1/12/2006 - Donderdag, 30 november 2006.
Taxi naar het station waar zich het ritueel van gisteren herhaalt. Iedereen wil helpen, ttz wat drinkgeld verdienen. De horde wordt steeds groter, niets aan te doen.
Maar wonder boven wonder, zelfs met mijn (gebrek aan) visueel geheugen, herken ik de man die mij een ticket verkocht heeft, en ik laat mij naar een busje brengen. Het is nog leeg maar ziet er ontzettend belabberd uit. De man ziet mijn aarzeling en vraagt of ik gehaast ben. Als naar gewoonte zeg ik ja en we lopen naar een ander vehikel. Voor het feit dat ik, op mijn uitdrukkelijke vraag, naast de bestuurder mag plaatsnemen, is een extraatje onvermijdelijk. Ik moet de passagierszetel wel delen met wat hij noemt "une belle femme Malgasche". Ik heb daar zo een ander gedacht over, dit ruikt sterk naar chauvinisme, maar ik heb weinig te kiezen. Ook dit busje is volledig afgeleefd, de zetels volledig doorgezeten en we zitten er beiden zeer ongemakkelijk bij.
Zolang we daar maar staan te staan, lopen verkopers af en aan. Er is er zelfs eentje bij die mij absoluut een antenne wil aansmeren. Te gek om los te lopen.
De weg naar Ambatolampy (slechts 67 km verder) is de RN7, de Route Nationale die verder nog langs enkele grotere steden zoals Antsirabe en Fiaranantsoa naar het zuiden loopt.
Het landschap is licht glooiend. De hellingen zijn begroeid met een soort den en hele bossen eucalyptus. Op lager gelegen gronden wordt rijst verbouwd. Tientallen vrouwen planten rijst terwijl mannen andere percelen omploegen of eggen met ossenspannen. Ik word er zowaar rustig bij na de vreselijke stads- en vooral stationsdrukte.
Rode huisjes liggen verspreid in de brede vallei en gaan volledig op in hun omgeving. Zij zijn opgetrokken in rode baksteen die hier ter plaatse wordt gemaakt. Op tientallen plaatsen zie ik mensen klei (?) steken, vormen maken en bakken. Alles is rood. Het is niet verwonderlijk dat Marco Polo, die hier als eerste Europeaan voet aan wal zette, Madagascar "Het Rode Eiland" doopte.
In Ambatolampy neem ik mijn intrek in hotel-restaurant "Au Rendez-Vous des Pêcheurs", dat mij door verschillende mensen werd aangeraden. En terecht zal achteraf blijken.
Ambatolampy zelf heeft weinig te bieden. Vervallen herenhuizen tussen armoedige huisjes. Ik verzeil ongewild op een markt (een vuile straat die wordt ingenomen) waar ik absoluut niets wens te kopen. Op de grond, tussen en in vuil en modder, zitten verkopers aphatisch te wachten. Schokkend!
Ik zoek mijn weg naar het "Musée des Insectes" dat echter gesloten is wegens "grippée". Ik loop wat rond op het terrein maar word op een besliste manier halt toegeroepen door twee honden die dreigend naar mij toe spurten. Ik heb inentingen gekregen tegen ongeveer alle denkbare tropische ziektes, maar een beet van een mogelijk hondsdolle hond kan ik missen als kiespijn, die voorziening heb ik net niet genomen. Ik steek mijn handen in mijn zakken, blijf stokstijf staan tot wanneer dit nare gezelschap wordt afgeleid door een stem en er vierklauwens vandoor gaat. En ik ook.
Hier is ook nog een fabriek (sojamelk werd er geproduceerd) waar mijn vriend Rudi zijn internationale carrière is begonnen. Na veel rondvragen kom ik ter bestemming maar er blijft niet veel van over. Al tien jaar gesloten en volledig verkommerd. Energie verspild of uitgemolken?
Dit was Ambatolampy. Mooi gelegen maar niets te beleven. 's Avonds laat ik mij gaan in kikkerbillen en rivierkreeft, lekker. Deze namiddag was ik getuige van de levering van deze rivierkreeften. Ik dacht eerst dat er balen gras werden neergelegd, maar deze balen zaten vol met, ja inderdaad gras. Allemaal kleine dotjes netjes toegebonden. En in iedere dot, die een na een werden opengesneden, zat een kreeft. Je zou het nooit geraden hebben.
|