11/1/2007 - Vrijdag, zaterdag en zondag, 5, 6 en 7 januari 2007.
Daniël krijgt geen garanties dat een vliegtuig of boot hem tijdig
kan terugbrengen naar Antananarivo en ziet zich genoodzaakt onze
gezamenlijke reis hier te beëindigen. Ik neem afscheid van een
super-sympathieke reisgenoot. Volgend jaar komt hij terug om meer
van Madagascar te zien....met de fiets ...én met één arm. Een
sterke kerel die Daniël die ik zeker nog wel eens zal ontmoeten. Dag één: vrijdag Ik
ga nu alleen verder voor de resterende 120 km. naar Maroantsetra.
De RN5 is nu niet meer dan een nog smallere veldweg door de brousse en
langs de kust van de Indische Oceaan. Het is acht uur en drukkend
warm. Van 10 tot 15 uur is de moeilijkste tijd van de
dag want heet. Maar nu reeds loopt het zweet in beekjes van mijn
hoofd tot in mijn schoenen. Ik heb een paraplu gekocht maar zoals
het er naar uitziet, zal ik die moeten omturnen tot parasol.
Ik heb nog maar net twee mensen ingehaald, wanneer zij plots, hevig
geschrokken, halt houden en één van de twee mijn arm vastneemt.
Op amper drie meter ligt een volwassen boa constrictor op en vooral in
onze weg. In haar volle lengte van ongeveer 1,80 meter en met
haar kop omhoog is dit een zeer bedreigende ontmoeting. Boa's
zijn niet giftig maar ze kunnen naar het schijnt lelijk bijten.
Nog voor ik bang kan worden en besef wat er gebeurt, heeft een van de
mannen haar verjaagd door een stok in haar richting te werpen. Ik
had dat beest helemaal niet gezien, want was zoals naar (goede?)
gewoonte in beslag genomen door de omgeving op schouderhoogte en hoger,
op zoek naar vogels en andere kameleons. Vanaf dit moment is het
pad voor mijn voeten zeer belangrijk geworden.
De voedselvoorziening is niet meer wat het eergisteren was en ik leef
op een dieet van droge koekjes en af en toe een banaan. En vooral
water dat ik in bijna elk redelijk dorpje kan kopen. LITERS gaan
erdoor. Omdat ik vrij laat vertrokken ben, kan ik mij niet
veroorloven veel of lange rustpauzes in te lassen. Er moet
dagelijks minimum 40 km. afgelegd worden en vandaag moet ik een dorpje
zien te bereiken waar een vrouw woont die mij een slaapgelegenheid kan
bezorgen (gekregen in Mananara). Ik kom er net te laat aan om de
regen voor te zijn en krijg er een koude douche bovenop. Niemand
schijnt die vrouw, die Monique heet, te kennen en op de vraag of ik wel
in het juiste dorpje ben, wijzen hun armen naar alle richtingen,
behalve naar de plaats waar wij ons bevinden. Ik begrijp er
geen barst van, want niemand spreekt behoorlijk Frans. Het halve
dorp blijft maar discussiëren en gesticuleren, tot er uiteindelijk toch
een vrouw bij het gezelschap komt, die de oplossing heeft, en een
beetje Frans spreekt. Het is niet Monique, maar haar zus
Veronique en die heeft een klein huisje waar mensen soms
overnachten. Er wordt een jongen weggestuurd en jawel, mijn
reddende engel komt te voorschijn. Oef! Maar geen eten, il n'y a pas de provision! Dat zal mij nu geen zorg wezen. Ik ben onderdak. Dag twee: zaterdag Ik
vertrek nu vroeger, om zes uur, want ik besef dat ik het tempo van
gisteren niet kan aanhouden. Na vijf km. loop ik ineens door het
dorpje dat ik gisteren had moeten bereiken, het dorpje waar Monique
woont. Nu besef ik ook dat ik vijf km. meer zal moeten presteren
dan gisteren. Maar het wordt weer geweldig warm en moet ook meer kunnen rusten.
Tegen 's middags moet ik van schoeisel veranderen. Bottinen uit,
sandalen aan, want mijn voeten raken oververhit. Uiteindelijk
bereik ik rond 16 uur mijn bestemming. Tien uur gestapt, ongeveer
45 km afgelegd. In slaap wiegen hoeft niet echt. Dag drie: zondag Nog
ongeveer 40 km en weer die brandende zon reeds vroeg in de
voormiddag. Geen zuchtje wind, geen schaduw en de parasol gaat al
snel open. Het is vooral die hitte die deze tocht zo zwaar
maakt. Er is nu ook nogal wat niveauverschil, maar gelukkig nooit
meer dan 100 meter. Met nog ongeveer 15 km te gaan, gaat het tempo
zienderogen omlaag. En wanneer ik aan het vliegveldje van
Maroantsetra kom, dien ik mezelf een geweldige morele klap toe, door te
denken dat ik er ben. Ik loop nu op een asfaltweg waar echter
geen eind aan komt. Ik zie heel veel mensen, maar geen stad, geen
gebouwen, niets (afstand vliegveld tot stad was nog 10 km).
Alleen asfalt onder de voeten en een loodzware zon boven mijn
hoofd. Mijn schoenen zijn plots twee maten te klein.
Alles begint pijn te doen en lastig te worden. En tot overmaat
van ramp ligt het hotel waar ik wil gaan slapen aan de andere kant van
de stad. En als ik daar dan aankom, is het nog gesloten
ook. Ik sleep mij naar het volgende: gesloten. Een
ander: gesloten. Hier zijn geen toeristen meer en hotels
sluiten. Een vijfde hotel geeft de oplossing. De
vermoeidheid is groot, ik heb vijf frisse douches nodig om af te
koelen, maar ik kan moe en tevreden terugblikken op drie mooie dagen
door de natuur en kleine nederzettingen en dorpjes. In elke plaats waar mensen woonden, werd ik begroet als was ik de koning. Salut vaza!
Vooral de kinderen laten een onvergetelijke indruk achter. Op
sommige plaatsen kwamen ze met tientallen van achter de hutjes kijken
en roepen: "Salut vaza!", maar als ik ze wilde benaderen, stoven ze als
mussen in alle richtingen uiteen. Net alsof het de eerste blanke
was die ze zagen. Volwassenen keken geamuseerd toe. Hartelijke mensen, mooie natuur, een goede afloop, wat wil ik nog meer.
|