Weblog maken?


MaakEenWebsite.nl (tip)
Totaal slechts 10 euro per maand incl. domeinnaam en gratis overzetten van uw bestaande weblog bij Bloggers.nl 100 MB ruimte
emailadres
Lees meer..... en bestel
Gratis geld verdienen met e-mails lezen? Meld je aan bij
Zinngeld, Surfrace, Qassa en Euroclix !

Op zoek naar God?
Troelablog Home | Profile | Archives | Friends
Voor mijn columns over de rallysport kunt u terecht op http://www.eventandsportnews.eu (Troelatalk). In dit blog schrijf ik over alle andere zaken die mij bezig houden.

Preview van KARMA1/12/2016

1
Minister-president Pieter-Jan Groenewegen voelde zich al een tijdje niet lekker. Dat had hij nooit. Hij was in de kracht van zijn leven, sportief en gezond. Heel gezond volgens zijn artsen zeker als ze zijn leeftijd van 52 jaar in beschouwing namen. Helemaal in vorm voor de topsport die politiek heet. Hij dacht dat het vast door de stress van de laatste tijd kwam. Stress was hem norma-liter onbekend maar de afgelopen weken was het erg onrustig geweest in het kabinet en in het parlement. Daardoor had zelfs hij iets van stress gevoeld. Hij had constant allerlei brandjes moeten blussen. Een aftredende minister vanwege een buiten-echtelijk kind, het opkrabbelen van het land uit de crisis, de gevolgen van de genomen bezuinigingsmaatregelen, de onver-minderde stroom vluchtelingen die Europa en vervolgens het land binnenkwam, de vrije val in de peilingen van zijn partij, het gemor van het volk en de bijna dagelijkse aanvaringen met die nare rechts-populistische blaaskaak Ben Zwart. Hij kon die man wel schieten maar die gedachte hield hij wijselijk voor zich. Alles bij elkaar maakte dit het niet tot de leukste tijd van zijn premier-schap en zeker niet de rustigste.

Hoelang het geleden was dat hij zich niet lekker was gaan voelen, kon hij niet meer zeggen. Opeens was het er, eerst ergens sluimerend op de achtergrond, later zich aandienend op de voorgrond. De ene dag was het ook erger dan de andere maar de laatste dagen kreeg hij ook af en toe een pijnscheut. Hij nam zich voor om zijn dokter te bellen voor een onderzoek als de huidige periode, die aanvoelde als een orkaan van de klasse F5, voorbij was. Dat voornemen was ondertussen drie weken oud. Vandaag waren de pijnscheuten overgegaan in pijnscheuten met een constante zeurende pijn op de achtergrond die langzaam pijnlijker leek te worden. Het had hem uit zijn slaap gehouden. Daarom was hij midden in de nacht naar zijn matig gevulde medicijnkast gelopen om een Ibuprofen te slikken. Hij had een hekel aan pillen in zijn lijf maar nu moest hij wel. De pijn was een sterk signaal dat er iets niet helemaal of helemaal niet goed was. De pijnstiller hielp en hij viel in slaap. Uiteindelijk had hij een uur of drie geslapen toen de wekker ging. Meer was hem niet gegund.

Hij had weer een drukke dag voor de boeg maar dat was hij wel gewend. Het zoveelste vluchtelingendebat stond op de agenda. De situatie met al die vluchtelingen begon al aardig te verande-ren in een hoofdpijndossier. Hij voelde zich nog steeds beroerd maar the show must go on zelfs voor een minister-president met slaapgebrek en een pijntje.

Aangekomen in zijn werkkamer op het Binnenhof was het eerste dat hij deed zijn secretaris vragen om voor volgende week een uurtje in de agenda te reserveren voor een bezoek aan de dokter. Hij vroeg hem ook om direct een afspraak te maken. Terwijl hij de stukken voor het debat nog vluchtig doornam dwaalden zijn gedachten af en vroeg hij zich af wat hij mankeerde. Zijn secretaris kwam binnen en zei dat de afspraak gemaakt was. Net op dat moment kreeg hij weer een pijnscheut en nam nog een pijnstiller. Dat hielp. Hij pakte zijn dossiers op en liep naar de grote vergaderzaal.

Na afloop van het lange en vermoeiende debat reed zijn chauffeur hem terug naar huis. Met een goede cognac overliep hij de dag nog een keer. Hij was  niet ontevreden met het vluchtelingendebat. Hij had een goede indruk achtergelaten en de diverse vragen van de oppositie naar voldoening beantwoord. Zijn gedachten dwaalden af en kwamen terecht bij zijn pijn. Na een tweede cognac en twee pijnstillers ging hij naar bed. Daar volgde wederom een zo goed als slapeloze nacht. Hij begon te piekeren iets wat hij eigenlijk nooit deed. Het zal toch niet iets ernstigs zijn? Hij overtuigde zich ervan dat hij niet zo raar moest denken. Het zou wel meevallen. Hij was toch nooit ziek. Dat moest toch een garantie zijn voor de toekomst? Een uurtje voordat de wekker zou gaan, viel hij toch nog in een onrustige slaap.

2
De kinderkamer was donker, aardedonker. Alleen het zachte gloeien van een lampje in het stopcontact verbrak het zwart een beetje. Het was drie uur ’s nachts. Jeremy de Jong lag in zijn bed te slapen toen een man zijn kamer binnen kwam en het licht aan deed. Daarna maakte hij Jeremy wakker. Slaperig keek de 5-jarige jongen zijn vader aan. 

‘Kom mee Jeremy.’
‘Waarom pappa?’
‘Het gaat niet goed met mama. We moeten naar het ziekenhuis.’
Hij tilde zijn zoon uit zijn bed en hielp hem met aankleden. Ze liepen de trap af en gingen daarna naar de garage.
‘Mama is erg ziek hè’ zei de jongen.
Zijn vader zei niets terug. Hij hielp de jongen in de auto, stapte zelf in en startte de auto. Ze  reden samen het donker in.

Jeremy wist dat het al heel lang niet goed ging met zijn moeder. Hij wist eigenlijk niet beter dan dat ze ziek was. Ze lag al weer een tijdje in het ziekenhuis. Hij was er vaak geweest met zijn vader. Wat zijn moeder precies had, wist de jongen niet. In de wereld van een 5-jarige is dat ook niet het allerbelangrijkste. Buiten spelen blijft toch net iets leuker hoewel zijn moeder altijd blij was om hem te zien. Jeremy vond het ook fijn om naar haar toe te gaan.

De laatste dagen had ze minder uitbundig gereageerd als Jeremy bij haar op bezoek kwam. Ze leek vermoeider en kon haar aan-dacht er niet bijhouden als hij bij haar was. Ook viel ze steeds in slaap. Zijn vader had hem proberen uit te leggen wat er aan de hand was maar dat had hij niet helemaal begrepen.
‘Mama is heel ziek en heeft veel pijn. Ze krijgt pillen waardoor ze veel slaapt. Dan heeft ze minder pijn.’
‘En dat is goed hè pappa?’
‘Zeker.’
‘Wordt ze wel weer beter dan?’
Zijn vader had niet direct gereageerd. Hij had zelfs tranen in zijn ogen gekregen. Jeremy zag dat hij zijn hoofd afwendde. Even later had hij weer een glimlach op zijn gezicht. Het was geen echte glimlach hij probeerde zich groot te houden voor zijn zoon.
‘Dat hoop ik wel Jeremy.’
‘Dan vind ik het goed.’

Het ritje naar het ziekenhuis duurde niet lang. Toch viel Jeremy in slaap. Het was dan ook midden in de nacht. Nadat de vader de auto geparkeerd had, had hij zijn zoon wakker gemaakt. Ze liepen samen naar de ingang van het ziekenhuis. Aangekomen bij de afdeling waar zijn moeder lag zag Jeremy dat zijn vader werd opgewacht door een dokter. De dokter nam de vader mee naar een aparte kamer. Zijn vader draaide zich op weg naar de kamer om en zei dat hij wel naar zijn moeder mocht gaan. Een verpleegster liep met hem mee. Samen kwamen ze de kleine eenpersoonskamer binnen waar Jeremy haar zag liggen. Ze was wit, witter dan normaal. Ze leek bijna witter dan de lakens en ze leek te slapen. De verpleegster zei dat Jeremy er was. De vrouw in het bed draaide moeizaam haar hoofd om en deed haar ogen een heel klein stukje open.
‘Dag lieverd’ bracht ze moeizaam uit.
‘Dag mama’.
Hij klom zoals altijd op het bed en gaf haar een hele dikke kus. Hij zag de tranen over haar wangen lopen. Hij ging naast haar liggen en zei niets. Een paar minuten later kwam zijn vader binnen. Hij keek bedroefd en had rode ogen. Hij gaf zijn vrouw een zoen en tilde Jeremy op.
‘Het gaat niet goed met mama.’
‘Waarom niet?’
‘Ze is heel ziek en de dokters denken dat ze straks naar een andere plaats gaat.’
‘Gaat ze verhuizen dan?’
‘Zo kun je het zeggen.’
‘Mogen wij met haar mee dan?’
´Dat kan niet lieverd. Mama gaat naar een plek waar ze niet ziek meer is. Dat is veel beter voor haar.´
Jeremy keek naar zijn vader en zei dat hij het dan wel goed vond als hij af en toe maar op bezoek mocht. Hij zag nu ook bij zijn vader de tranen over de wangen lopen. Hij keek naar zijn moeder en zag een hele voorzichtige glimlach om haar mond. Toen hoorde hij een zucht, een lange diepe zucht en toen werd het stil. Het zware ademen van zijn moeder was verdwenen. Ze lag helemaal stil. Haar deken bewoog niet meer zoals die dat kort daarvoor nog wel deed. Zijn moeder was dood. Overleden aan de gevolgen van kanker.

Pas enkele weken later kon zijn vader hem precies uitleggen wat er gebeurd was. Het had Jeremy veel moeite gekost om dood zijn te begrijpen. Hij dacht dat hij met de vakanties gewoon naar zijn moeder kon gaan. Uiteindelijk begreep hij dat dat nooit meer kon. Gelukkig had hij zijn vader nog. Samen zouden ze doorgaan.

De eerste tijd na het overlijden was de vader van Jeremy terneergeslagen en erg verdrietig. Jeremy probeerde hem op te vrolijken en na enige tijd lukte dat ook. Ze gingen samen weer leuke dingen doen. Eindelijk gingen ze een keer naar de Efteling waar Jeremy al zolang om gezeurd had. Zijn hele klas was al geweest en hij niet. Hij genoot van de dag. Het was geweldig, echt geweldig. Wekenlang had hij het over de Efteling. De belangrijkste gebeurtenis tot op dat moment in zijn nog jonge leven.

Een maand of twee later was hij op school toen hij tijdens de les door de hoofdmeester uit de les werd gehaald. Hij werd meegenomen naar de aula waar hij een van zijn tantes zag. Ze keek verdrietig en nam hem mee naar het ziekenhuis.
´Waar gaan we heen?’
‘Naar je vader. Hij is ziek geworden en ligt in het ziekenhuis.’
Zijn vader lag alleen op een kamer en begon direct te huilen toen hij Jeremy zag.
‘Wat is er pappa?’
‘Ik ben ziek Jeremy en ik ga binnenkort naar mama toe.’
‘Dan kan ik mee toch?’
‘Nee lieverd dat gaat niet.’
‘O.’
‘Je mag zolang bij jouw tante wonen.’
‘O.’
De kleine jongen begreep niet wat er precies aan de hand was. Wel begreep hij dat zijn vader naar zijn moeder ging en hij niet mee kon. Hij kon per slot van rekening niet meer naar zijn moeder dat had hij inmiddels wel begrepen. Het maakte hem verdrietig.
‘Ik wil ook mee.’
‘Dat kan echt niet lieverd.’
Hij begreep het nog steeds niet waarom zijn vader naar zijn moeder ging maar ging toch met zijn tante mee. Hij had zijn vader een zoen gegeven en nog naar hem gezwaaid toen hij de kamer verliet. Zijn vader had terug gezwaaid. Een traan liep over zijn wang. Het was de laatste zoen naar later bleek. Hij zag zijn vader nooit meer levend terug. Twee dagen later overleed de man aan een erg agressieve vorm van kanker.

Vele jaren later begreep Jeremy pas echt wat er met zijn ouders gebeurd was. Hij verloor ze beiden binnen een hele korte tijd als gevolg van kanker. Als 15-jarige jongen las hij veel over de ziekte. Hij nam zich voor om zijn leven te wijden aan de bestrijding van deze ziekte. Hij was een briljante leerling en haalde de benodigde papieren. Na enige jaren in de praktijk te hebben gewerkt, besloot hij zich te richten op het onderzoek van de ziekte en het zoeken naar een medicijn. Hij was een briljante arts met opvallende inzichten en resultaten. Hij had snel naam gemaakt in de medische wereld. Zijn publicaties in vakbladen werden veel gelezen en positief onthaald. Hij besloot zich niet aan te sluiten bij een farmaceutisch bedrijf maar om zelfstandig onderzoek te gaan doen in een eigen laboratorium. Diverse stichtingen waren maar wat graag bereid om geld in zijn project te steken. Het budget was geen probleem. Hij verzamelde goede medewerkers om zich heen en ging aan de slag. Ergens op een onopvallend industrieterrein in een onopvallend gebouw had hij een state of the art onderzoekslaboratorium tot zijn beschikking. Hij werkte hard, erg hard. Misschien wel te hard. Het deerde hem niet. Wat hem betrof was er niets anders in zijn leven dan het onderzoek. Daarom was hij ook nooit getrouwd. Het duurde jaren voor hij resultaten begon te boeken. Op een mistige ochtend begin februari 2014 reed hij naar zijn laboratorium. In de auto overviel hem een idee, een ingeving, zijn Eureka moment. Dat zette het onderzoek totaal op de kop. Een jaar later was het zover. De vooravond van zijn doorbraak was daar. Een doorbraak die er zeker zou komen. De hele wereld zou zijn naam gaan kennen maar daar was het hem nooit om te doen geweest. Kanker zou bijna nooit meer een dodelijke ziekte zijn. Net als TBC. Voor zijn ouders en talloze andere mensen kwam het te laat maar hoeveel mensen zou hij kunnen redden? Hij glimlachte toen hij er over nadacht. Na al die jaren hard werken had hij zijn doel bereikt. Hij moest een nieuw doel gaan bedenken. Dat was niet moeilijk want er waren nog genoeg dodelijke ziektes die op hem stonden te wachten.

3
Pieter-Jan Groenewegen kwam uit een keurig en welgesteld gezin. Het had hem in zijn jeugd aan niets ontbroken. Zijn vader was minister en was dan wel niet vaak thuis maar de cadeaus die Pieter-Jan op zijn verjaardagen kreeg, maakten veel goed.
Zijn vader was een belangrijke politicus geweest. Een politicus met een rechtse signatuur. Hij was in zijn tijd een van de kopstukken van de VLP: de Vrije Liberalen Partij. Pieter-Jan was thuis opgevoed met de ideeën die zijn vader zo belangrijk vond. In zijn studententijd had Pieter-Jan wel eens geflirt met linkse denkbeelden, dat was studenten eigen, maar uiteindelijk geloofde hij daar toch niet in. Na zijn studie was hij op een groot advocatenkantoor gaan werken en politiek actief geworden in de jongerenafdeling van de VLP. Hij maakte op beide plekken snel carrière.
Na een paar jaar werd het moeilijk om beide activiteiten te combineren. Hij kwam voor de keuze te staan of hij de advocatuur zou blijven verblijden met zijn aanwezigheid of dat de politiek hem harder nodig had. Hij koos voor het laatste. Wat zou zijn vader trots geweest zijn als hij nog leefde. Helaas was hij twee jaar daarvoor overleden.
Bij de VLP werd de zoon met open armen ontvangen. De partij stond laag in de peilingen en had dringend behoefte aan een nieuw boegbeeld die het vastgelopen schip weer vlot kon trekken. Pieter-Jan bleek daar de aangewezen persoon voor te zijn. Hij had charisma, was een innemend persoon, kon uitstekend communiceren en wist pijnlijke boodschappen voor de kiezer zo te verpakken dat ze bijna klakkeloos werden geslikt. Vooral die laatste eigenschap werd door het bestuur van de partij enorm gewaardeerd. Soms leek het wel alsof de verlosser terug was gekomen als de jubelstemming in de partij de graadmeter zou zijn, was dat inderdaad het geval. Het duurde niet lang voordat de VLP in de peilingen weer begon te stijgen. Het ging zelfs zo goed dat de partij bij de laatste verkiezingen de grootste partij van Nederland was geworden. 

Groenewegen werd op een ochtend ontboden bij het partijbestuur en daar werd hem, onder genot van een goed glas cognac en een dure sigaar, gevraagd of hij ervoor voelde om minister-president te worden. Daar hoefde hij niet lang over na te denken. Natuurlijk wilde hij dat. Het hoogst haalbare in zijn vakgebied. Hij had als kleine jongen wel eens gefantaseerd dat hij topvoetballer zou zijn. Helaas vielen zijn voetbalkwaliteiten in de echte wereld zwaar tegen. Maar minister-president deed er, afgezien van het salaris, niet veel voor onder. Je kwam regelmatig op televisie en mensen vonden je opeens erg belangrijk. Zijn ijdele ego kon niet ontkennen dat hij beide feiten erg prettig vond. En het zou mooi staan in de lange familiegeschiedenis mocht die ooit geschreven worden.

Na de klinkende overwinning bij de verkiezingen viel het formeren van een regering nog niet mee. De verkiezingsuitslag was zodanig dat er geen duidelijke meerderheid van rechtse partijen was. Die combinatie had uiteraard de voorkeur van de VLP maar de kiezer had anders beslist. Er was de mogelijkheid om te gaan regeren met de VVH, Verenigd Vrij Holland van de rechts populistische Ben Zwart. Maar die partij had wel hele extreme ideeën over immigranten en geen enkel persoon in de gelederen met welke vorm van bestuurservaring dan ook. Na veel gesprekken werd uiteindelijk besloten tot de vorming van een minderheidsregering met de UVVA, Unie Van Verenigde Arbeiders. Wellicht een onwaarschijnlijke samenwerking maar er moest geregeerd worden. Dit betekende wel dat er bij elke beslissing steun bij de een of meerdere oppositiepartijen moest worden gevonden. Het was niet anders. Pieter-Jan zag dat als een grote uitdaging maar geen onmogelijke. Juist hij vond dat hij de aangewezen persoon was om bruggen te slaan in een tijd van crisis en sociale onrust. Eigenlijk wilde hij later als hij gepensioneerd was graag zijn naam in de vaderlandse geschiedenisboeken zien staan als de man die Nederland uit de crisis hielp richting ongekende groei en welvaart.
In de praktijk bleek dit nog niet zo mee te vallen. De crisis bleek hardnekkiger en dieper dan verwacht, de werkloosheid nam sterk toe en de stroom vluchtelingen vanuit diverse brandhaarden op de wereld was onverwacht en ongekend.

Het stond buiten kijf dat er impopulaire maatregelen genomen moesten worden en die vielen, zoals verwacht, niet goed in het land. En dan was daar nog Ben Zwart; de luis in de pels van dit kabinet. De man die oneliners uit zijn mouw wist te schudden alsof het hem geen enkele moeite kostte. De man had veel kritiek maar kwam nooit met oplossingen. Pieter-Jan kon zich enorm ergeren aan deze man maar moest hem wel serieus nemen omdat het leger van kiezers steeds meer sympathie kreeg voor de losse flodders van Zwart. In interne vergaderingen maakte Pieter-Jan wel eens de grap dat Zwart misschien wel de meest ontoepasselijke achternaam voor een politicus van de VVH had.

Er waren regelmatig aanvaringen in de kamer tussen de minister-president en Zwart. Daarbij overschreed de laatste vaak de normen van fatsoen althans dat vond Pieter-Jan. Maar na enkele “politieke moorden” in Nederland was de vrijheid van meningsuiting een groot goed geworden. Iedereen mocht zeggen wat hij of zij wilde. Dat vond Pieter-Jan prima maar Zwart zou dat wel eens wat fatsoenlijker kunnen doen. Maar aan de andere kant was een Ben Zwart die fatsoenlijker overkwam misschien wel een groter politiek gevaar dan hij in zijn huidige vorm was. Pieter-Jan liet hem daarom maar schreeuwen, liet het geschreeuw gewoon langs zich heen gaan en probeerde hem vooral met weerleggende feiten om de oren te slaan. Helaas onthield de zwevende kiezer alleen de oneliners en was doof voor de feiten. De peilingen bewezen dat onomstotelijk. De VVH was momenteel zelfs de grootste partij volgens de peilers.

Op een avond na wederom een stormachtig debat met wederom een gebruikelijke aanvaring met Zwart zat Pieter-Jan thuis met een glas cognac in zijn hand. Het was een gebruikelijk ritueel; de dag afsluiten met het goddelijke vocht. Het werkte altijd goed voor zijn humeur en het dempte de pijn.
Terwijl hij naar zichzelf zat te kijken in een item van het late journaal rinkelde zijn vaste telefoon.
‘Met Groenewegen.’
‘Het is gedaan zoals besproken.’
Pieter-Jan moest even nadenken wie hij aan de lijn had maar toen begreep hij wie hem op dat late uur nog belde.
‘Prima. Nog problemen gehad?’
‘Geen enkele.’
‘Mooi zo.’
Hij verbrak het gesprek en plaatste de telefoon weer terug in de oplader. Hij keek tevreden voor zich uit. Mooi dat het gegaan was zoals gepland. Hij nam een slok uit zijn glas en staarde tevreden voor zich uit.


4
Elk jaar op 15 april kwamen de 5 J’s bij elkaar op dezelfde plek: het Engeltje in Zwolle. Julian, Jan, John, James en Jeremy.
Het Engeltje was een kroeg die betere tijden had gekend, veel betere tijden  maar dat was al lang geleden. Het etablissement zag er nu behoorlijk haveloos uit. Vroeger was het de ‘place to be’ voor de jeugd van Zwolle. De zes vrienden van het St. Hubertus college kwamen er graag en vaak: tussenuren, uren na school, het hele weekend, ze waren er kind aan huis. Dit jaar waren ze er weer stipt om acht uur. Er werd nooit iets afgesproken. Ze waren er gewoon. De vrienden zetten aan het begin van elk jaar een groot kruis bij 15 april in de agenda.

Het was een bont gezelschap van mannen van begin veertig. Allemaal hadden ze de VWO gedaan en waren later uitgewaaierd in heel verschillende richtingen. James Verschuren was avonturier geworden, Jan Frijns accountant, John Cunningham deed iets met computers maar niemand wist precies wat, Julian de Graaf was soapacteur en Jeremy de Jong deed onderzoek. Gekscherend noemden ze zich de vijf J’s ook al hadden ze niets met Volendam of de palingsound of een combinatie daarvan.

Nadat ze elkaar allemaal hartelijk hadden begroet, gingen ze aan een tafeltje links achter in de kroeg zitten. Dat was hun stamtafel sinds mensenheugenis als je tenminste een jaar of 30 mensenheugenis kunt noemen. Het was deze woensdagavond erg rustig. Ze vonden het een wonder dat de zaak nog steeds open kon blijven. Na het uitwisselen van wetenswaardigheden en gebeurtenissen van het afgelopen jaar was het tijd voor een plechtig moment. Ze bestelden vijf exemplaren van de extreem vieze cocktail De Zwarte Pest, toosten met de woorden ‘op Jacob’ en sloegen het bocht in een twijfelende teug naar binnen. De Zwarte Pest was absoluut niet te drinken dat was hun gezamenlijke conclusie maar traditie was belangrijk dus elk jaar was het een kwestie van even doorbijten.  Jacob was de uitvinder en enige liefhebber van de cocktail.

Hij was de reden dat ze elk jaar op deze datum samenkwamen. Het was zijn sterfdag. Jacob Pietersen pleegde op 15 april 1991 zelfmoord. Ze namen het zichzelf nog steeds kwalijk dat dat gebeurd was. Meisjes, brommers en alcohol, in die volgorde waren belangrijker geweest dan hun vriend. Jacob was depressief geweest en had vaak signalen gegeven dat het niet goed met hem ging. Zij hadden die signalen wel gezien maar hadden het zogenaamd te druk gehad met veel belangrijkere zaken. Nadat Jacob begraven was, waren ze samengekomen in het Engeltje, hadden de favoriete cocktail van Jacob besteld en besloten er altijd voor de anderen te zijn. Ze zagen het als boetedoening voor hun jeugdige tekortkoming ten opzichte van Jacob. Die tekortkoming was niet meer te herstellen. Maar in de toekomst zouden ze die fout nooit meer maken.
Zo was de jaarlijkse traditie ontstaan; op de sterfdag van Jacob hem herdenken en zijn favoriete cocktail drinken.
Ook al zagen ze elkaar slechts een keer per jaar de band bleef en de stilzwijgende afspraak stond. Mocht iemand van de groep hulp nodig hebben dan volstond het om de anderen een bericht te sturen. Ze zouden dan direct opdraven. In de jaren tweeduizend spraken ze af dat een mail, sms of whatsapp met een codewoord genoeg was. Dat codewoord werd: “KARMA”. Lekker kort, klonk goed en had nog een betekenis ook. Als iemand van de groep iets werd aangedaan, zorgden zijn vrienden voor de juiste reactie: KARMA. Zoals het bedoeld was..

In de jaren na het overlijden van Jacob was het codewoord nog nooit gebruikt. Er waren geen grote problemen geweest. Het ging ieder in zijn eigen leven redelijk tot goed voor de wind. De Zwarte Pest werd weggespoeld met de nodige andere alcoholische versnaperingen die wel te pruimen waren en diep in de nacht werden er vijf taxi’s gebeld om iedereen naar huis te brengen. Zonder nieuwe afspraak te maken, wisten ze dat ze elkaar over een jaar weer zouden zien in het Engeltje als dat dan nog zou bestaan.

Enkele weken later kregen vier van de vijf J’s tegelijkertijd een sms-bericht op hun telefoons. Het was slechts een woord: “KARMA”. 

Permanent Link

Sneak preview van Overstuur17/11/2016

1
Wat het ook was, het maakte lawaai. Een irritant lawaai, waar elk weldenkend mens een eind aan wilde maken. Rechercheur Jan van Schie vormde daar geen uitzondering op. Loom bewoog hij zijn arm richting de bron van het lawaai en drukte op de snooze-knop van de wekker. Dat had niet het gewenste effect. Het lawaai bleef aanwezig. Traag opende hij een oog en gluurde naar de zojuist door hem betastte wekker.
“Waarom maakt dat verrekte ding nog steeds lawaai” vroeg hij zich slaapdronken af.
“En waarom maakt dat ding om 3.13 uur zoveel lawaai”. Voor het kwartje viel, verliepen er nog een lawaaiige seconde of tien.
“Shit, het is mijn telefoon”.
Hij pakte gezien het tijdstip en zijn toestand, toch nog redelijk snel zijn slimme telefoon.
“Met Jan” bracht hij met een donkerbruine slaapstem uit. Hij was een echt ochtendmens maar aan gestoord worden in zijn diepe slaap, had hij een grondige hekel.
“Baas, met Pieter”.
Pieter Buismans was Jan’s assistent. Over het algemeen een aardige jongen maar hij had er een handje van om op de meest onmogelijke tijdstippen te bellen. Daar kon hij uiteraard niets aan doen, maar vervelend was het wel.
“Waarom stoor je mij weer eens op een onmogelijk tijdstip?”
“De plicht roept, we hebben een dode man in een veel te dure auto gevonden”.
“Waar?”
“Op industrieterrein de Peel, vlakbij die garage waar je zo vaak rondhangt”.
“En hoe duur is die auto?”
“Hoe moet ik dat nou weten?”
“Omdat jij zei dat het een dure auto is”.
“Duh”.
“Ik ben er in 15 minuten”.
Ondertussen was hij aardig wakker en sprong, redelijk soepel voor zijn 51 jaar, zijn bed uit. Al die uren sportschool begonnen zich uit te betalen. Althans dat vond hijzelf. Wellicht dat zijn omgeving nog steeds zijn iets te grote buik zag. Snel hees hij zich in een spijkerbroek met bijpassende trui en liep beneden. Hij opende de voordeur en net als vele keren daarvoor moest hij glimlachen. Daar stond zijn “stoere” spaardiesel van de zaak. Zo’n wonder van zuinigheid, althans op papier. Hoe hij ook zijn best deed, het beloofde gemiddelde verbruik bleef onbereikbaar. Wel was het een automobiel waar elk sprankje rijplezier zorgvuldig was uitgefilterd.
“Daar ga ik weer met mijn zorgvuldig opgebouwde imago van autoliefhebber, op weg in iets waar ik niet in gezien wil worden” dacht hij.
Auto’s, daar kon hij uren over praten, over lezen en naar kijken. Zelf reed hij in een aangenaam fijne en natuurlijk snelle Ford. In zijn spaarzame vrije tijd werd er regelmatig enthousiast gestuurd in dit wonder op wielen. Enkele van zijn buren hadden hem proberen duidelijk te maken dat die Ford wel een heel opzichtig geval was, maar dat vond Jan een kwestie van smaak. En over smaak viel niet te twisten. Basta. Hij opende het portier van zijn donkerblauwe dienstauto, kroop kwiek achter het stuur en startte de auto. Het teleurstellende genagel deed zijn liefhebbershart een beetje pijn.
“De buurt zal weer blij met mij zijn”dacht hij.
“Maar aan de andere kant ben ik o zo goed bezig voor het milieu”.
Jan moest glimlachen om zijn eigen sarcastische gedachte. Hij reed de wijk uit, een typische rijtjeswoningenwijk. Het maakte hem niet uit. Een huis had nooit veel betekenis voor hem gehad. Hij was bijna nooit thuis. Veel meer dan slapen en eten, deed hij er niet. Waarom zou je dan een kast van een vrijstaand huis hebben?
Het was vijf minuten rijden. Veel te kort om het dieselaggregaat op temperatuur te krijgen. Het regende flink, wat het er niet echt aangenamer op maakte.
Toen hij vlak bij de doorgegeven plaats was, zag hij de blauwe zwaailichten al. Het was druk, maar een moord was hier ook zeer zeldzaam. Hij parkeerde langs de kant van de weg, stapte uit en groette Pieter, zijn zakelijke steun en toeverlaat en parttime wekdienst.
“Hoi Jan, jij bent er snel bij”.
“Inderdaad, kwiek en soepel als altijd”.
“En dat voor jouw leeftijd”.
“Ja, jonge man spot maar met de oudere medemens”.
“Sorry youngtimer”.
“En wat hebben we hier Pieter?”.
“Een jonge man in zo’n veel te dure benzineslurper”.
“Oh, je bedoelt een snelle auto”.
Pieter had niets met dure auto’s, sterker nog hij haatte auto’s. Hij vond ze het grootste gevaar voor het milieu. Zelf had hij er wel een maar dat bracht zijn beroep met zich mee. Hij reed er zo min mogelijk mee. De fiets was zijn vaste vervoermiddel. Jan liep richting de tent, die al over de auto was gezet. Persvrijheid vond hij prima maar er waren grenzen. Hij vond het walgelijk dat er foto’s van ongelukken binnen enkele minuten op sociale media circuleerden, zonder elk greintje respect voor de nabestaanden. Hij hield helemaal niet van kamperen maar met deze tent was hij blij. Mooi uit het zicht van zoekende lenzen. Goed geregeld door de vaste club medewerkers. Vrolijk groette hij enkele bekende politieagenten en liep de tent in.
“Dus”, fluisterde Jan.
De auto was wit, zwaar bespoilerd, een fantastisch ontwerp, geweldige wielen en heel toevallig zijn favoriete auto. Talloze uren had hij op Youtube naar beelden van de auto zitten kijken. En dat geluid. De auto stond stil maar hij kon het hysterische schreeuwen van de Metzger-motor horen. Briljant. Hij kreeg kippenvel.
 “Een Porsche 911 GT3 RS 4.0, die zie je niet vaak”.
Hij vond het een geweldige auto. Omdat er maar een beperkt aantal gemaakt waren, lag de vraagprijs voor een tweedehandsje al ver boven de originele prijs. Ondanks zijn niet vervelende salaris, zou deze auto altijd een droom blijven of een wens. Wellicht dat een keer op “de tiende van de maand”, het geluk hem zou toelachen. Hij wist dan zeker wat hij als eerste zou kopen. Jan genoot even van het lijnenspel van de auto en de bruutheid, die de auto uitstraalde. Vlak naast hem hoorde hij een vrouw lachen. Hij kwam weer bij zinnen. Meredith de Boer keek hem geamuseerd aan.
“Je staat in jezelf te praten en bijna te kwijlen Jan”.
“Heb je tissues bij je?” zei Jan lachend.
“Uiteraard, ik ken jou toch”.
“Jij bent altijd goed voorbereid”.
“Ja, dat is een vrouwendingetje”.
Ze lachten beiden. Voor een buitenstaander moet dat vreemd hebben geleken. Lachen bij een lijk. Meredith werkte bij de technische recherche en Jan kwam haar vaak tegen. Ze was 27 jaar en een topper in haar vak. Ze had dezelfde humor als Jan en hij mocht haar graag. Jan had grote waardering voor haar baan. Ga er maar eens aanstaan: op basis van soms hele kleine snippertjes bewijs, kon een dader worden veroordeeld. Op televisie waren er diverse CSI-series, waar elke moord, hoe ingewikkeld ook, binnen 41 minuten werd opgelost en elke dader ook overal en vooral veel DNA achterliet. De werkelijkheid was een stuk weerbarstiger. DNA was niet zo zaligmakend en onderzoeken duurden soms jaren. Maar ja, daar heeft het snelle Hollywood geen boodschap aan. Hij kon zich dat ook wel voorstellen: een langdradige film over een langdradig onderzoek zou de kassa’s van de filmmaatschappijen niet voldoende doen rinkelen.
“Wat hebben we hier Meredith?”
“Een erg dure auto met een erg jonge bestuurder die het niet meer doet. Hij is met een schot in het hoofd gedood en de schutter heeft de huls meegenomen, want ik kan geen huls vinden”.
“Klinkt als een professional”.
“Dat was ook mijn eerste gedachte Jan”.
“Verder is het opvallend dat het raam van de auto openstaat terwijl het regent en koud is. Onder de auto is het droog dus de auto staat hier al even want het regent al sinds het begin van de nacht”.
“Oke”zei Jan.
“Wie heeft de auto ontdekt?”
“Een beveiliger die zijn ronde deed, heeft het gemeld”.
Jan liep naar de bestuurderskant van de auto toe en keek door het openstaande raam. Hij zag het lichaam van een man, dat door het inregenen behoorlijk nat was geworden. De ruit aan de bestuurderskant was compleet vernield. Het gezicht van de dode was schuin weggezakt en Jan moest naar de andere kant van de auto lopen om het goed te kunnen zien. Hij opende de deur aan de passagierskant en bukte naar binnen. Het was inderdaad een jonge man. Gezien de kleding en sieraden die het slachtoffer droeg, moest het een rijke jongeman zijn maar dat had de auto al verraden. Jan trok twee rubberen handschoenen aan en draaide het gezicht van de dode langzaam naar hem toe. Het was direct overduidelijk dat het schot de linkerslaap van het slachtoffer was binnengedrongen. Rechts van het hoofd was geen wond, dus de kogel moest nog in zijn hoofd zitten. Jan keek rond in de auto maar daar was niets bijzonders te zien, behalve het prachtige interieur van de sportwagen. Jan keek nog een keer goed naar de dode jongeman en toen schrok hij.
“Dat zal toch niet waar zijn?”
“Wat zal niet waar zijn?” vroeg Meredith.
Jan keek nog een keer goed naar het lichaam. Hij vergiste zich niet, daar was hij zeker van.
“Ik ken hem”.
“Dat meen je niet”.
“Jazeker wel”.
“Wie is dit dan?”
“Dit Meredith, is Jack van Middelaar”.
“Jack wie?”.
“Jack van Middelaar, het grootste rallytalent uit de Nederlandse rallygeschiedenis”.

 

2
Jack van Middelaar, 26 jaar oud toen hij dood werd gevonden, gold niet alleen in Nederland als een uitzonderlijk talent. Ook ver buiten de grenzen van het kleine landje aan de zee, stond hij in de belangstelling. Hij ging altijd gelijk hard in een auto, ook al reed hij die voor de allereerste keer. Dat talent had hij altijd al gehad. Als klein jochie stapte hij ooit eens in een kart en binnen een paar ronden reed hij al met de besten mee. Dat ging zijn hele leven al zo. Alles kwam hem als het ware aanwaaien, hij hoefde er geen moeite voor te doen. Hij was daarnaast ook nog de zoon van Henk van Middelaar, een extreem geslaagd zakenman, inmiddels in ruste en ruim zittend in een aanzienlijke slappe was. Hij had zijn zoon altijd financieel ondersteund in zijn autosportcarrière. Na een aantal jaren karten, had Jack rondgereden in diverse raceklassen op Zandvoort. Maar in deze vaak winderige plaats al aan de zee, was hij tot de conclusie gekomen dat rijden op een circuit toch niet echt iets voor hem was. Hij wilde meer afwisseling, meer uitdaging, meer gevaar. Dat vond hij niet in steeds dezelfde ronde rijden. Hij vond uiteindelijk wat hij zocht in de rallysport. Hij was eens met een vriend van hem meegegaan naar een niet bijzonder opvallend industrieterrein in Amsterdam. Daar werd een rallysprint verreden. Zijn vriend had hem uitgelegd wat de bedoeling was en Jack had die middag volop genoten. Dwars gaan met auto’s, hard gaan met auto’s op de openbare weg daar had hij nog nooit van gehoord maar dit leek hem prachtig om te doen. Er werden zelfs rally’s verreden op buitenwegen, in bossen, op onverhard. Jack zag daar direct de uitdaging van in. Enkele weken later haalde hij na een korte cursus zijn rallylicentie. Dat het voor hem een makkie was is een understatement. De “cum laude” droop van zijn licentie af. De instructeurs zagen direct zijn talent en vertelde dat hij daar iets serieus mee moest gaan doen. Vanaf die dag stond zijn leven in het teken van de rallysport, uiteraard mogelijk gemaakt door een bijdrage uit de bodemloze schatkist van zijn pa. Henk vond de nieuwe wending van de sportieve carrière van zijn zoon wel vermakelijk. Vroeger had hij zelf ook nog het stuur van een rallyauto ter hand genomen. Hij had deelgenomen aan diverse Nederlandse wedstrijden in de jaren negentig van de vorige eeuw. Henk moest lachen, hij werd oud en daarbij hoorde het frequent terugdenken aan vroeger. Hij had altijd in topwagens gereden want geld was geen probleem. Zijn favoriete auto was de Ford Escort Cosworth. Wat een brute bak was dat. Zelfs een leek kon zien dat met zo’n auto niet te spotten viel. En mocht er nog een enkele leek zijn die dat niet zag, dan werd die wel wakker geschud door de over bemeten taartschep op de achterkant van de auto. Of was het een picknicktafel? En dan was er nog dat hemelse geluid. Henk voelde zich bevoorrecht om in zoiets moois te kunnen rijden. Hij had niet echt een serieuze deuk in een pakje boter kunnen rijden, want in tegenstelling tot zijn zoon, moest hij het niet van zijn talent hebben. Toch eindigde hij wel eens bij de beste tien. Hij had zich wel elke wedstrijd goed vermaakt. Meedoen is belangrijker dan winnen, De Coubertain, stichter van de moderne Olympische Spelen, had gelijk vond Henk. Hij had ook nooit de illusie gehad om te kunnen winnen. Hij reed tegen mannen als Doctor, Vink, Vossen, Van den Hoorn, De Jong en natuurlijk Bosch en lag al voor de start een straatlengte achter. En dat maakte hij niet goed, ook niet door in topmateriaal rond te rijden. De genoemde mannen, dat waren grote namen in hun tijd, erg snelle mannen. Ondanks dat, genoot Henk toch met volle teugen. Na een jaar of drie had hij het wel gezien en had zich, precies tegenovergesteld aan zijn zoon, gestort op het racen op het circuit. Dat ging hem toch wat beter af. Hij volgde de rallycarrière van zijn zoon nauwlettend en zag al snel dat Jack uitstekend op zijn plaats was in deze sport. Net zoals Henk zijn handel had aangepakt, ging hij nu ook zeer voortvarend aan het werk. Er werd direct een rallyteam opgezet, de beste mensen werden aangenomen, er werd een topauto gekocht en de beste spullen werden aangeschaft. Aan de basis zou het niet liggen, Jack moest het nu afmaken. En hij stelde zijn vader uiteindelijk niet teleur. Hij kwam zelfs verder dan zijn vader ooit gehoopt had en kwam zelfs verder dan een Nederlandse rallyrijder ooit gekomen was. Hij schreef geschiedenis, Nederlandse rallygeschiedenis. Maar niet zoveel als hij gewild had.

Permanent Link

162. Ruimte (deel 1)16/2/2016

Ik ben van nature iemand die over veel zaken nadenkt. Soms is dat best lastig bijvoorbeeld bij een last minute beslissing. Op andere momenten is het best wel prettig, zeker als ik mijn grote fantasie de vrije loop kan laten en een eind de ruimte in kan denken.

Over de ruimte heb ik al vaak en veel nagedacht. Ik zie de ruimte regelmatig en bij voorkeur in het donker. Een van mijn grootste hobby’s, de rallysport, brengt mij vaak in aanraking met de ruimte. Je staat dan ergens in Nederland of een van de omringende landen ergens in een weiland te wachten op rallyactie en dan gaat je blik wel eens om hoog. Als de avond is gevallen en bij helder weer kun je een prachtige sterrenhemel zien. Talloze stipjes zijn even zoveel talloze sterren en doen je beseffen dat ik als bewoner van de aarde wel een heel erg klein onderdeeltje van het geheel ben. Als je dat in een getal zou willen uitdrukken zou je erg veel nullen en dan nog een paar nullen achter de komma nodig hebben. Maar waarom zou je dat willen? Tijdens een vakantie in Zwitserland heb ik boven op een berg naast een stuwmeer ook een prachtige blik in de ruimte kunnen werpen. Het was daar compleet donker en nog nooit voelde ik de nabijheid van de ruimte zo dichtbij, hoewel dat uiteraard een vreemde constatering is als je het over de ruimte hebt.

De ruimte is enorm groot, nog nooit is een naam zo toepasselijk geweest. De afstanden in de ruimte worden niet in kilometers uitgedrukt maar in lichtjaren. De snelheid van het licht per seconde is gigantisch laat staan per jaar en dan te bedenken dat het heelal miljarden lichtjaren groot is. Je staat dan misschien naar dingen te kijken die er helemaal niet meer zijn. Bizar. En wat te bedenken van mijn favoriete ruimteverschijnsel, de zwarte gaten. Plekken waar de zwaartekracht zo groot is dat niet alleen materie maar ook licht erin verdwijnt. Een soort gootsteenputje maar dan iets groter en iets fanatieker. Het gaat mijn verstand ver te boven maar toch is het er.

Stel nou dat je met je ruimteschip op weg ben naar weet ik waar en dat je TomTom zegt over 200 meter linksaf en dat blijkt dat je niet de meest recente kaarten hebt. Dan vlieg je zo maar een zwart gat in en kom je nergens uit. Of toch wel? Kom je dan in een parallelle ruimte, die misschien nog groter is dan de onze? Of beland je dan op een enorme schroothoop, die wel erg ruim verlicht is omdat er zoveel licht in is blijven hangen dat niet kan ontsnappen? Zou je daar ook de recentelijk ontdekte zwaartekrachtsgolven voelen? Zou je daar zeeziek van kunnen worden?
En zou je er Wordfeud (Scrabble voor de ouderen onder ons) kunnen spelen en met zwaartekrachtsgolven enorm veel punten scoren?

 Nadenken over de ruimte levert veel vragen op en weinig antwoorden. Ik zal er nog veel over nadenken. De ruimte, ik ga daar vast nog vaak over schrijven en dan vooral over de vragen.

Permanent Link

161. Op fietse11/2/2016

Ik was er even aan toe. Ik moest het liedje ‘Op fietse’ van Skik even opzetten. Ik word er vrolijk van. Nou ben ik in het algemeen erg vrolijk en kan enorm genieten van kleine dingen. Een zwerm koolmeesjes die even met mij meefietsen terwijl ik aan het fietsen ben. Een schaap dat mij nakijkt als ik voorbij rijd en schaapachtig niets staat te denken. Mijn twee katten die het wederom presteren samen op mijn schoot te liggen terwijl het eigenlijk niet past. Mijn vrouw die na een werkdag thuiskomt. Een glimlachende baby, een vluchteling die leert fietsen. Ik word er allemaal vrolijk van.
Net als iedereen behalve mijn moeder, ben ook ik regelmatig online. Het nieuws bijhouden, mijn geschriften verspreiden of mijn boeken aan de man en of vrouw brengen, het is er handig voor. Ik kijk ook wel eens naar de reacties op het nieuws maar heb vandaag besloten daar volledig mee te stoppen. Zelfs bij het meest positieve nieuws zijn er nog mensen die negatieve reacties kunnen geven. Wat is ons land enorm verzuurd zeg. Of zijn dit beroepszeikers die niets beters te doen hebben? Ik kan hier talloze voorbeelden geven maar daar heb ik geen zin in. Dat zou dit stuk enorm verzuren. Stelt u zich eens het meest positieve nieuws voor dat u kunt bedenken. Heeft u dat in uw hoofd en wordt u er vrolijk van? Ik kan u garanderen dat Joice4529, Henk98129 en Piet Pietjes er wel iets negatiefs over kunnen verzinnen, lekker gezeten achter hun anonieme toetsenbord. Waarom kunnen mensen alleen maar negatief zijn? Zou een positieve kijk de wereld niet veel mooier maken. Ik weet dat er grote problemen zijn maar die los je zeker niet op met een dagelijks zuurbad in de vorm van negatieve commentaren. ‘Op fietse’ staat op repeat. Ik ben weer vrolijk. Vanaf nu negeer ik de zuurtegraad in Nederland en probeer de uitslag van de lakmoesproef van ons land van diep rood in blauw te veranderen. Doet u mee of heeft u een negatieve reactie voor mij in petto?

Permanent Link

160. Tijdreizen? 8/2/2016

Ik heb de laatste tijd veel nagedacht over het concept van reizen in de tijd. Eigenlijk zijn wij allemaal tijdreizigers omdat we elke seconde een seconde ouder worden. Natuurlijk is dit niet wat onder tijdreizen wordt verstaan. Bij tijdreizen gaat het om terug gaan in de tijd of om een sprong richting de toekomst te maken.

Hoe zou tijdreizen in zijn werk gaan? In films is het altijd een apparaat met veel lichteffecten en een soort spiraaleffect. Ik denk dat tijdreizigers de kotszakjes bij de hand moeten houden want het ziet er in het algemeen niet comfortabel uit. Uiteraard is tijdreizen momenteel onmogelijk maar zeg nooit nooit. De mens wordt steeds slimmer. Wel is er een hardnekkig gerucht dat bij onze Zuiderburen een machine is waarmee je kunt reizen in de tijd. Het zou een uitvinding zijn van een professor genaamd Barabas. Opvallend is wel dat niemand deze professor ooit in levende lijve heeft gezien.

De gedachte achter tijdreizen is dat je in het verleden kunt kijken hoe het was of in de toekomst hoe het wordt. Als het bij observeren bleef, zou er niets aan de hand zijn. Maar wat nu als je als tijdreiziger zou ingrijpen in die andere tijd? Heeft u Back to the future gezien? Dan weet u wat de gevolgen kunnen zijn. Ingrijpen in de andere tijd zou gevolgen hebben voor de huidige tijd.

Stel nou dat Hitler in zijn jeugd was overleden, hoe had de wereld er dan nu uit gezien? Wie het weet mag het zeggen. Dat de wereld de laatste tijd ook niet een ideale plek is om te zijn, zien we elke avond in het nieuws. IS, vluchtelingen, honger, onverdraagzaamheid, noemt u maar op. Er is van alles aan de hand en zou dat te veranderen zijn? Theoretisch wel maar zou dat goed zijn? Zo verschillend als mensen nu denken, zo verschillend zou hun ingreep zijn. We zijn het nu niet eens dus ook niet over de aanpassing van de andere tijd. Wat er zou gebeuren is dat er naast ellende in de tegenwoordige tijd, ook ellende in het verleden of toekomst zou ontstaan. Nee, wat mij betreft moet dat tijdreizen maar even niet worden uitgevonden. We hebben al ellende genoeg.

Permanent Link

159. Sjoemelen2/2/2016

Sjoemelen heeft vele synoniemen: bedrog plegen, frauderen, knoeien, niet eerlijk doen, oneerlijk handelen, oneerlijk zijn, vals spelen, zwendelen. Het mag duidelijk zijn dat sjoemelen niet iets positiefs is. De mens heeft het nodig om af en toe te sjoemelen om daardoor meer te bereiken dan wat ze in zijn/haar mars heeft. Sport is een ideaal gebied om te sjoemelen. Bij sport proberen mensen beter te zijn dan hun tegenstanders. Lukt dit niet dan zijn er sporters die hun heil zoeken in prestatieverbeterende middelen. Worden er bij de sport hulpmiddelen gebruikt, dan kan daar ook mee gesjoemeld worden.

Het woord doping valt regelmatig bij diverse sporten, waarbij enkele sporten wel erg vaak genoemd worden. Door doping zou een mens sneller of sterker worden of het uithoudingsvermogen vergroten. Steeds worden er nieuwe middelen gebruikt waar de dopingwaakhond dan weer opsporingsmethoden voor moet verzinnen. Dat kost vast handen met geld. Wat als we doping gewoon zouden toestaan? Zou veel geld schelen en de verschillen tussen sporters zouden kleiner worden. Theoretisch zou er dan ook gewoon gestopt kunnen worden met doping. Tel uit je winst.

Afgelopen weekend werd bij het WK veldrijden in Zolder een fiets van een deelneemster in beslag genomen. Daarin was op onzichtbare wijze een motor ingebouwd, waardoor ze met dezelfde inspanning een stuk sneller zou kunnen rijden. Slim bedacht uiteraard maar dat soort dingen gaan opvallen. Als je op een helling opeens hard van de tegenstanders wegrijdt, kun je er donder op zeggen dat kenners dat vreemd vinden. Iemand die zoveel beter is als de rest, komt tegenwoordig automatisch in de schijnwerpers te staan en dan niet alleen in positieve zin.

Zou Bob Beamon bij de Olympische Spelen in 1968 hulp hebben gehad toen hij het wereldrecord verspringen in een keer met 55 centimeter verbeterde en dat in een sport waar het slechts om enkele centimeters gaat? Was het doping, had hij hulpveren in zijn schoenen of was hij gewoon zo goed? Dit is de gedachte anno 2106. Volgens de overlevering was in 1968 de pers lyrisch en is het woord doping geen een keer gevallen.

Terug naar het Belgische meisje. Ik zag haar huilend op televisie verklaren dat ze er niets vanaf wist. Ik vond het zielig, erg zielig. Maar het feit dat er gesjoemeld werd, is ook een feit. Het zal iemand in haar begeleidingsteam zijn die de kwade genius is. Zou ze het echt niet hebben gemerkt dat ze op een bepaalde fiets wel erg ‘goede benen’ had? Of is dat weg te schrijven als het snelle verbeteren van de vorm bij een beginnende topper? Wat er ook gebeurd is ze zal aan de schandpaal worden genageld, misschien is haar carrière wel in een klap over. Wat als we naast het sjoemelen door middel van doping ook het mechanische sjoemelen zouden toestaan. Dat kan daar ook mee gestopt worden.

Maar sjoemelen wordt niet toegestaan. Het is oneerlijk om te sjoemelen. Zo wil een mens toch niet winnen? Blijkbaar wel want er wordt gesjoemeld. Is het zoet van de overwinning zodanig zoet dat het het gesjoemel waard is? Dat je gepakt wordt en dat een carrière abrupt beëindigd? Ik kan mij niet voorstellen dat je na afloop van een sportcarrière met trots terugdenkt aan die ene grote prijs die je binnen hebt gehaald met sjoemelen. Of juist wel en is de sjoemelaar vergeten dat hij of zij sjoemelde?

Het blijft een raar fenomeen het concept mens.

Permanent Link

158. Om een kort verhaal lang te maken26/1/2016

Regelmatig zie ik korte berichten in de krant of op teletekst, die meer vragen oproepen dan ze beantwoorden. Er wordt gemeld dat er iets gebeurd is maar het hoe, waarom en vooral de afloop blijft vaak onduidelijk. Bij ons thuis zeggen we dan wel eens ‘schrijf dan niets’. Ik begrijp dat een tekstbrengend medium vaak gebonden is aan een maximale omvang van een stuk. Maar helderheid is toch ook erg prettig. Hieronder vier voorbeelden van hetzelfde ongeluk. Uiteraard heeft versie vier mijn voorkeur.

Vanmiddag zijn in Emmeloord twee auto’s tegen elkaar gebotst. De inzittenden kwamen met de schrik vrij.

Vanmiddag rond een uur of drie zijn op de Lange Dreef in Emmeloord twee rode auto’s tegen elkaar gebotst. De twee inzittenden waren erg geschrokken maar hadden geen verwondingen.

Donderdagmiddag om 14.55 uur zijn op de Lange Dreef in Emmeloord ter hoogte van de Rabobank, een rode Opel Astra en een eveneens rode Toyota Starlet tegen elkaar gebotst. De twee inzittenden, de Astra bestuurder van 71 jaar en de Startlet bestuurder van 19 jaar waren erg geschrokken wat bleek uit het feit dat ze beiden behoorlijk in de war waren. Gelukkig hadden ze geen letstel opgelopen, wat werd vastgesteld na een nauwkeurig onderzoek door het personeel van de in aller haast opgetrommelde ambulance.

Op 21 januari jongstleden, een regenachtige donderdagmiddag om 14.55 uur, heeft er een ongeluk plaatsgevonden in het prachtige dorp Emmeloord, dat midden in de Noordoostpolder ligt en vernoemd is naar een dorp dat vroeger op het voormalige eiland Schokland lag, tegenwoordig officieel werelderfgoed en in bezit van een officiële postcode. Het ongeluk vond plaats in het bruisend hart van Emmeloord op de Lange Dreef ter hoogte van het kantoor van de Rabobank, waar net een bijeenkomst van starters op de huizenmarkt aan de gang was. Het ongeluk bestond uit het botsen van twee rode auto’s waarvan de kleur rood niet helemaal overeenkwam. Apart bekeken kun je spreken over dezelfde kleur rood, maar naast elkaar bleken er toch nuanceverschillen in beide kleuren te zijn. De auto’s waren een rode Opel Astra 2.0 benzine met een turbo uit 2014, voorzien van alle opties die op deze auto geleverd konden worden. De andere auto betrof een Toyota Starlet 1.3 benzine met een automatische transmissie en gebouwd in 1986. De 71 jaar oude bestuurder van de Opel Astra is woonachtig in St. Jansklooster en een gepensioneerde vrachtwagenchauffeur die tijdens zijn werkzame leven goederen vervoerde van Nederland naar Spanje. De 19 jaar jonge bestuurder van de Toyota Starlet is afkomstig uit Emmeloord en is zeven weken in bezit van zijn rijbewijs. De Toyota is zijn eerste auto die hij kort na het behalen van zijn rijbewijs in Schoonhoven had gekocht. De politie denkt dat de natte weg, de hoeveelheid neerslag die op het moment van de botsing viel en het niet opletten van een van beide bestuurders, ertoe heeft geleid dat een van hen het rode verkeerslicht heeft gemist en genegeerd. De impact van de botsing was gezien de hoeveelheid schade bij voornamelijk de Toyota aanzienlijk. Omdat beide bestuurders nog in hun auto’s zaten en de aard van de schade, vonden de jonge mannelijke agenten, die het  eerst bij het ongeluk aanwezig waren, het raadzaam om een ambulance op te roepen. Deze was binnen drie minuten ter plaatse omdat het ongeluk niet ver gebeurde van de vaste standplaats van in 2013 door de Gemeente Noordoostpolder nieuw aangeschafte ziekenwagen. De ervaren ambulancebemanning heeft beide bestuurders geholpen en onderzocht. Na dit uitgebreide onderzoek, bleek dat schrik de bestuurders wat had verlamd en dat dat de reden was dat ze nog in hun auto’s zaten. Beide bestuurders konden op eigen kracht hun gehavende voertuigen verlaten en hadden geen pijnklachten. Er was slechts sprake van een hoge bloeddruk, een versnelde ademhaling en een verhoogde hartslag. Deze verschijnselen komen vaker voor bij personen die een dergelijk ongeluk hadden meegemaakt. Het ambulancepersoneel verliet daarom de plek des onheils, omdat ze verder niets konden betekenen. De politie zorgde voor een sleepdienst, die beide wrakken vakkundig afvoerde. Naar de beste inschatting van de chauffeur van de sleepwagen, was de Toyota zeker total loss en leek het erop alsof de Astra nog wel te repareren was. Beide bestuurders werden door gebelde familieleden opgehaald en de agenten zorgden ervoor dat de plek netjes werd opgeruimd. Toen de deelnemers van de bijeenkomst in de Rabobank om 17.03 uur het gebouw verlieten, viel hun niets bijzonders meer op aan de plek die ruim twee uur daarvoor het toneel was geweest van het ongeluk.

Permanent Link

157. Stelviooooooooooooooooooooo!21/1/2016

Kent u de Stelvio? Of als ik het goed zeg, de Passo dello Stelvio. Het is een beroemde berg in Italië waarvan de pas op exact 2.758 meter hoogte ligt. Iets hoger dan we in Nederland gewend zijn. Deze bergpas is wereldberoemd bij fietsers, motorrijders en automobilisten. Het is er in het hoogseizoen ook erg druk. Het is een hele lange en stevige klim om boven te komen. De klim vanuit Prato dello Stelvio is de beroemdste kant met zijn 48 haarspeldbochten. U heeft daar vast wel eens een foto van gezien.
Een jaar of acht geleden ben ik met mijn vrouw in die streek op vakantie geweest, met als hoofddoel om de Stelvio met de auto te beklimmen. Dat is uiteindelijk diverse keren gelukt en van beide kanten. Ik ben een enorme autoliefhebber en ben een fan van bergen vanwege het karakter van de wegen die er overheen gelegd zijn. Vaak kronkelend, vaak smal, soms zonder vangrail en altijd met prachtige vergezichten en diepe dieptes waar je redelijk lang onvindbaar kunt blijven als je een stuurfout maakt. Die vakantie hadden we nog een Ford Fiesta ST: voldoende vermogen, een prima onderstel en dus was plezier verzekerd. In de bergen moet ik altijd eerst een knop omzetten. Ik heb namelijk last van hoogtevrees dus de eerste dag is het altijd wennen aan de afgronden. Gelukkig zat ik die vakantie aan het stuur en dan heb je er minder last van. Toch was er iemand in de auto die minder enthousiast was….
De beklimmingen en afdalingen van de Stelvio gaan in het algemeen niet hard omdat het er best druk is en niet iedereen even ervaren is in het bedwingen van bergen. Maar ja, je hebt per slot van rekening vakantie dus wat zou je je druk maken.
In een van de afdalingen heb ik nog leuk gespeeld met twee Engelse Aston Martins, die ik moest laten gaan toen de opeens lege wegen rechter werden. Iets met toch net te weinig paarden aan boord hebben.
Na de eerste beklimming hebben we een broodje worst gegeten, dat werd verkocht door een man met een puntmuts en een baard (nee hij was niet blauw). Hij vroeg waar we vandaan kwamen en na ons antwoord ‘Piet Hein zijn naam is klein’ begon te zingen. Een zeemansmomentje boven op een berg, bijzonder. We hebben ons zelf vereeuwigd bij het bord met de hoogte erop en een vriendelijke Italiaan gekiekt die ook een fotobewijs van zijn beklimming wilde hebben. Hij was op de fiets.
Ja, fietsen zie je er veel. Ik heb er talloze ingehaald. Wij kwamen een keer halverwege de klim twee in het blauw geklede mannen tegen. Op hun shirt stond de naam van een Utrechtse wielervereniging gedrukt. Ze hadden het erg zwaar. We lieten ze al snel achter en hebben gedurende de rest van de klim steeds blauwe mensen uit Utrecht ingehaald. Boven gekomen zaten er ook een aantal op een terras. Die waren blij dat ze het gered hadden. Ik vroeg mij toen bijna hardop af wat er zo leuk was aan het op de fiets bedwingen van de Stelvio.
We zijn nu een jaar of acht later en in ben zelf een regelmatige fietser geworden. Ik vind het beklimmen van een viaduct al meer dan genoeg. Klimmen is niet mijn favoriete onderdeel van het fietsen. Zeker niet als er meer dan 22 kilometer geklommen met worden. Maar toch, op een zonnige ochtend als er weinig wind staat, hoor ik wel eens een klein stemmetje achter in mijn hoofd zeggen dat het beklimmen van de Stelvio toch wel heel geweldig zou zijn. Misschien dat ik ooit nog eens dat stemmetje ga volgen.

Permanent Link

156. Wordt er nog gemikt op dikkerds?15/1/2016

Een tijdje geleden liep ik langs het speelplein van een kleuterschool. Het was pauze en droog dus de toekomst van ons land, was uitbundig aan het spelen. Het geluidsniveau was behoorlijk hoog. Tenminste dat vond ik. Wellicht komt dat omdat ik geen kinderen heb. Ouders lijken vaak gewend te zijn tegen het gegil. Of zijn ze gewoon een beetje doof geschreeuwd?
Enfin, ik zag een aantal jongens voetballen op een prachtig ommuurd veldje. Dat verbaasde mij nog een beetje want kijkt de jeugd tegenwoordig niet hele dagen op van die kleine schermpjes om te zien wat ze missen terwijl ze op die kleine schermpjes kijken?
Ik dacht terug aan de tijd dat ik de kleuter- en tienergerechtigde leeftijd had. Wij hadden slechts een leeg schoolplein. Maar dat belette de voetbalactiviteiten niet. Er werd ook veel geknikkerd. Niet de vorm dat je net als golf in zo min mogelijk worpen een knikker in een kuiltje moet krijgen. Bij ons was het ‘met een knikker mikken op doelen’ in trek. Dat was nog een hele religie op zich met een dik boekwerk aan regels waar geen boek van bestond. Met een knikker kon je mikken op een doel dat uit andere knikkers bestond. Elke knikker stond voor een tegel. Dus mikte je op vijf knikkers die keurig op rijtje lagen, dan was de afstand waarvan je moest gooien vijf tegels. Een dikkerd was een grotere knikker die mocht worden bestookt om te worden geraakt vanaf een afstand van tien tegels. Een knoet was de grootste en dus  groter dan een dikkerd. Twintig tegels waren zijn schootsafstand, toch ruim zes meter. Ons schoolplein bestond uit stoeptegels dus over de afstand viel niet te discussiëren, die was duidelijk. Op een rij zaten kinderen die hun doel hadden geïnstalleerd en riepen ‘wie mikt er op vijf knikkers’ of  ‘wie mikt er op een dikkerd’ om de aandacht te trekken in de hoop dat velen een vruchteloze poging zouden wagen. Als de durfal het doel miste dan was de geworpen knikker voor de doeleigenaar. Werd het doel geraakt dan was dat voor de fortuinlijke werper. Zowel door de werper als doeleigenaar werd de structuur van de tegels nauwkeurig bestudeerd. Was het hobbelig of juist glad. Hele studies werden daar aan gewijd. Knikkeren, ik was er niet goed in maar vond het wel leuk. Wordt er eigenlijk nog geknikkerd op schoolpleinen of is ook dat vervangen door virtueel knikkeren op een klein schermpje?

Permanent Link

155. Warme bruine jongens7/1/2016

Binnenkort is het al weer vier jaar geleden dat ik mijn laatste werkdag had. Heel plotseling was er het afscheid. Mensen vragen mij wel eens of ik het werk mis. Mijn eerlijke antwoord is dan: nee, helemaal niet. Ik heb het inmiddels druk met andere dingen en verveel me geen moment. Ik word trouwens nog wel eens geconfronteerd met mijn werk. Met enige regelmaat droom ik dat ik het erg druk heb. Dat de stapels werk harder groeien dan ik ze kan wegwerken. Of dat er een belastingcontrole is met een strenge controleur in zwart leer die een foutje in een administratie heeft gevonden.
Of ik mijn collega’s niet mis, is vaak de tweede vraag. Natuurlijk wel. Met sommige heb ik jarenlang vele uren in dezelfde kamer doorgebracht. Uiteraard mis je ze dan, zeker omdat we goed met elkaar konden opschieten. Maar ik zie diverse collega’s nog wel hoor. Het duurt dan precies 9,5 seconde en dan is het weer net als vroeger. Of je eigenlijk niet weggeweest bent. Maar ik kan mijzelf uitstekend in mijn eentje vermaken, ik heb daar geen andere mensen voor nodig. Dat is iets wat ik altijd al heb gehad. Dus mensen missen doe ik ook niet echt.
Toch is er iets wat ik wel heel erg mis: de warme bruine jongens. Als er wat te vieren was, hielp ik altijd bij de versiering. De aan de telefoonhoorn geplakte ballon was altijd mijn handelsmerk. Ook was ik de bedenker en opsteller van het zogenaamde traktatiereglement dat elke nieuwe collega kreeg overhandigd. Een opsomming van blijde gebeurtenissen en gebeurtenissen die mensen misschien niet traktatiewaardig zouden vinden, in de vorm van een lange lijst. Trakteren werd op prijs gesteld maar was zeker niet verplicht. Een “hoe heurt het eigenlijk” van onze afdeling. Ik hoorde laatst dat dit document nog steeds wordt gebruikt! Kijk dan heb je toch een mooie erfenis achtergelaten en leeft je naam voort. Gevolg van dat reglement was dat er eigenlijk wel vaak getrakteerd werd. Favoriet op onze afdeling waren de saucijzenbroodjes van de plaatselijke bakker, een delicatesse. Een golf van enthousiasme ging over de afdeling als er weer een grote doos met geurende broodjes werd binnen gebracht. Thuis heb ik dat niet. Er zijn geen redenen om te trakteren afgezien van mijn verjaardag of trouwdag. Dus het aantal traktaties staat sinds mijn laatste werkdag op een historisch laag niveau. Afgelopen dagen was ik er even tussenuit en in een museum in Leiden zag ik ze opeens liggen: saucijzenbroodjes. Ik heb er een soldaat gemaakt. De kwaliteit was niet van het niveau van vroeger maar lekker genoeg. Ik moest opeens aan mijn ex-collega’s denken. En aan de warme bruine jongens want zo noemden wij ze vroeger. Wat mis ik die jongens!

Trouwens: nog de beste wensen en een gezond 2016 voor u en uw naasten.

Permanent Link

154. Ton Quichot14/12/2015

Afgelopen zondagochtend zat ik weer eens op mijn stalen ros. Dit keer reed ik eerst richting het Westen om bij Espel richting het Noorden te gaan. Vlak na Espel kwam ik een abri tegen. Op zich niet opvallend bij een bushalte, ware het niet dat het glas van deze abri uitgespreid lag over het fietspad. Er was sprake van Oudhollands vandalisme. Ik reed door richting Creil en boog naar links richting Rutten. Voor ik in Rutten aankwam, ontmoette ik nog twee abri’s, die die naam niet meer verdienden. Ook hier was het glas met veel geweld uit de sponningen verwijderd. Duizenden stukjes glas op het fietspad waren de stille getuige. Dit soort dingen maakt mij zo triest en boos tegelijk. Krijgt niet iedereen in zijn opvoeding mee dat je van de spullen van een ander moet afblijven? Waar gaat het dan mis? Is het een kwestie van foute vrienden, verveling, drank en/of drugs? Of weten ze zelf niet eens waarom ze het doen?
Wat is er eigenlijk leuk aan het vernielen van andermans spullen? Ik zou graag eens een “vandalist” (als dat een goed Nederlands woord is) spreken om te kunnen begrijpen wat de uitdaging en voldoening van zinloos vernielen is. Maar misschien is het maar beter voor hem/haar dat wij elkaar niet treffen. Hij/zij zou geen leuke tijd hebben en dat is een understatement.
Soms ben ik wel eens bang dat het een kwestie van verloedering van de maatschappij is. Het hoort erbij en niemand maakt zich er meer echt druk om. Ik weiger dat. Ik maak mij er wel druk om. Soms zie ik mij wel eens als die maffe idealist die denkt dat alles weer goed komt. Elke ochtend zadel ik mijn stalen Rocinante en als een heuse Ton Quichot trek ik ten strijde tegen onrecht en verloedering. Ik heb nog geen knecht maar als u zich een perfecte Sancho Panza vindt, kunt altijd een CV mijn kant op sturen. Ik ben er van overtuigd dat er meer maffe idealisten zijn die diep in hun hart niets liever willen dan ten strijde trekken. Op een ochtend kom ik ze tegen in de Polder: Kees Quichot, Martine Quichot, Jan Quichot en natuurlijk Jeannette Quichot. Plotseling blijkt Nederland vergeven te zijn van de Quichots. Het wordt weer zoals vroeger, respect voor een ander en zijn of haar bezittingen viert hoogtij en de bond van abri’s is blij met het bereikte resultaat. De Quichot-rage breidt zich langzaam uit over de wereld als een niet te stoppen lava-eruptie. Zou dat niet mooi zijn?
Of ben ik nou gewoon een 52-jarige maffe idealist die niet moet zeuren?

Permanent Link

153. Slaapzak11/12/2015

Adele komt naar Nederland, dat zal u vast niet ontgaan zijn. Je kunt de radio niet aanzetten of je hoort haar haar ding doen. Ik laat haar lekker haar ding doen en zoek een andere zender of de uitknop. Op televisie zag ik een item dat ging over een meisje die kaarten voor een van Adele’s concerten wilde kopen. Zenuwachtig zat ze achter een stuk of vier computers/laptops/tablets en probeerde zo online kaartjes te kopen. Uiteindelijk lukte haar dat niet. Het enige dat ze er aan overhield was een F5-RSI-blessure aan beide wijsvingers. Groot was de opluchting toen haar mobiel ging en een vriendin haar vertelde dat ze toch kaarten had. Ik zag de teleurstelling binnen een seconde overgaan in euforie met bijbehorende gil.
Ik moest aan vroeger denken. Ook ik ben wel eens bezig geweest om kaartjes te krijgen. In die tijd wisten we nog niet waar F5 voor stond en de term RSI was nog niet uitgevonden omdat de aandoening niet bestond. Wij moesten het nog doen met tennisknieën en voetbalellebogen.
Ik wilde ooit kaartjes hebben voor Marillion in Ahoy. Ze bestaan nog steeds maar zijn niet meer zo populair als ze eind jaren tachtig waren. Ik moest daarvoor naar Zwolle. Daar aangekomen bleek heel Ahoy al te zijn uitverkocht. Teleurstelling uiteraard, zeker toen later bleek dat het het laatste optreden in Nederland was, voordat zanger Fish de band verliet. De dag van het optreden was er extreem dichte mist, wellicht had ik, als ik wel kaarten had gehad, toch niet kunnen gaan.
Ook heb ik wel eens kaarten gekocht bij het VVV-kantoor of postkantoor. De mooiste herinnering was het kopen van kaarten voor U2 die een concert zouden geven in de Kuip. Al ruim voor het tijdstip dat de verkoop van start zou gaan, was ik bij het VVV-kantoor. Ik was niet de eerste want ik zag slaapzakken en tuinstoelen. Ik sloot aan achter in de rij. Het was gezellig, de muziek van U2 klonk uit een gettoblaster en werd meegezongen. Een van de personeelsleden van het kantoor kwam nummertjes uitdelen, zodat de slaapzakkers het eerst aan de beurt waren en de verkoop eerlijk zou verlopen. Terwijl ik nog buiten stond, kwamen er blije mensen met kaarten en een slaapzak naar buiten en schoof ik 30 centimeter op richting de deur. Na een tijdje was ik binnen en lukte het mij om kaarten te krijgen. Het concert was geweldig, net als de verkoop van de kaartjes.
Misschien word ik oud maar vroeger was echt alles beter want zeg nou zelf, wat is er leuker: in je eentje RSI oplopen achter een stel beeldschermen of gezellig met zijn allen zingen in een wachtrij voor het VVV-kantoor? De keuze lijkt mij niet zo moeilijk.

 

Permanent Link

152. Muts5/12/2015

Ik zag laatst een muts. Ik zie die muts wel vaker. Inmiddels is het een bekende muts. Ik heb het niet over een vrouw met een bepaalde eigenschap maar over een hoofddeksel. Dit exemplaar is bijzonder en opvallend. De grijze muts wordt namelijk opgefleurd door een bovenop de muts geplaatste knalrode pompoen. Het lijkt wel een vuurtoren alleen dan eentje die beweegt. Inderdaad de muts beweegt want hij wordt gedragen door een fietsende man. Tijdens mijn fietstochten kom ik de muts regelmatig tegen. Ik denk zo’n 1 a 2 keer per maand. Dat betekent dat ik de muts nu ongeveer 25 keer heb gezien. Het is inmiddels vertrouwd geworden de aanblik van de muts. Net als ik is de man met de muts een fanatiek fietser vandaar de ontmoetingen. Hij fietst minder hard dan ik want ik heb hem een aantal keer ingehaald. Behalve de voorliefde voor de rood grijze muts weet ik niets van hem. Nou misschien zijn leeftijd dan. Ik schat hem op 55 jaar, iets ouder dan ik. Na de ontmoeting met de muts deze week, bedacht ik dat ik helemaal niets van de muts weet en ook niet van zijn drager. Is het een chirurg in ruste? Is het een werkloze vuilnisman? Is het een rentenierende internetmiljonair? Is hij ergens voor aan het trainen? Schrijft hij soms ook boeken? En waarom juist die muts? Wat zou hij over mij denken? Was hij mij ook opgevallen als hij die bijzondere muts niet op had gehad? Hoeveel fietsers ben ik al vaker tegengekomen maar zijn mij niet opgevallen omdat zij geen muts op hebben? En wat is hun verhaal? En zouden ze mij wel herkennen? En zich afvragen wat mijn verhaal is? Allemaal vragen en geen antwoorden. En we fietsen allemaal door, met ons eigen verhaal zonder elkaar ooit te kennen. 

Permanent Link

151. Lara logica 22/11/2015

Het is weer die tijd van het jaar dat we ’s avonds de gordijnen dicht doen, lekker de boze buitenwereld buiten sluiten. Ook gisteravond was dat het geval. Onze kat Lara ligt vaak op een kussentje in de vensterbank en speelt als de gordijnen dicht gaan, met verve de rol van dame achter de schermen. Rond een uur of negen begon het gordijn opeens te bewegen en daarna volgde er een hoop lawaai. Mevrouw was in haar slaap uit de vensterbank gevallen en niet voor de eerste keer. Ze is een beetje onhandig of gewoon hardleers. Dit keer was anders dan anders want na haar landing, besloot het kussentje ook om maar eens te vallen, uiteraard op de net gelande en niet echt wakkere Lara. Ze schrok, liep weg en kwam daarna voorzichtig terug gelopen. Nieuwsgierigheid wint het bij katten altijd van angst. Ze heeft een poosje voorzichtig naar het kussentje staan kijken. Je vraagt je dan wel eens af wat er in zo’n koppie omgaat. Waarschijnlijk niets maar blijkbaar is ze toch tot een besluit gekomen. Ze heeft vandaag nog niet eens naar de vensterbank gekeken. Sterker nog ze heeft een nieuwe slaapplek bedacht, mijn schoot. Dat typt ook zo lekker eenvoudig. Ze zal tot de conclusie zijn gekomen dat het gebeuren van gisteravond de schuld van het kussentje was. Typisch kattenlogica, altijd je eigen onhandigheid verbergen door de schuld ergens anders te zoeken. Wij noemen dat Lara logica, ze is er erg goed in.

Permanent Link

150. Hoeveel minuten moeten we nog stil zijn?16/11/2015

Het is maandagmiddag 16 november 2015. De klok heeft het tien voor half drie. Hij loopt zoals gewoonlijk enkele minuten voor. Ik heb een zacht spinnende kat op schoot en een kleine laptop in mijn linkerhand. Met de wijsvinger van mijn rechterhand tik ik deze column. Buiten is het somber en regent het zachtjes. Dit is niet echt een raar beeld in mijn huis. Al deze zaken komen vaker voor en ook allemaal tegelijk. Toevalligerwijs is dit mijn 150e column. Ik heb iets met cijfers en vind 150 een bijzonder getal. Ik had allerlei leuke verhalen bedacht om deze column mee te vullen. Maar de realiteit bepaalt dat nummer 150 helemaal niets vrolijks te melden heeft. Ik ben enkele uren geleden een minuut stil geweest en heb mensen herdacht die ik niet ken. Normaliter gebeurt dat alleen op 4 mei . Diverse aanslagen hebben de wereld weer met de neus op de feiten gedrukt hoe verwoestend individuen kunnen zijn en hoe moeilijk iemand die zoiets echt wil te stoppen is. Ik ben triest, net als het weer. De kat is inmiddels van mijn schoot verdwenen en ligt zacht snurkend tegen mijn been. Ze weet van niets. Was ik maar een kat. De wereld draait door, het leven gaat gewoon verder. Maar wanneer gaat er iets veranderen? Er moet iets veranderen. Of slikt de rest van de wereld de huidige situatie voor zoete koek? Zijn de onderlinge verschillen tussen landen belangrijker dan een eensgezind en passend antwoord op de terroristische aanslagen? Hoeveel minuten moeten we dan de komende tijd nog stil zijn? 

Permanent Link

149. The world of Jazz11/11/2015

Vanochtend zat ik voor de zoveelste keer dit jaar weer in de wachtkamer van een ziekenhuis. Zoals de naam al suggereert, was mijn voornaamste bezigheid daar het beoefenen van het nobele wachten. Omdat ik niet zo graag niets doe, liep ik naar een keurige stapel magazines. Ik zag diverse damesbladen dus die legde ik aan de kant. Dat is niet echt mijn cup of tea zal ik maar zeggen. Blijkbaar heeft het huisman zijn mijn leesvoorkeur niet veranderd. Helemaal onderop lag een lijvig blad. De titel daarvan was Jazzism. Zoals u zult verwachten is dat een blad over jazz. Als grote muziekliefhebber was de keuze van het te lezen blad snel gemaakt. Ik bladerde wat en las een aantal cd-recensies. Wat mij opviel was dat ik bijna geen namen van de gerecenseerde artiesten kende. Wat weet ik eigenlijk van jazz? Hele volksstammen jazzliefhebbers zouden het maar vreemd vinden dat ik hun helden helemaal niet ken. Ik heb dat ook met de muziekstroming die ik leuk vind, de prog (progressieve rockmuziek). Als mensen mij wel eens vragen welke artiesten ik leuk vind, dan veroorzaken de namen die ik noem alleen maar glazige blikken. En dat terwijl ze in hun genre heel beroemd zijn. Dat zal met die jazzartiesten vast ook zo zijn. Stel je voor: er zijn werelden op deze wereld die totaal langs je heen gaan. Mensen zijn daar actief bezig met het luisteren naar en maken van prachtige muziek. En jij weet daar niets van als je er niet mee in aanraking komt. Zou het toeval zijn als dat wel gebeurd? En hoe mooi is het om zon nieuwe wereld te ontdekken? Jazz is een nieuwe wereld die ik misschien maar eens moet gaan ontdekken. Uiteraard zijn er veel meer muziekwerelden die door mij nog te ontdekken zijn. Maar de wereld van de country of het Nederlandstalige lied trekt mij absoluut niet. Die werelden laat ik maar onontdekt.

Permanent Link

148. Op een dag weet je het zeker26/10/2015

De wekker ging vroeger dan normaal. Even dacht hij na waarom hij zo vroeg gewekt werd. Slaapdronkenheid en helder denken waren geen gelukkige combinatie. Toch kwam zijn eureka-moment snel en, kwiek voor zijn leeftijd, sprong hij onder de douche. Na het gespetter en gespatter en het luidkeelse gekweel, droogde hij zich af en begon een stapel kleding aan te trekken.  Zijn vrouw had die de vorige avond al op een stoel gelegd. Het was een indrukwekkende stapel maar dat mocht ook wel gezien de voorspelde temperaturen. Hij dacht nog even dat het maar goed was dat zijn vrouw met oordoppen in sliep, iets met zijn gesnurk, anders was ze vast en zeker wakker geworden. Geheel aangekleed liep hij naar beneden en trok nog een warme jas aan en zette een muts op. De muts had het opschrift “koud hè”, hoe toepasselijk. Buiten gekomen sneden de wind en de kou zijn adem af. De thermometer gaf aan dat het min zestien was maar gevoelsmatig was het daar ver onder. Hij werd gelijk blij. Hoe kouder hoe beter was de laatste dagen zijn motto geweest. Vandaag was de grote dag, althans dat zou het volgens hem zeker worden. Hij liep richting het kanaal en zag dat het goed was. Hij verrichtte een paar routinehandelingen en toen kon hij op weg. Hij had er zin in en geloofde heilig in de goede afloop.
Als kind had hij altijd van de winter en de kou gehouden. Uren en dagen was hij met vriendjes aan het spelen. Ze vermaakten zich opperbest met sneeuw en ijs. Schaatsen was favoriet en op de televisie volgde hij alle schaatstoernooien, die de dagen daarna minutieus werden nagespeeld op de bevroren plassen nabij zijn woonplaats. Toen hij opgroeide, verhuisde hij naar de grote stad om te gaan studeren. Hij was een echte studiebol en slaagde met vlag en wimpel hoewel dat eigenlijk cum laude heette. Zijn kostje was gekocht en al snel had hij een prima betaalde baan. Dat deed hij diverse jaren maar echt gelukkig werd hij daar niet van. Hij mijmerde vaak over vroeger, toen geluk nog heel gewoon was. Elke winter op het ijs met zijn vrienden, dat was het echte geluk. Op een avond vroeg hij aan zijn vrouw wat zij er van vond als hij iets heel anders ging doen. Na de aanvankelijke verbazing, een goed gesprek en een blik op het banksaldo, besloten ze dat het roer omging. Ze verhuisden naar een huis aan het water in zijn geboorteplaats. Daar werd hij bijna weer net zo gelukkig als vroeger. Helaas wilden de winters niet echt meewerken zodat de schaatsen wel erg vaak in het vet bleven liggen. Maar dit jaar was het anders. De Enkhuizer almanak was er zeker van, Piet Paulusma wist het zeker en zelfs het KNMI kon het niet meer ontkennen: er zat een extreem koude winter aan te komen. En ze hadden allemaal gelijk. In december gingen de schaatsen uit het vet en onder de voeten. Hij was weer net zo gelukkig als vroeger. Misschien was hij wel gelukkiger dan toen bedacht hij zich toen hij op die vroege, koude en donkere ochtend in zijn auto langs het water reed. Aangekomen op de plaats van zijn bestemming, begroette hij allemaal andere extra warm aangeklede mannen, die net zo’n hoopvolle blik in hun ogen hadden als hijzelf. De vergadering verliep snel en met het gewenste resultaat. Hij was gelukkig, gelukkiger dan ooit. Bij de persconferentie hoorde hij de legendarische woorden waar een groot deel van Nederland ongeduldig op had zitten wachten, “it giet on!”. Hij had dat mede mogelijk gemaakt. De dag dat hij besloot om te stoppen met werken wist hij wat hij eigenlijk altijd al wilde worden: rayonhoofd. De grote glimlach bleef lang op zijn gezicht. Daar kon geen enkel salaris, hoe hoog ook, tegen op.

Permanent Link

Troelablog columns te koop in boekvorm!20/10/2015

Misschien is het u ontgaan maar mijn eerste 127 columns zijn ook in boekvorm verkrijgbaar. http://www.bol.com/nl/p/leven-1-5/9200000040064880/

Permanent Link

147. Verademing20/10/2015

Het was 2011 en mijn vrouw en ik waren op vakantie in Nieuw Zeeland. Een cadeau dat we onszelf hadden gegeven voor ons 25 jarig huwelijk. Fantastische vakantie en weer iets van onze “dat wil ik altijd nog eens een keer in mijn leven doen”-lijst kunnen afstrepen. Aangezien we er in de zomer waren, moest er, gezien de staat van mijn haar, een petje gekocht worden. We vonden al snel een winkel die alleen rugbygerelateerde artikelen verkocht. De pet was snel gekocht, maar een winkel die alleen rugbyartikelen verkocht? Het bleek dat niet ver voor onze aankomst in Auckland, het wereldkampioenschap rugby in Nieuw Zeeland was gespeeld. Het thuisland was wereldkampioen geworden. Dat rugbyteam heet de All Blacks omdat hun tenue geheel zwart is. Het symbool van het team is een zwarte vlag met daarop een zilveren varenblad. Een varen die van nature alleen in dit deel van de aarde voorkomt. Het land was trots op de overwinning want rugby is er erg populair. In onze vakantie doorkruisten wij per auto de twee grote eilanden waar Nieuw Zeeland op ligt. We hebben talloze zwarte vlaggen met het zilver varenblad gezien. Ook in the middle of nowhere. Dan reed je een uurtje, zag je een eenzame boerderij en ja hoor, daar was weer die mooie vlag.
Ondertussen zijn we vier jaar verder en is het volgende wereldkampioenschap rugby al weer gevorderd tot de halve finales. De All Blacks hebben zich daar eenvoudig voor geplaatst door Frankrijk met speels gemak te vernederen. Vier jaar eerder was dat land in de finale een stuk moeilijker te kloppen. Van dit wereldkampioenschap worden veel wedstrijden door RTL7 uitgezonden. Rugby is een prachtige sport. Ik volg het al diverse jaren. Ik ben altijd een grote voetbalfan geweest maar dat is de laatste jaren flink minder geworden. Door rugby weet ik ook waarom. Respect voor de scheidsrechter, publiek kan gewoon door elkaar zitten, geen discussies over beslissingen, geen gebedel om kaarten, zo goed als geen schwalbes, en geen spelers die na een klein tikje theatraal doorrollen, Intensive Care-waardig geblesseerd lijken gezien hun gedrag, maar binnen 3 seconden weer herstellen. Dat maakt rugby zoveel mooier dan voetbal en het is voor echte mannen. Afgelopen weekend had een speler een vinger uit de kom, die werd gewoon op het veld even teruggezet, pleister erop en doorspelen. Bij rugby gaat het alleen om het spel dat niet door al die vermoeiende en afleidende bijzaken wordt verpest zoals bij voetbal veel te vaak het geval is.
Uiteraard hoop ik dat de mannen in het zwart de wereldtitel grijpen. Wat zal het land aan de andere kant van de aarde dan weer trots zijn. En mocht u binnenkort die kant op gaan, let op de vlaggen. En voetballiefhebbers, kijk voor de gein eens een rugbywedstrijd. Er gaat een wereld voor u open!

Permanent Link

146. Kostbaar hempie17/10/2015

Het zal u vast niet ontgaan zijn, het Nederlands voetbalelftal heeft zich niet gekwalificeerd voor het EK 2016. Ruim drie miljoen mensen keken naar de wedstrijd. Ruim 13 miljoen anderen hadden er of geen geloof meer in of interesseren zich helemaal niet in voetbal. Het is wel weer typisch Nederlands dat er ruim 3 miljoen kijkers zijn als het slecht gaat, terwijl de prestaties op het afgelopen WK door maar liefst drie keer zoveel kijkers werden bekeken. Als je wint, heb je vrienden, rijen dik echte vrienden.
Er zal een schok door Nederland zijn gegaan toen de theoretisch kleine kans om zich te plaatsen, niet vol vuur en overtuiging met 22 handen werd aangegrepen. Wat denkt u van de middenstand, die altijd goed verdienen aan de oranjegekte. De begroting zal door hen in 2016 niet gehaald worden. Een schatting maken van de schade is moeilijk maar zal toch zeker een behoorlijk bedrag zijn.
Er zijn ook mensen die blij zijn dat de oranjegekte volgend jaar niet doorgaat. Daar heb ik er opvallend veel van in mijn omgeving. Op de een of andere manier heb ik heel weinig voetballiefhebbers onder mijn vrienden. Ze vinden die gekte maar raar. Het meest ergeren ze zich nog het meest aan het feit dat op televisie elk programma zo nodig mee moet doen aan het volksfeest dat niet door het hele volk gevierd wordt. De rijdende rechter heeft opeens een oranje pochet, dames zonder een greintje verstand van voetbal zijn in een “ochtendbabbelprogramma”  gemaakt blij bij een goed resultaat en de naar vrouwen zoekende boeren lopen opeens in oranje overalls rond. Ik kan me wel voorstellen dat je je hieraan ergert als voetbal je niets zegt. Je wordt bijna gedwongen gek te worden maar willen we dat juist niet allemaal voorkomen?
Dus 2016 wordt een oranjeloos jaar. Maar is dat wel zo? We hebben toch talloze andere topsporters die onze ondersteuning kunnen gebruiken? Waarom barst er geen gekte voor hen uit? Waarom is dat spelletje met een bal en 22 mannen zo veel belangrijker dan andere sporten. Ik heb geen idee. Ik trek mijn oranje slip gewoon aan als Tom Dumoulin op weg gaat voor zijn Olympische tijdrit. En bij elke wedstrijd van WK-rallyrijder Kevin Abbring trek in nog veel meer oranje aan. Mogelijkheden en sporten genoeg voor de oranjegekken zou ik zeggen.
De ruim betaalde mannen, zeg maar heel ruim betaalde voetballers hebben zich niet kunnen kwalificeren, terwijl het aantal deelnemers juist voor het toernooi van 2016 was uitgebreid. Albanië wel….. De Hollanders hebben de leeuw in zijn hempie laten staan. Een heel duur hempie. Een financiële ramp voor winkels en horeca die in hun hempie staan. En voor mij en mijn oranje hempie. Mijn vaste brandstofleverancier geeft altijd korting als het Nederlands voetbalelftal speelt. De broekriem zal in de zomer van 2016 bij ons moeten worden aangehaald, of kan ik een factuurtje naar de KNVB sturen wegens wanprestatie? Of zal ik de brandstofleverancier bellen en voorstellen om andere sporters te nomineren voor korting? Of als Belgie speelt?

Permanent Link

Page 1 of 9
Last Page | Next Page
Hosting door HQ ICT Systeembeheer