zich



Posted: 22:32, 29/3/2006
Link

Hosting door HQ ICT Systeembeheer