Taal
Als er niemand meer over is, als eenzaamheid je verveelt als gezelschap, dan is er taal. Taal en ik, wij zijn kleine kinderen die verstoppertje spelen en tikkertje. Tikkie jij bent hem! Wie niet weg is, is gezien! Taal en ik gaan al lang terug, we konden het al snel vinden. Pappelmeup was één van de eerste gezamenlijke inspanningen, jij en ik vonden appelmoes maar saai. Ik verbaasde je en jij mij nog steeds met al jouw dialecten en met jouw onuitputtelijkheid. Wat voor een bokser sparren is, is voor mij zoeken naar nieuwe woorden. Niet nieuw in de betekenis van nog nooit gevonden, maar meer als nieuw voor mij. In Leeuwarden hingen postkaarten op het toilet van een vorige bewoner. Eén viel me bij elke stoelgang, zo'n vies woord dit, op. Op een felroze achterkant stond in fluorescerend gele letters de vraag: Wanneer heb jij voor het laatst iets voor het eerst gedaan? Het werd een obsessie, elke keer bij het schijten iets nieuws verzinnen. Ik heb vandaag voor het eerst mijn teennagels geknipt terwijl ik naar “Man Bijt Hond” keek. Ik heb vandaag voor het eerst een tentamen gemaakt zonder te leren, ik heb vandaag voor het eerst twee dagen van bed naar toilet geleefd, ik heb vandaag voor het eerst mijn dromen zelf verlengd, ik heb voor het eerst meer dan twintig biertjes in een uur gedronken, ik heb vandaag voor het eerst het woord Reuzekeutel op het toilet uitgesproken. Je begrijpt, ik kan wel even doorgaan. Het ging zover dat ik lichamelijke contacten onderwierp aan deze vraag. Laat ik daar niet verder over uitwijden. Terug naar taal en naar de noodzakelijke vriendschap.
Taal is verduidelijking, is zeggen, ook tegen jezelf. Overzicht is geen kernkwaliteit in mijn bestaan, daar heb ik taal voor nodig. In zin, in gedachte, in plan en in idee. Je bent mijn structuuraanduider, mijn sprekend hart, mijn ongeduldige ziel in toespraak. Zonder jou was ik allang gek geworden. Toegegeven, ik kan me geen leven zonder jou voor stellen. Niet verder kom, dan immens leegte, stilte. Door jou ben ik niet alleen hier tussen de bomen. Zonder was ik niet meer dan een dauwdruppel in het gras geweest. Een schichtig hert in de mist.
Ik ben niet jouw meester, noch jouw koning. Jij hebt het vrije woord en ik de passie je te vinden. Hinkel- en struikel- en tuimelpartijen. Rollend van een berg, springend op een trampoline, rennend om de trein te halen. Je bent overal, in elk van mijn blikken. En in die vulkaan aan gevoelens voorspel jij de erupties, wijs jij op de gevaren.
De verwarring van Chiel
“Ik ga je hier echt niet pijpen, Chiel”. Langzaam dringt haar zachte vrouwenstem, terwijl de regen van zijn gezicht gutst, tot hem door. Met moeite richt Chiel zijn blik op het verregende meisje, dat haar doorweekte lijf tegen zijn borst heeft gedrukt. Hij kan niet zien of ze huilt. Chiel kijkt naar de grond, waar iets roze het water belemmert haar weg te vinden in een put. Het is haar bh. Haar naakte bovenlijf schudt tegen zijn jas, zoekt naar beschutting. De nacht heeft haar langste tijd gehad, al lijkt het eeuwig te regenen met een constant geweld. Chiel voelt het zuur richting zijn keel stijgen. Het was vroeg raak vannacht. Eerst een kaartje gelegd met de jongens, daarna de kroeg in. Te vroeg de kroeg in. En blijkbaar is de kroeg nu dicht.
“Sorry meis, sorry, waar is je shirt? Dan kunnen we je weer aankleden”. Chiel kijkt in het rond, de heg waar hij tegen aan leunt kietelt in zijn nek. “Die heb je over de heg gegooid, weet je nog”, steekt het meisje. Met een snelle ruk maakt Chiel zich los van het meisje en wurmt zich door de heg. Met één oog dicht tast hij de bodem van een tuin af. Het duurt even, hij voelt zijn billen nat worden. Hij voelt zijn hoofd bonken, zijn zicht vertroebelen. Hebbes.
Terwijl Chiel zijn handen over het katoen van een vest beweegt, vist het meisje haar natte bh uit de stoeprand. “Ik heb hem meis, ik heb hem”, schreeuwt Chiel vanaf de andere kant van de heg. Een zin die eindigt met een blubberig geluid. Chiel slikt zijn bittere oprisping door en kruipt door de heg terug naar de straat. “Wil jij hem alsjeblieft vastmaken, ik krijg hem niet vast. Mijn handen zijn zo koud en dat ding is zeiknat”. Chiel kijkt haar schuldbewust aan en knikt. Het meisje lijkt weerloos. Ze wil weg, paniek schreeuwt uit haar ogen, maar ze houdt zich groot, denkt Chiel. Eerst haar bh, dan haar vest en pas dan kan ze hem uitschelden en wegrennen. Of erger, haar broer ophalen of een potige buurjongen. Chiel maakt met een machinale beweging haar bh vast en reikt haar vest aan. Haar vest zit onder handvegen van Chiel. Snel en behendig schiet het meisje in haar vest, terwijl Chiel naar zijn handen kijkt, ze zijn zwart van de modder. Chiel stamelt, fluistert, mompelt iets binnensmonds. Vol walging bekijkt ze hem. Geen schim meer van die zelfverzekerde, spraakzame jongen. “Ik ook niet op jou Chiel, maak je geen zorgen. Dacht je dat ik wat voor je voelde, dan had ik hier echt niet zo gestaan hoor. Mag een vrouw niet gewoon geil zijn”?
Chiel kijkt verbaasd, zoekt in zijn dronkenschap naar een veilig eiland in zijn brein. Een stukje helderheid, een beetje vaste grond onder zijn voeten. “O, nou slaap lekker dan”. Chiel denkt na wat hij nog meer kan zeggen. Er komt een tijd niets. Hij twijfelt, kijkt naar de grond en zoekt naar woorden. “Maar waarom…”
Ze is al weg, nog net ziet Chiel in de verte het silhouet van een fietsend meisje. Gehaast en slingerend. Ineens draaien de gedachten zich om. Zijn fiets, hij moet naar zijn fiets, denkt Chiel. Een doffe klap galmt na over de verlaten klinkerstraat. Chiel ademt zwaar, liggend op zijn buik. Zijn jonge heer heeft zich tussen twee klinkers genesteld. Zijn ballen steken in zijn maag. Overrompelt blijft Chiel liggen op de koude Hoofdstraat. Langzaam probeert hij overeind te komen, het lukt nauwelijks. Zijn strakke spijkerbroek heeft zich als een natte wikkelrok rond zijn enkels gedraaid. Een hard gelach klinkt uit zijn zure keel. Ongelofelijk, denkt Chiel. Als een varken draait Chiel zich op zijn rug en moeizaam trekt hij zijn broek omhoog. De lach is een stille, lichte plooiing van de lippen geworden, terwijl de regen blijft vallen. Chiel kijkt recht omhoog, zo de lucht in. Het plafond van de aarde is lek, geen mooie lichtstraaltjes deze keer, maar bakken water. De glimlach blijft evenals zijn houding onveranderd. Vanuit zijn sompige spijkerboek klinkt een geluid, het lijkt erop alsof een zanger onderwater zich verstaanbaar probeert te maken vanuit zijn broekzak. Het duurt maar kort. Met zijn linkerhand graait Chiel in zijn broekzak. Het lijkt zijn arm niet, zijn gelaatsuitdrukking staat vast, zijn benen liggen roerloos. Alleen zijn linkerhand frummelt zich in de doorweekte broekzak. Terwijl zijn linkerhand het mobiele toestel naar zijn gezicht brengt, opent Chiel zijn ogen. Zijn rooddoorlopen ogen. Het schelle blauwe licht maken zijn wallen zichtbaar. Hij knijpt zijn ogen samen tot één goed functionerend oog. Een bericht. Moeizaam opent hij het bericht met zijn duim.
Ik vond het erg gezellig, moeten we gauw weer doen. Als het niet regent, dan ben je zo van mij.
Langzaam verlaat Chiel’s kin zijn borst en laat hij zijn achterhoofd op de bruine klinkers rusten. Straalbezopen is hij. Zijn gedraaide gedachten verwarren hem. In een knipoog van de nacht is hij van schuldbewuste dader veranderd in een overdonderd slachtoffer. Verlamd door de alcohol, die verklede python, die allemansvriend die het op zijn ziel heeft gemunt. Als een feestartikel ligt hij daar eenzaam onder het zwakke schijnsel van de maan, die een gaatje heeft gevonden in het nachtelijke wolkendek. Voor al uw feesten en partijen, voor uw geiligheid, voor uw drank en voor uw plezier.
Maar het feest is afgelopen, Chiel is niet meer nodig. De zaterdagnacht is uitgespeeld in dit Drentse dorp. Nog even en de straat is van een handjevol gelovigen met hun opgewekte ochtendgemoed.
Hij moet op bed. Traag hijst Chiel zichzelf in de benen, zijn wankele benen die aanvoelen als die van een knuffelbeer die van zitten houdt. De stille laatste resten van de nacht draaien als een wasmachine voor zijn gelaat. Het duurt een tijdje voordat de lege straat tot bedaren komt. Zijn fiets staat twee passen van hem verwijderd en, gelukkig maar, open. Niet te snel fietsen, denkt Chiel, terwijl hij oefent met zijn ogen dicht de fiets op de straat te houden. Straks moet hij als een sluipmoordenaar naar binnen, zijn schoenen rechts en naast elkaar naast de deurpost zetten en op de tast zijn bed zoeken. Chiel concentreert zich op het sleutelgat van de voordeur. Het mag niet te lang duren, soepel is het kernwoord. Alsof hij de code van een bankkluis moet kraken, zo serieus is zijn blik gericht op het gat in de deur. Gelukt. Langzaam draait hij de deur naar binnen. Soepel, zonder gekraak. Het moeilijkste moet nog komen. Zijn schoenen. Had hij nu maar klittenband. Als een onervaren koorddanser wankelt Chiel op de deurmat. De dronken struisvogel knalt met zijn volle gewicht tegen de muur en weet zich weer rechtop te trekken. Eén schoen uit. Halverwege de tweede schoen belandt Chiel op zijn billen, nu is het een eitje. Chiel staat weer op en grijpt zich vast aan de trapleuning.
De houtentrap is een opgave op natte sokken, maar wonderbaarlijk genoeg lukt het Chiel de eerste acht treden vloeiend te overwinnen. Nog drie. Even rusten, tot zo ver niets aan de hand. Chiel’s ouders slapen nog, hij hoort zijn vader zwaar ademend vanonder de dekens en er komt geen licht door de deurkieren. Overmoedig tracht Chiel de laatste drie treden van de trap in één keer te nemen. Een doffe knal. De vloerbedekking neemt het meeste van het geluid op. Verdwaasd kijkt Chiel op vanuit de basishouding voor de borstkrol. Zijn scheenbenen schreeuwen om aandacht in scherpe pijn. Hij bijt op zijn tanden. Hij is boven. Even denkt Chiel dat hij al op zijn bed ligt en dommelt in halfslaap. Maar de bulten op zijn scheenbenen brengen hem weer bij kennis. Hij is er nog niet. Tot zijn schrik ziet hij licht vanonder de slaapkamerdeur van zijn ouders verschijnen. Net als hij overeind wil komen opent de deur zich. Het was hem niet eerder opgevallen dat zijn vader zulke grote ballen had, of lag het aan die iets te strakke onderbroek. Chiel probeert zijn vader aan te kijken, maar komt niet verder dan de onderkant van zijn buik. Hij ziet links en rechts van het bolle wezen met tussenpozen haar verschijnen.
“Hai pap, ik ben zo thuis hoor”, giechelt de alcohol door zijn keel. Een slaperige mannenstem antwoordt: “Dat zie ik, maar wilde je nog van het toilet gebruik maken? Zo niet, kun je dan wat opschuiven”? Chiel’s gezicht wordt in één klap serieus. “Ik rol wel even wat opzij, kun je zo pissen?”
Er komt geen antwoord, maar plotseling verschijnen er twee handen vanachter het bolle navelwezen. Chiel beantwoordt de handen met de zijne en trekt zich overeind.”Slaap lekker pap”.
Hoofdzin (1)
Mijn mannelijke ego pompt mijn slappe spieren op tot krachtige balonnen, alsof ik door al mijn verlies aan kracht heb gewonnen.
Een nieuw idee
Dag allemaal,
Een nieuwe weblog waarop ik gedachten plaats die me bezighouden. Het is altijd moeilijk om
daadwerkelijk iets toe te voegen aan dit oneindige web, aan de andere kant is er dus genoeg ruimte voor een probeersel. Ik schrijf hier in verschillende vormen, met als hoofdreden dat ik graag speel met taal. Het is hobby, het is noodzaak, het is tijdverdrijf, het is ambitie.
Ik bespreek hier muziek, gedachtengangen, frustraties, wereldbeeld en de functies van taal en humor.
Liefs,
Gijs Klompmaker ( vrije Franse vertaling: Guy Sabotier )
|
About Me
« May 2012 »
| Mon | Tue | Wed | Thu | Fri | Sat | Sun | | | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 |
| 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 |
| 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 |
| 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 |
| 28 | 29 | 30 | 31 | |
Links
Categories
Emotie in Muziek Gedichten Hoofdzin Tip van de week Verhalen
Recent Entries
Taal De verwarring van Chiel Hoofdzin (1) Een nieuw idee
Friends
|